is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 36, 04-06-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

Onder gereformeerde jongelingen

D e Bond van Jongelingsverenigingen op Gereformeerde Grondslag heeft ter herdenking van zijn vijftigjarig bestaan in Amsterdam een groot feest gevierd. In het R.A.1.-gebouw waren 14000 personen aanwezig. Er is veel gesproken en ook werd een declamatorium opgevoerd met zang, orgelspel en spreekkoren, een soort lekenspel dus, dat bedenkelijk dicht nadert tot het zondige toneelspel, en strenge geref. keuren zeker zulk een declamatorium af als het buigen van de knie voor de geest dezer wereld.

Een tweede attractie op deze feestvergadering was de rede van minister Colijn. Er wordt door deze jongelingen op hun vergaderingen steeds veel over godsdienstige en politieke onderwerpen gesproken en gedebatteerd. Op de agenda staat steeds een inleiding en de grote vragen van kerk, staat en maatschappij komen telkens aan de orde. Zo wordt de jeugd geschoold voor de anti-revolutionaire politiek en leert zij het verband tussen de openbaring Gods en het anti-revolutionaire partijprogram door middel van de ordinantiën Gods. Zij leert echter niet inzien, hoe moeilijk het is, om deze ordinantiën, Gods wil en wet vast te stellen en evenmin dat ze op verschillende wijzen kimnen worden toegepast. Zo zien wij harmonie tussen God en het socialisme, dat op gerechtigheid en broederschap rust, terwijl de toepassing dezer ordinantiën door Colijn leidt tot verdediging en handhaving van het kapitalisme, dat is de concurrentie tussen volkeren, klassen en personen, de strijd om het bestaan, om geld en macht,-het spel der vrije krachten in de maatschappij naar de grondgedachte van het liberalisme.

Dat deze jeugd belang stelt in politiek, is toe te juichen, al neemt ze in hun vergaderingen en gedachten vaak een al te grote plaats in. Bedenkelijk is het, dat zij zonder critiek het woord van hun politieke leiders en pers aanvaarden. Dat woord is unmers in overeenstemming met Gods Woord, dus er mag niet aan getwijfeld worden. De anti-revolutionairen eisen wederinvoering der doodsstraf, naar het heet, omdat deze schriftuurlijk is. Naar het heet! Inderdaad gaat men uit van zekere begrippen over vergelding en gerechtigheid en de mening, dat de doodsstraf het noodzakelijke middel is tegen de stroom van misdadigheid en dan vindt men in de Bijbel wel een woord, dat de doodsstraf voor den moordenaar gebiedt. De Bijbel geeft niet het uitgangspunt tot bepaalde politieke richting of maatregelen, maar moet de bevestiging eraan geven. De goddelijke ordinantie is niet de grondslag maar de vlag op het gebouw der anti-revolutionaire politiek.

Minister Colijn gebruikt deze vlag zelden; hij treedt meestal op als een oud-liberale staatsman op algemeen-christelijke grondslag. Voor de feestvierende geref. jongelingschap trad hij echter op als de calvinistische staatsman. Hij prees het calvinistische beginsel als afdoend verweer tegen politieke dwalingen; dat beginsel wijst volgens hem voor heel het maatschappelijke leven met onovertroffen zekerheid de juiste weg. Bij die uitspraak vergat hij zeker, politieke bondgenoten en mederegeerders te hebben, die in de Hervorming de wegbereidster tot alle dwalingen van de moderne tijd zien. Of heeft hij wel aan hen gedacht en zonder ze te noemen, hen ook bedoeld, toen hij volgens dit calvinistisch beginsel van leer trok tegen hen, ,,die aan de staat een taak toebedelen, die in het eind de vrije, zelfstandige burger naar een museum van oudheden verwijst, omdat het volk nagenoeg geleerd heeft, zich te bewegen met staatskrukken”?

