is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 37, 11-06-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verandert er iets?

In het laatste nummer van „Kerkopbouw” staat van de hand van Dr. G. W. Oberman (orthodox Ned. Herv. pred. te Utrecht) een merkwaardig en verheugend artikel. Het draagt de in onze kring zo gewone, maar voor de orthodoxie ongewone titel; Kerk en Arbeidersbeweging. De schrijver gaat uit van het feit, dat dit jaar 1 Mei op Zondag viel en vraagt: Hoe hebben de predikanten op dit socialistische en nationaal-socialistische feest gereageerd? Hij onderscheidt vier groepen.

De eerste groep heeft het feest kortweg afgewezen. Zij herhaalde ook dit jaar; Socialisme (ook nationaal-socialisme) betekent godloochening. Dr. Oberman meent, dat deze groep niet groot (meer) is.

De tweede groep, nog kleiner in getal, heeft in het feest de practische toepassing van het Evangelie gezien en het-dus toegejuicht. De derde heeft gezwegen. Zij is niet voor en niet tegen, maar overtuigd, dat men in de kerk niet over vragen van staat en maatschappij behoort te spreken. Zij staat niet onverschillig tegenover deze vragen, maar zij ziet geen verbindingslijnen tussen het Evangelie en de huidige maatschappij.

Dan is er nog een vierde groep en het is duidelijk, dat Dr. Oberman daartoe wil behoren. Deze groep 'wil de eis van barmhartigheid en gerechtigheid doen horen, juist nu. De kerk kan en mag nooit zijn bolwerk van een bepaalde maatschappelijke orde. „En vooral niet van de huidige kapitalistische”. „Zij gelooft, dat de kerk zich niet bindt aan enige orde of vorm van maatschappij of staat, maar dwars door alles heen en als het moet tegen iedereen in, ook tegen elke regering in, die toevallig de macht in handen heeft, de gewetens moet wekken en voor ogen stellen Gods gebod ten aanzien van het leven van enkeling, maatschappij en staat.” Ik meen, dat dit een merkwaardig geluid is. Ten eerste wordt hier ronduit en door iemand met een zeker gezag verklaard, dat de tijd van het enkel maar afwijzen van het socialisme voorbij is. Ten tweede wordt hier niet de oplossing gezocht in het zich terugtrekken in een gebied buiten de wereld. Dr. Oberman pleit voor een eerlijke ontmoeting van kerk en arbeidersbeweging. Beide moeten zich buigen voor God, die de Schepper dezer wereld is, maar ook de verzoener en verlosser. Het arti-

kei eindigt aldus; „Kerkopbouw heeft een taak deze ontmoeting van kerk en arbeidersbeweging voor te bereiden.” D.w.z. de schr. erkent, dat de liefde niet van één kant kan komen. Terwijl het de laatste tijd wel eens leek, alsof men alleen in het socialistische kamp een nieuwe ontmoeting nastreefde, wordt hier openlijk verklaard; ook wij zoeken, want wij erkennen schuld.

Horen wij nu thuis bij die vierde groep? M.a.w. menen wij ook, dat de kerk de eisen van barmhartigheid en gerechtigheid moet laten horen, zonder zich overigens te binden aan een bepaalde maatschappelijke of staatkundige orde? Ik meen van wel. Ook bij ons is er iets veranderd. Uit reactie tegenover de eerste groep hebben wij ons wel eens te veel bij de tweede geschaard. Dit was begrijpeUjk, ook al, omdat -wij de arbeiders moesten zoeken. Wij moesten vaak meer solidair zijn dan wij eigenlijk mochten zijn. Wij zeiden daarom; „Christen en dus socialist”, terwijl wij niet meer hadden mogen zeggen dan; „Christen én socialist” of nog beter „christen en met het christendom in het socialisme”. Wij zeiden ook; „christen en dus democraat” en wisten toch eigenlijk wel, dat de democratie ook door de christelijke idee geoordeeld wordt, evenals trouwens de kerk, en alles wat van de mens en de aarde is. Wij moesten ook leren, dat de socialistische arbeider als hij al zoekt geen christelijk aangekleed socialisme nodig heeft, maar Christendom.

