is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 37, 11-06-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Een verloren uurtje in het Lagerhuis

Vlak voor het Pinksterreces, als het ware in een verioren ogenblik, heeft in het Engelse parlement een uiterst interessante, ofschoon helemaal niet wereldschokkende discussie plaatsgevonden over „de economische pacificatie”, zoals de Lagerhuis-agenda het onderwerp aangaf. Hoewel het debat niets positiefs opleverde en eigenlijk ook weinig nieuwe perspectieven bood. is het gezichtspunt, van waaruit de internationale verhoudingen in deze discussie onder het oog werden gezien, belangwekkend, en in vele gevallen voor ons ook oorspronkelijk genoeg, er hier enige aandacht aan te wijden. Daarbij zullen de betogen van enkele sprekers, den ouden pacifist uit de Arbeiderspartij. Lansbury. die het spits afbeet, voorop, op de voet worden gevolgd.

Lansbury begon met op te merken, dat geen enkel parlementslid zich tegen een vredesovereenkomst, welke dan ook, zou verzetten, mits deze vrede onmiddellijk kon worden verwerkelijkt. ..Het voornemen, dat wij wapenen zullen opstapelen in de eerstvolgende jaren. om machtiger dan ieder ander te worden en dan in staat te zijn, de vrede op te leggen, is naar ik meen. eenvoudig waan en zinsbegoocheling. Het Huis gelooft bijna geheel in een versnelling der bewapening, maar er bestaat ook zoiets als een algemene overtuiging. die niet tot pacifisten is beperkt, dat. indien deze wapenen zouden worden gebruikt, dit het eind van de beschaving zou betekenen, die wij kennen”.

Na deze inleiding verdedigde Lansbury zijn opvatting, dat de vrede alleen kon worden gehandhaafd, wanneer de naties bereid waren samen te werken bij de verdeling van de grondstoffen, de gebieden en de markten van de wereld. Hij had met vele Britse en buitenlandse diplomaten gesproken en meende, dat een nieuwe wereldconferentie wellicht thans beter resultaten kon opleveren dan voorheen. Het rapport van Van Zeeland zou, ofschoon L. het niet geheel onderschreef, tot grondslag voor de opening der besprekingen kunnen dienen.

Lansbury wees erop, hoe de Belgische Koning vorig jaar in de herfst in de Londense City een oproep in deze zin had gedaan, die vrijwel onbeantwoord was gebleven. Op 9 Mei van dit jaar werd. aan de vooravond van de Volkenbondsraad, een radioboodschap van den Amerikaansen minister Huil gepubliceerd, waarin deze mededeelde, door den President gemachtigd te zijn te verklaren, „dat samenwerking in de oplossing van economische problemen een van de meest practische benaderingen zou vormen van de taak, welke de wereld moet ondernemen. Er is, aldus Huil. een algemene en groeiende erkenning, dat geen natie of groep van naties welvaart of overvloed kan genieten, wanneer een groot deel van de wereld in economische ellende verkeert”.

Het hier aangeroerde probleem zou ons niet loslaten, meende Lansbury, aangezien wij in een geheel nieuwe wereld leven, vooral in economisch opzicht. Daarbij wees de oude Labourleider op de dwaasheid van de moeilijkheden op Jamaica, waar de regering in last was, omdat men de suiker niet kwijt kon raken, terwijl millioenen mensen geen suiker bezaten. Ook de Tsjechoslowaakse moeilijkheden kwamen, behalve uit rassen-kwesties, vooral uit economische moeilijkheden voort.

Lansbury besloot zijn rede met een dringend beroep op regering en Huis, het rapport van Van Zeeland niet te laten ondergaan in vergetelheid. „Indien slechts één tiende van de energie en het enthousiasme en de aandacht, -welke aan de bewapening worden besteed, aan de economische vraagstukken zou worden gewijd, zouden wij de naties voor de oorlog behoeden en de wereld vrede kunnen brengen”.

