is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 35, 28-05-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nieuwe voorleesboeken

Van Ewalds sprookjes had ik wel eens gehoord, maar ze nooit onder ogen gehad. Nu brengt de uitgeversmaatschappij van Loghum Slaterus te Arnhem twintig van de beste verhalen uit beide sprookjesbundels, die uitverkocht zijn, onder de titel; „Van Dieren, Pianten en Mensen.” De naam „sprookjes” is inderdaad voor deze verhalen van Carl Ewald minder gelukkig. Het prachtige is juist, dat ze zo werkelijk, zo echt zijn. De fantasie onttrekt hier niet aan de werkelijkheid, maar doet juist de werkeiijkheid beter en dieper verstaan. „Wat niet in leerboeken staat”, is aan de titel toegevoegd. Ja, en toch staan alle feiten juist wei in de leerboeken, maar wat daar droge leerstof is, die je vergeefs tracht in je hoofd te stampen, is hier een en al leven en dramatisch gebeuren. U herirmert U misschien nog wel en anders hoort U ’t nu van Uw kinderen hoe we op school leerden, dat de aarde om de zon draait in een jaar en in een etmaal om zichzelf, en hoe de maan weer om de aarde draait en ook weer om zichzelf? In de meeste kinderhoofden wordt al dat gedraai zo’n wanhopige warwinkel, dat ze ’t maar liefst zo gauw mogelijk weer vergeten. En nu schrijf ik een klein stukje over uit „De Aarde en de Komeet”, dan voelt u meteen ’t verschil tussen Carl Ewald en de leerboeken .

„Daar in de wereldruimte maakte de aarde haar ronde, zoals zij het gedurende vele, vele jaren heeft gedaan en nog altijd dag aan dag doet. Rondom de zon ging zij, —■ aldoor rond, rond, zodat ieder ander er allang duizelig van geworden zou zijn. Maar de aarde werd niet duizelig, want zij was aan het toertje gewend. Het was anders geen kippeëindje, een vol jaar duurde de tocht en nauwelijks was hij volbracht, of de aarde begon van voren af aan.

En net alsof zij helemaal dol wilde worden, draaide zij zich voortdurend rondom zich zelf, precies als een jong hondje, dat zijn eigen staart wil pakken.

Maar daarvoor had zij slechts één etmaal nodig en zij deed het alleen, opdat de zon aan alle kanten evenveel op haar zou schijnen. Want aan die zijde, die van de zon is afgekeerd, is het altijd donkere nacht, en gesteld, dat de aarde voortdurend Europa, Azië en Afrika tegen de zon hield, dan zouden de mensen in Amerika immers nooit uit hun bedden komen.

Het was niet zo heel weinig, waar de aarde op moest letten, er was zelfs nog meer.

Er was namelijk ook nog de maan.

Nu kon de maan feitelijk best op zich zelf passen, want zij had niets anders te doen, dan net als de aarde om zich zelf te draaien en daarenboven zich nog om de aarde heen te bewegen net als de aarde om de zon. Zij was veel kleiner dan de aarde en had in werkelijkheid niets te beweren. Daarom sprak de aarde altijd op gebiedende toon tegen haar en daarentegen plaagde de maan haar, als zij maar kon.

Natuurlijk kwam het ook daardoor, dat deze beide zo dicht bij elkaar waren en alle andere sterren te ver weg om met hen te praten. Als men eeuwig en altijd bij elkaar is, draait het dikwijls op kibbelen uit.

Geregeld, eens in de maand, was de maan vol. Dan liep zij rond met een brede grijns op haar ronde gezicht en maakte de aarde woedend. „Kijk eens, hoe zij straalt, die stumperd”, zei de aarde. „Zij verbeeldt zich zeker een vaste ster te zijn!”

De maan lachte maar, zolang het duurde. Maar het duurde nooit lang. Met elke nacht werd haar gezicht langer en langer en zij zag er echt katterig uit. Op het laatst bleef zij helemaal weg, maar kort daarna kwam zij weer te voorschijn en werd groter en groter, totdat zij weer vol was.

,Ben je er weer?” vroeg de aarde.

„Natuurlijk”, antwoordde de maan. ~Ik hoop maar, dat je op je tijd let”, zei de

aarde. „Denk er aan, terwijl ik één keer om de zon draai, moet jij dertien keer om mij heenlopen. Pas goed op, anders komen er fouten in de kalender”.

„Ik ben hier lang genoeg om te weten, wat mij te doen staat, oude nijdas van een planeet”, schold de maan. Zij was juist vol die dag en dan had zij altijd praats.” (blz. 50, 51).