En wie bedoelde hij, toen hij sprak van den gullen Sinterklaas op kosten van den belastingbetalenden burger met in het eind een zodanige algemene verarming van de gemeenschap, dat veel van wat met zorg werd opgebouwd, gevaar loopt te moeten worden prijs

gegeven? Is de minister van defensie met zijn royaliteit voor leger en vloot deze Sinterklaas? Of wordt de linkervleugel der Christel.-historischen en katholieken bedoeld, die voor mildheid pleiten voor de werklozen? De jongelingen hebben deze vraag niet gesteld. Colijn hun man, verheerlijkte het calvinistische beginsel. Dat was genoeg, om hun geestdrift te doen ontvlammen.

Als zij vrij van de invloed van hun school en kerk en omgeving op grond van het Christendom critiek uitoefenden en idealen vormden voor het gemeenschapsleven, zou dan nog Colijn de man naar hun hart zijn?

Ons gezegend vaderland

wanneer we als emigrant van een andere ster hier in Europa kwamen en we leerden alle landen kennen en moesten een vaste woonplaats kiezen, dan kreeg Nederland een beste kans. Wij zouden althans onmiddellijk de grootste helft der staten schrappen en er zouden niet meer dan drie, vier landen overblijven, om er een keuze tussen te doen. Speelt het nationaal gevoel ons parten bij de vermoedelijke keuze in dit onderstelde geval? Wij behoren niet tot de hiep-hiep-hoera-Nederlanders en zijn van mening, dat het ook in onze kringen nodiger is, om de internationale geest dan het nationaal gevoel te sterken. Maar we menen, dat ons land in vergelijkirig bij andere landen in stoffelijk en geestelijk opzicht grote voordelen en voorrechten biedt. Deze erkenning mag ons echter niet tevreden maken en doen roemen op ons gezegend vaderland. Er is ook hier veel, dat ons voortdurend kan ergeren en moet verontrusten. Het gezegende is voor velen een vervloekt vaderland. Wat heb ik aan de vrijheid, als ik geen werk en brood kan vinden? hoorden we een werkloze zeggen. Men hoort soms het vaderland verheerlijken door hen, die niet de zwarte wolk maar alleen de zilveren zoom schijnen te zien.

Voor de Ver. Nederland in den Vreemde sprak Mr. Van Nierop, directeur der Amsterdamse Bank. Hij verzekerde, dat hem steeds de grote weivaart van Nederland treft, hier ontbreken de scherpe contrasten. Niet alleen het klimaat, ook het Nederlandse karakter en bestuur zijn gematigd. Het kapitaal is zeer verdeeld. Er heerst geen tegenstelling tussen grote armoede en grote rijkdom. Elders is de gemiddelde levensstandaard belangrijk beneden die van den Nederlander. Mr. Van Nierop verklaarde het dan ook vreemd te vinden, dat menig Nederlander zich te weinig rekenschap geeft, in welk gezegend land in vergelijking met andere landen hij leeft.

Zelfs bij vergelijking blijft er echter in ons land nog veel te wensen en te verbeteren over. Er is in Engeland meer geestelijke vrijheid dan in ons land, waar een man vervolgd werd, omdat hij op wat ruwe manier de wonderen van de Bijbel ontkende en waar men goed doet, de vinger op de mond te leggen, als men de naam Hitler heeft uitgesproken, omdat er anders licht een procesverbaal zou volgen wegens belediging van een staatshoofd. Er is in vele landen minder werkloosheid dan in ons land, waar een leger van ongeveer vierhonderdduizend man rondloopt zonder doel in het heden en zonder hoop voor de toekomst. Er zijn landen met een meer vooruitstrevende en democratische regering dan het onze. De democratische sfeer in de Scandinavische staten is frisser en vrijer dan hier.

In vergelijking met andere landen is de volkshuisvesting, het gemiddelde peil der volkswelvaart, de zorg voor armen en zieken, het steunbedrag enz. lang niet slecht. Maar wat betekent dit eigenlijk? Er is verschil tussen beter en minder slecht. Een H.8.5.-er kwam trots en blij thuis met zijn schoolrapport, waarop het gemiddelde cijfer der vakken vijf, dus onvoldoende was. Toch was hij trots en blij, meer dan zijn ouders, omdat er vijf jongens een schoolrapport hadden met vier

als gemiddeld cijfer. Adam Smith heeft gelijk, als hij schrijft, dat de Engelse arbeider beter gehuisvest, gekleed en gevoed wordt dan een koning van een Kafferstam. Hij leeft dus volgens Adam Smith meer dan koninklijk! Ondertussen was hij in de dagen van Adam Smith toch een arme. letterlijk meer een proletariër dan de Engelse arbeider thans.