Natuurlijk, wat tientallen jaren naast elkaar geleefd heeft en vaak tegen elkaar heeft gestreden, dat zal niet ineens weer bij elkaar komen. Maar misschien is het mogelijk, dat in deze tijd de mensen in de verschillende kampen open en eerlijk tegenover elkaar komen te staan. Dan zullen de bewegingen langzaam, maar zeker moeten volgen. Wij zijn be-

nieuwd, hoe „Kerkopbouw” haar taak tracht te vervullen. En wij kunnen wel beloven, dat wij niet belangstellend toeschouwer zullen zijn, maar waar het kan actief zullen meewerken. J. KALMA.

„Gevaarlijk intellectualisme"

Onlangs reisde ik met een jong, begaafd intellectueel. Nationaal-socialist, principieelovertuigd. De coupé bevatte niemand behalve ons beiden, de reis was vervelend en heet, zodoende raakten wij in gesprek. Ik vertelde hem, dat ik socialist was en vroeg hem, hoe hij het klaar speelde om zijn intellect met zijn nationaal-socialistische overtuiging te verbinden.

Hij glimlachte en zei; Vreemd, dat die vraag je zó vaak gesteld wordt, terwijl de kwestie toch eigenlijk zo eenvoudig is. Kijk eens; Wie alleen maar de weg van het verstand volgt, is een half mens. Het verstand werkt relativerend, de objectiviteit, die trouwens niet bestaat, verweekt de beenderen. Wie het echte en het grote van het leven zelf wil zien, die legge zijn oor te luisteren aan de harteklop des levens zelf... Wij zijn de eersten, die met deze waarheid ernst maken, die overigens tegenwoordig door iedereen wordt beaamd! Wacht, ik zal je eens iets laten zien, een bewijs hoe ons antiintellectualisme veld wint.” En hij dook in z’n koffer en kwam terug met het nummer van Tijd en Taak van 14 Mei en las met enige stemverheffing voor;

„Zeer begaafde intellectueel! Gij zijt tóch een misdeelde, omdat gij het erbarmen niet kent, niet het wezen der rechtvaardigheid, niet vermoogt te luisteren naar de stem van het geweten... Alleen vanuit het hart gaan de uitgangen naar het waarachtige leven.”... „Wil je wel geloven”, zei hij, „dat het me machtig aangreep, ons grondprincipe zó helder uiteengezet te vinden, zelfs bij onze tegenstanders? Geen wonder, dat onze denkbeelden overal ingang vinden, ondanks grote intellectuelen-congressen voor de z.g. vrijheid der wetenschap!”

„Maar,” wierp ik tegen, ~dat stukje gaat dan toch maar tegen de nationaal-socialistische intellectuelen, waartoe jij ook behoort”.

~Ja,” gaf hij toe, „ik moet erkennen, in dit stukje zit inderdaad een betreurenswaardige inconsequentie. Want tóónde niet juist die zeer begaafde intellectueel zijn sociaal erbarmen in zijn bezorgdheid voor de openbare orde en voor het geluk van arme houthakkers en was het niet juist zijn rechtvaardigheidsbesef, dat hem er toe dreef de joodse uitzuigers van het volk te lijf te gaan? Hij wordt in dit stuk onbillijk beoordeeld. Want als hij werkelijk zo’n echte intellectueel geweest was, dan zou hij natuurlijk gemakkelijk met zijn schunnig intellect onze heldenstrijd tegen het Jodendom hebben kunnen ~weerleggen”, zoals dat in het intellectualistisch brabbeltaaltje heet.”

~Goed,” zei ik, ietwat geprikkeld, „maar hoe weet je, dat zijn rechtvaardigheidsbesef en niet dat van de schrijfster het ware is.”

„De waarheid is ook zo’n woord van een verouderd intellectualisme. Wij volgen de stem van ons hart, dat is de stem van hem, die daarin de meeste weerklank heeft gevonden, van onzen Führer. Wie naar de waarheid vraagt...”

En hij verrees dreigend uit zijn hoek, stroopte zijn hemdsmouwen op.

Met een schok minderde de trein vaart en verbrak mijn droom. Mijn medereiziger was al een station eerder uitgestapt.