En weet u nog wel, dat u moest leren over de verschillende wijzen van bestuiving bij de planten, over het opslorpen en de bereiding van het voedsel voor de plant, over woekerplanten, over verschil en overeenkomst tussen steenkool, cokes, turf en hout, enz. enz.? Zó klinkt het akelig dor en droog naar de leerboeken, maar nu moet u eens lezen het verhaal over De Bloemen, met die heel fijne nuances in toon naar de verschillende aard van de bloemen; of de Seringestruik, met die brompot van een wortel, die vindt, dat hij alleen alle werk moet doen en dat takken en bladeren en bloemen maar een heerlijk vrij en gemakkelijk leventje hebben in het licht en de zonnewarmte; of de Maretak, met de oude hond, die zich schurkt tegen de oude wilde appelboom, en die

telkens maar weer beweert, dat de bes, die de merel van z’n snavel aan de tak van de boom heeft af gestreken, toch vast een vlo is; of de Loten van één stam, waarvan ieder z’n verhaal begint met; ~Ik was eens de statigste boom in het woud.” Neen, ik vertel er U niet meer van; U moet ze zelf lezen, deze verhalen. Een kostelijk boek is het, om in een gezin voor te lezen. (Voor de hele kleintjes, onder de schoolleeftijd, is de zinsbouw te moeiiijk, en zijn de meeste verhalen ook te lang) De ouderen genieten van de humor en de dichterlijke fijne trekjes, van de levenswijsheid, die er door straalt, en de jongeren luisteren in spanning naar ’t mooie verhaal, en zullen toch ook, dunkt me, na deze verhalen de natuur om zich heen met andere ogen aankijken dan tevoren.

’t Was Zaterdagavond, onze stopavond. (Tussen twee haakjes, moeders van meisjes, die mogen leren of op kantoor of fabriek zijn, U laat ze toch haar eigen kousen stoppen, wat zich langzamerhand uitbreidt tot het verstellen van haar hele garderobe, opdat ze later, als ze in andere omstandigheden komen of niet meer thuis zijn, niet met twee linkerhanden staan? Als U er bij voorleest, wordt, wat anders misschien een mopperend aanvaarde plicht zou zijn, tot een vreugde.) Nu dan, de kinderen werkten aan ladders en knollen van gaten in dunne kousen, en moeder las voor uit bovengenoemd boek. Vader, die het altijd te druk heeft, om een uurtje in de huiskamer te zitten, kwam onderwijl zachtjes binnen, om een kopje thee te halen. Hij wilde niet storen, schonk zichzelf in, en bleef, met de rug naaa- het nijvere gezelschap toe, het staan uitdrinken. Moeder las het kostelijke verhaal van de Seringestruik, en daar begon opeens de vaderlijke rug te schudden en klonk een schaterlach. En vader liet heus even z’n werk in de steek en bleef luisteren, tot het verhaal uit was.

Wie zo gelukkig is, wel eens geld voor boeken te kunnen uitgeven, kope vooral dit boek. Het spijt me, dat ik u de prijs niet kan zeggen; die vermeldde de uitgever niet bij ons recensie-exemplaar. En wie het niet kan kopen, probere het te lenen van

vrienden of in een leeszaal of bibliotheek. Het is uitstekend uit het Deens vertaald door L. Chabot—Steenberg; men merkt eenvoudig niet, dat men met een vertaling te doen heeft, en in sommige gevallen ik denk aan de Bloemen zijn zelfs de versjes heel verdienstelijk in maat en rijm overgezet. Het boek is buitengewoon mooi geïllustreerd door Dick de Wilde, fijn en dichterlijk en vol humor, zoals ook de verhalen zijn.

Nu ik toch even het verstel- en voorleesuurtje met onze grote meisjes aanroerde, wil ik hier voor haar ook nog een nieuw boek van Jeanna Oterdahl noemen: „De Wereld groeit”, uitgegeven bij J. M. Meulenhoff te A’dam. Dit boek is het vervolg op Helga Wilhelmina, dat ik hier reeds eerder aankondigde. Ik vind persoonlijk deze boeken bij uitstek goede iectuur voor jonge meisjes, maar toch moet ik een voorbehoud maken, om mogelijke teleurstelling te voorkomen. Ik kan me n.l. voorstellen, dat levendige, actieve kinderen, die toch wel van een ernstig boek houden, deze boeken van Jeanna Oterdahl vervelend vinden. Het is de schrijfster uitsluitend te doen om de innerlijke ontwikkeling van Helga Wilhelmina, in het eerste boek van het kind, in dit nieuwe van het opgroeiende jonge meisje. De uiterlijke levensgebeurtenissen vertelt ze alleen voorzover die voor die innerlijke groei van belang zijn. Daardoor kan het gebeuren, dat we b.v. in spanning zitten, hoe ’t verder met het meisje zal gaan, als ze haar betrekking bij den boer heeft opgezegd, en dat we pas drie hoofdstukken verder daar goed en wel achter komen. Toch zullen meisjes, die houden van boeken, waar wat in zit, deze soms wat trage gang van de gebeurtenissen wel op de koop toe nemen en „De wereld groeit” een bijzonder mooi boek vinden. Voor beneden-vijftien-jarigen lijkt het me niet geschikt.

Het spijt me, dat ik de vertaling van N. Basenau—Goemans niet zo roemen kan als die van het boek van Carl Ewald. Wat zegt ge b.v. van dit Hollands; „(zij) hielpen haar met haar kleine verhuis”? (blz. 201). H. B.—S.