Een vijfde deel onzer bevolking leeft in deze tijd op een of andere wijze van overheidssteun. Wandel door de gemeente Bloemendaal en door de Jordaan, vergelijk de woningen der arbeiders op het land met de enkele grote boerderijen en herenhuizen, stel het inkomen der werklozen tegenover dat van de gegoede burgerij en gij leert wel scherpe tegenstellingen kennen. De gewoonte doet aan de scherpte van gezicht vaak afbreuk en het klassebelang is geneigd, misstanden te ontkennen of ze aan persoonlijke schuld toe te schrijven. Ook in Nederland wonen nog steeds twee naties, die dezelfde taal spreken, maar elkaar niet begrijpen, omdat zij onder geheel verschillende levensomstandigheden verkeren.

Als Mr. Van Nierop eens niet de directeur der Amsterdamse Bank maar een werkloze arbeider of een slecht betaalde vaste landarbeider was, zou hij niet beweren, dat hier de scherpe tegenstellingen ontbreken.

Het eigen huis

Het „Handelsblad” wil een groter aantal eigen woningen en daarmee ~gezeten” burgers. De Woningwet voorziet niet in de woningverbetering door het bevorderen van de bouw van eigen woningen. Dan prijst het liberale dagblad de grote waarde van het bezit van een eigen huis. De zin voor het verwerven van particulier eigendom is den mens ingeschapen. Men leert verantwoordelijkheid dragen voor eigen bezit; het oefent de zorgzaamheid en de wil en kan de gemeenschapszin versterken. De huurwoning wordt licht verwaarloosd en bij de verhuizing dikwijls nog eens extra beschadigd. Het verschaffen van eigen woningen zou daarom volgens het ~Handelsblad” een daad van extra nuttigheid zijn.

Het betreft hier geen kwestie, waarbij het socialisme betrokken is. Immers een huis is geen productiemiddel en het bezit van een eigen woning is evenmin met het socialisme in strijd als het bezit van een eigen fiets of piano. Dat er een natuurlijke drang is, om particulier eigendom te verwerven, ontkennen we niet. Bij het winstsysteem, waaronder wij leven, is die drang echter geprikkeld en veel sterker en gevaarlijker dan bij natuurvolkeren. Menige natuurlijke drang moet ook beheerst en beperkt worden in het algemeen belang. Er zijn echter practische bezwaren tegen het bezit van een eigen huis. Hij, die geen huis kan kopen en direct betalen of geen crediet heeft, zal tot huurkoop moeten overgaan; hij zal dus enige tientallen jaren een extra hoge huur moeten betalen, om daarna eigenaar te worden. Het kost thans reeds velen moeite de gewone huur te betalen en menigeen is gedwongen, om een goedkopere en slechtere woning te huren. Het bezit van een eigen woning bindt aan een bepaalde woonplaats, wat bij verandering van werk, van patroon en plaats of wijk grote moeilijkheden geeft. De werkloze, die vaak met grote opofferingen en overmatig zuinig leven eigenaar van een huisje werd, heeft dat bezit gevloekt, omdat hij daardoor geen steun kon krijgen. Hij moest eerst zijn huisje „opeten”. Later is deze eis een weinig verzacht. Maar de huiseigenaar zonder werk heeft daarmee een koe, die droog staat. Niet in staat, om het onderhoud te betalen, zal de man van het eigen huis dit in menig geval moeten verwaarlozen. Wat een ellende hebben niet velen, die als landarbeiders door bemiddeling der regering een eigen plaatsje in huurkoop kregen; ze hebben met heel hun gezin gezwoegd en zijn even arm gebleven, als ze eens als landarbeiders waren. „Gezeten” burgers gevraagd, schrijft het ~Handelsblad”.

De meesten, die in huurkoop eens tot het bezit van een eigen huisje hopen te komen, zullen weinig of geen tijd hebben, om te zitten en te rusten; zij zitten ...in zorgen en moeilijkheden, die de huurder niet kent.

J. A. BRUINS.