Lansbury kreeg steun van den meer officiëlen woordvoerder der Arbeiderspartij, Henderson, den zoon van den bekenden ontwapeningsapostel, zelf juist terug van een tournée door Midden-Europa. Het woord oorlog was op de lippen van mannen en vrouwen in alle delen van de wereld, zeide Henderson, die er echter op wees, dat het verlangen naar nationale veiligheid de hoofdbron voor de bewapenlngsljver was. De oorzaken van de oorlog konden enkel worden weggenomen door politieke èn economische pacificatie.

Toen hij onlangs in Tsjechoslowakije was, aldus Henderson, had hij ontdekt, dat de toestanden in de Sudeten-Duitse gebieden grote overeenkomst vertoonden met die in de Engelse noodlijdende gebieden. Vóórdat de economische toestand in deze streken acuut was geworden, waren de politieke eisen van de Duitse bewoners veel minder luidruchtig geweest dan thans. Hij meende, dat, indien men deze bevolking een redelijk welvaartspeil verschafte, problemen van autonomie en grensherziening spoedig te schikken zouden zijn. Ook geloofde hij niet, dat de autarkiepolitiek of de economische autonomie, die in Duitsland en Italië waren ingesteld, onoverwinlijke hinderpalen voor een economische pacificatie in de zin van het rapport-Van Zeeland zouden zijn. Indien economische samenwerking betere resultaten zou kunnen vertonen, dan zouden de volken van Duitsland en Italië spoedig hun autarkische systemen ten gunste van internationale samenwerking wijzigen. Zou de Britse regering hierin geen initiatief kunnen nemen?

„Indien dit land,” aldus besloot Henderson. ~in samenwerking met Duitsland, Italië. Frankrijk en Rusland een economische conferentie zou organiseren, die ten doel zou hebben een economische Donaufederatie op te richten, zou dit een constructieve onderneming zijn, die een beslissende uitwerking zou kunnen hebben op de politieke situatie in Midden-Europa”.

De ruimte verbiedt, het verdere debat In zulk een uitgebreidheid weer te geven. Vermeld zij slechts, dat een conservatief zijn erkentelijkheid uitsprak voor de vermaningen van den ouden Lansbury, die zich er over beklaagd had, dat de impopulariteit van het pacifisme hem bijna een minderwaardigheidsgevoel bezorgde. Een andere Labourleider, de vrij scherpe Wedgwood Benn, sprak zijn bezorgdheid uit over de gevaren, aan concessies jegens de dictatuurstaten verbonden. Het internationale recht en de trouw aan de verdragen dienden eerst te worden hersteld.

Ook de komische noot in het debat ontbrak niet. Daarvoor zorgde de levendige, onafhankelijke Labourleider Maxton. Toen deze, in navolging van Lansbury, herinnerde aan de bittere opmerking in een ~Times”-artikel, dat het rapport-Van Zeeland reeds met stof was bedekt, gaf een uitroep van een conservatief lid, dat (typisch Engels-democratisch!) naast hem was gezeten, hem aanleiding het halfofficiële conservatieve dagblad er fijntjes „tussen te nemen”.

„Het is een schokkend moment in de geschiedenis van ons land, aldus Maxton volgens het verslag in de.... ~Times”' zelf, wanneer een van de meest representatieve conservatieve leden van dit Huis lacht om de „Times”. Ik voel mij zo aangedaan, dat ik er over denk weer te gaan zitten tot ik mijn zelfbeheersing heb teruggekregen ” Maar ook de halve revolutionnair Maxton ondersteunde het verzoek, dat de regering definitieve stappen zou doen, teneinde het economisch aspect der internationale verhoudingen niet uit het oog te doen verliezen. Waarbij hij er overigens op wees, hoe er heel wat pacifistische hoge lieden in Engeland zijn, die in Duitsland of Genève zich allerroyaalst betonen, maar de daar aangeboden concessies dubbel en dwars verhalen op hun eigen arbeidersbevolking. „Om een stabiele wereld te krijgen, vrij van oorlogsgevaren, moet het vraagstuk van de hongerenden in ieder land worden opgelost”.

Een onafhankelijk vertegenwoordiger van

de universiteiten besloot de reeks sprekers met de verklaring, namens de universitaire jeugd van Engeland: „Wij vragen niet om een vrede, die de stabilisatie van de status quo (bestaande machtsverhoudingen) zou zijn. Wij verlangen, dat de werkelijke oorzaken van de oorlogen worden weggenomen”.