A. ANNEMA,

De „Nationale Gemeenschap" der Nederlandse regering

Men zal zich herinneren, dat enkele weken geleden, na de beruchte circulaire, waarbij minister Goseling het asylrecht ophief, ook Jef Last als „ongewenste vreemdeling” hij zou n.l. door het treden in vreemde, i.c. Spaanse, staatsdienst zijn Nederlanderschap hebben verloren —■ aan de grens is tegengehouden, en, toen hij weigerde terug te keren naar België, geruime tijd in verzekerde bewaring is gehouden. Over deze zaak zijn den minister van Justitie vragen gesteld door het

Tweede-Kamer-lid mr. Van der Goes van Naters. Het daarop gevolgde antwoord is, als men het dóór denkt, wel ontstellend, ook al zijn wij op dit gebied van deze regering al het een en ander gewend. Minister Goseling deelt n.l. mede, dat Jef Last om de genoemde reden geacht moest worden het Nederlanderschap te hebben verloren en dat op de toelating en het verblijf hier te lande van dezen vreemdeling „in verband met zijn openlijke politieke activiteit van de laatste tijd geen prijs behoefde te worden gesteld”.

Ziedaar het nationaal besef der Nederlandse regering. Men kan veilig aannemen, dat Jef Last inderdaad volgens de wet het Nederlanderschap heeft verloren en formeel dus „vreemdeling” is. Welnu, voor de regering schijnt hier alleen het formeel-wettelijke Nederlanderschap van belang te zijn. Want cultureel is Jef Last immers zonder twijfel Nederlander; hij is geboren uit Nederlandse ouders en gevoed uit de Nederlandse cultuur, een aantal dichtbundels en romans, waarlijk in dit land niet de eerste de beste en bovendien dikwijls van een typisch Nederlands karakter, staan op zijn naam. Aan dit alles kan het feit, dat Jef Last twee jaar in het Spaanse regeringsleger heeft gediend, niets afdoen. Zo iemand is, naar onze rechtsovertuiging, stellig; Nederlander. Het argument, dat hij formeel „vreemdeling” is, is in dit verband dan ook al te duidelijk; gezocht.

Waarom? Wat heeft Jef Last op zijn geweten? Het blijkt uit het verdere betoog van den minister; Jef Last heeft kennelijk een politieke overtuiging, afwijkende van die der Nederlandse regering en hij heeft daarvan blijk gegeven ook. Daarom heeft de regering, gebruik makende van de omstandigheid, dat hij formeel het Nederlanderschap heeft verloren, hem aanvankelijk buiten het land willen houden en hem tenslotte slechts toegelaten na hem politiek monddood te hebben gemaakt. Op zijn aanwezigheid stelde de regering immers „geen prijs”.

Dat ieder, die tot de nationale gemeenschap behoort, er tenminste recht op heeft, in zijn eigen land te komen en er zich vrij te bewegen en, binnen de grenzen der wet, van zijn mening blijk te geven, is, voor deze regering, klaarblijkelijk een overwonnen standpunt. Dat recht geeft zij alleen aan wie hèiS,r politieke en sociale overtuiging delen. Alleen dezulken behoren voor haar tot de nationale gemeenschap. En als zij aan de grenzen iemand treft, die hè,è,r overtuiging niet deelt, zal zij niet schromen, om, als zij daar formeel toevallig de kans toe ziet, zo iemand buiten het land te houden. Het is een hóóg standpunt. Een „Christelijke” regering waardig.

Intussen ligt het geval duidelijk. En als b.v. H. Roland Holst, wier politieke actie indertijd zeker niet minder oppositioneel is geweest dan die van Jef Last nu, toen toevallig ook het Nederlanderschap wettelijk zou hebben verloren, zou zij door deze regering op dezelfde grond als „ongewenste vreemdeling”, waarop de regering „geen prijs” stelt, buiten het land zijn gehouden.

Waarlijk, het is een verheven opvatting van nationale gemeenschap, vooral voor deze regering en voor dezen minister-president, die van de nationale gemeenschap zo graag en zo aandoénlijk gebruik plegen te maken, als het er om gaat de aanpassingspolitiek te verdedigen of de dienstplicht te verlengen. Als zij daarbij dan maar bedenkt, dat niet wij het zijn, dat het niet de „vaderlandsloze” socialisten zijn, maar zij het op zo’n moment zélf is, die het woord ~nationale gemeenschap” in haar mond maakt tot een holle fraze en tot een masker, waarachter niets anders schuil gaat dan het platte eigenbelang der reactie en de angst voor ieder die è,nders denkt. De J.

Aanvulling boekbespreking over „Van Dieren, Planten en Mensen” door Carl Ewald.

De uitgever, van Loghum Slaterus te Arnhem, bericht ons, dat de prijs van bovengenoemd boek ƒ 2.90, gebonden Is. De wijze van uitgeven In aanmerking genomen, Is dit werkelijk een koopje.

H. B.—S.