AriG rl©ySl©r: U© Op©©lW©lCl©

. Uitgave: N.V. De Arbeiderspers, A’dam, 1938. Ing.f 1.90; geb. f 2.50.

Dit boek voert ons mede door fazen van jeugdbeweging, van socialistische strijd en tekent ons de figuur van Leen Wouters. We maken kennis met zijn strijd in de jeugdjaren, de strijd tussen verbeelding en werkelijkheid, de strijd rond de belangrijkste dingen voor den worstelenden jongen mens, die „het zorgvuldigst door de volwassenen en speciaal de opvoeders worden genegeerd”. We volgen hem tijdens zijn opleiding tot onderwijzer, we begrijpen zijn wezensverandering, verband houdende met de opkomst der eerste jeugdbeweging, de K.8., later de K.G.0.8. (de onvergetelijke gebeurtenis voor allen, die ze hebben meebeleefd) en belanden in zijn geboortestadje, waar hij meester wordt aan de „Kosteloze school”. En dan komt de tijd, waarin hij mee optrekt in de socialistische strijd en waarin de sympathieke vrouwenfiguur van Corry, die zijn vrouw zal worden, naast hem staat. Hij wordt redactiechef van het nieuwe Rotterdamse arbeidersblad en we komen daardoor in aanraking met Rotterdamse toestanden. En vanuit dit milieu belicht trekken de grote veranderingen langs ons heen, die zich In de samenleving voltrekken. Brokjes socialistische strijd, en tegenover de eerste Idealistische beweging der vroegere jongeren, de bittere realiteit uit de jeugd van nu. Maar tussen al deze gebeurtenissen en ontwikkelingen heen wordt telkens even het licht geworpen op de „speelweide” bij de Paasheuvel”. En deze speelweide geeft het'boek zijn titel, want ze is het symbool van wat er aan diepere bedoeling leeft achter de dagelijkse worstelingen om een betere toekomst: een schone gemeenzaamheid, een innige verbroedering, een klaarder wederzijds begrip in een van vreugde doorstraalde mensengemeenschap.

Leen Wouters wordt tenslotte omroepleider van de arbeidersomroep. We behoeven geen ogenblik in twijfel te verkeren omtrent het autobiografisch karakter van dit boek. En dat maakt het ons gemakkelijk bij een boekbespreking als deze: Zouden we, zo hier sprake was van een louter verdicht verhaal, waarbij de eerste aandacht van den beoordelaar ge-

richt zou zijn op de compositie, allicht bezwaren hebben tegen een zekere effenheid, tegen het te lang bezig zijn met de kleine dingen, tegen de afwezigheid van sterke accenten, van grote conflicten, van die bewegelijkheid in de loop van een verhaal, die er het spannende, het soms adembenemende aan verleent, nu de schrijver met een sjmipathieke openhartigheid, zonder enige schroom, maar ook zonder enige pose de bekende persoonlijkheid van „Leen Wouters” voor ons toegankelijk maakt, treft dit boek ons door zijn oprechtheid, zijn gaafheid, zijn warme menselijkheid, als een ons toevertrouwd levensrelaas van een kameraad. We lezen het met toegewijde aandacht; Het is de vrucht van een rustige, objectieve, eerlijke zelfbeschouwing. In goedverzorgde taal, in sterke, beeldende volzinnen, ontrolt zich voor ons de levensgang van Leen Wouters. Zijn aard, zijn wezen staat zuiver, zonder schrille effecten, helder en scherp-omgrensd uitgebeeld. Wij zien een wel bewogen, maar toch beheerst, een geduldig, maar toch taai, een idealistisch, maar toch met beide benen op de grond staanden strijder, het type van den Nederlander, zoals we dezen het liefst zien: een kampvechter voor waarheid, recht, vrijheid en menselijkheid. De liefde voor het arbeidersvolk gloeit bedwongen door heel dit onopgesmukte boek, waarin velen zich met stille overgave zullen verdiepen. En deze velen zullen gaarne een stuk warm, bezield gemeenschapsleven willen zien door de ogen van een hunner, die zich niet onderstboven laat praten door grote monden, door grote woorden, maar zijn kalmte, zijn optimisme behoudt, omdat hij gelooft in de speelweide. speelweide ligt gereed voor het constructieve werk, dat aan de nieuwe eeuw een breder basis geeft, langzaam, zonder gerucht, maar onweerstaanbaar als de onderstroom van een rivier.”

, , .. De laatste bladzijden van het boek zijn gewijd aan de verkiezingsuitslag. Leen Wouters heeft de laatste omroepberichten bewerkt en -keert in de nacht naar huis terug, vol vreugde om de overwinnmg der democratie. En dan emdigt het boek: -Achter de loopgraven de democratie, achter het front van de geestehjhe vrijheid, kan worden voortgewerkt aan de vorming van mensen van de nieuwe gemeenschap. Het is, trots alles. Lente, JOHAN TOOT.