Het antwoord van regeringszijde was niet bemoedigend. Natuurlijk kon de onderminister van Buitenlandse Zaken, Butler, weinig anders doen, dan op het verband tussen het politieke en economische wijzen en overigens verzekeren, dat het rapport-Van Zeeland, dat hij in de hand had, dank zij de voortdurende belangstelling, daaraan door de regering besteed, volkomen stofvrij was en zou blijven. Ook moest hij wel herinneren aan de mislukte Economische Wereldconferentie van 1935. Maar het Lagerhuis had recht op meer perspectief gehad, dan de verwijzing naar de verdragen met de Scandinavische staten, Italië en lerland, waartoe de heer Butler zich beperkte. Al kan men respect hebben voor de volgende geïmproviseerde definitie der internationale politiek van de regering-Chamberlain:

„De regering gebruikt haar ervaringen op economisch gebied en haar tradities op politiek gebied inzake politieke wijsheid en diplomatie, in de hoop en het geloof, dat het evenwicht tussen deze beide elementen haar uit de moeilijkheden zal doen geraken, welke te wachten zijn”.

Met andere woorden: alleen die internationale politiek kan uitkomst brengen, die zowel het economische als het politieke aspect der internationale moeilijkheden volledig tot zijn recht doet komen. Tegen deze algemene stelregel kan in onze tijd niemand bezwaar maken. Het hangt er maar vanaf, wat men er in de practijk mee doet. En doen kan! Want ook een Arbeidersregering in Enge-

land zou op dit ogenblik geen ijzer met handen kunnen breken. Er is zelfs het gevaar, dat zij, onder de indruk van de uitwerking, die het krachtige politieke optreden van de Britse regering te Berlijn enige weken geleden heeft gehad, al te haastig de dictatoren zou willen dwingen, tot de vrede in te gaan. En dat zou de spanning in Europa in zulk een mate kunnen opvoeren, dat de kleinste tactloosheid een ramp betekenen zou.

Anderzijds hebben de dictatuurlanden zelf reeds doen blijken, dat het ook voor de „economische pacificatie” kort dag Is. Want ook hierin, evengoed als in hun politieke „vredesarbeid” geven zij van een voortvarendheid blijk, die respectabel zou mogen heten, wanneer zij in haar methoden en uitwerking niet zo verderfelijk was. Men droomt, en daarbij blijft het niet!, op het ogenblik in Duitsland van een economisch blok in Midden- en Zuid-Europa, dat in hoge mate zelfgenoegzaam zou zijn en, onder Duits-Italiaanse leiding, een ~economisch machtsevenwicht” zou vormen met de grote democratieën van West-Europa. Wanneer men de namen leest van de staten, die in eerste instantie voor deze blokvorming zijn uitverkoren: namelijk Spanje met koloniën, Albanië, Hongarije, Zuidslavië, Bulgarije, Griekenland en Danzig alle in hoge mate door fascisme geïnfecteerd of beïnvloed verliest het plan veel van zijn onwezenlijkheid.

Het behoeft geen uitvoerig betoog, dat een dergelijke economische organisatie van Europa en Noord-Afrika, waarin ook de andere Midden- en Zuid-Europese staten, Turkije inbegrepen, goed- of kwaadschiks zouden worden opgenomen, ons werelddeel vrijwel geheel tot een economische wingewest voor het Duitse en Italiaanse imperialisme zou maken. En niemand make zich illusies, dat een evenwicht tussen twee enorme economische wereldmachten, zoals deze Duitsers voor de geest staat, een veilige grondslag voor de wereldvrede vormen zou. Eenmaal zouden deze gigantische Leviathans elkaar stellig te lijf gaan en het weinige aan waarlijke mensheidscultuur dat nog was overgebleven, voor eeuwig verwoesten. _

Maar wie dit uur der verschrikking wil voorkomen, zal moeten erkennen, dat de economische pacificatie van de wereld niet ccn thema in een Lagerhuis-debat is, maar een van de onmisbare pijlers van een duurzame vrede. B. W. SCHAPER.