is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 38, 18-06-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Pinksterconferentie der V.CJ.C

D e Vrijzinnig-Christelijke jongeren hebben een indruwekkende vreedzame wapenschouw gehouden in Ermelo. In ruim 200 tenten heeft de V.C.J.C. bijna een kwart van zijn aangesloten jongeren samengebracht voor een gezamenlijk Pinksterfeest: Uit Friesland en uit Zeeland, uit de kop van Noord-Holland en uit Limburg waren zij samen gestroomd en het was een eindeloze bonte stoet, die zich daar aan het kleine stationnetje Ermelo—Veldwijk opstelde, toen de drie extra treinen, daar ongeveer tegelijkertijd aankwamen. Achter hun vlaggen schaarden zich de 1100 V.C.J.8.-ers, de 650 plattelanders, de 450 jeugdgemeenschappers en de 150 studenten en oud-studenten; het eigen blaasorkest uit Tzmnmarum voorop en voort ging het tot het mooie kampterrein, dat voor deze Pinksterconferentie van de A.M.V,J. was verkregen. Ver over de heide waren de verschillende kampementen verdeeld, zodat de verschillende groepen van elkaar geen last hadden.

Veel herinnerde naar de vorm aan de grote Pinksterconferentie van 1933 in Soesterberg, waar het experiment van een gezamenlijke conferentie van deze vier zo uiteenlopende groepen had plaats gehad: de opening met vlaggen wij ding; de liturgische dienst het spel, de lezing in de- afzonderlijke kampementen en de gezamenlijke sluiting. Maar ook in de vorm reeds was er verschil: de bonte Zondagmiddag had een vlotter, sportiever karakter gekregen. Was er in 1933 nog hoofdzakelijk volksdans en de specialiteit der V.C.J.C. het lekenspel op het program, nu was het lekenspel naast het zeer ernstige grote spel van de avond luchtiger en de volksdans tot de folkloristische beperkt; daarnaast was het Friese kaatsspel, de gymnastiek, het handbal, gekomen.

Innerlijk waren de veranderingen nog belangrijker: uit de openingslezing van J. de Graaf sprak duidelijk, dat de moeilijke jaren sedert 1933 de jeugdbeweging niet onaangeroerd hadden gelaten; de „jeugdbeweglngsgevoelens” zij nog meer dan vroeger verdwenen; geheel is nu de band met oudere gelijkgezinden gevonden: met de sociaal-bewuste, niet al te rationalistische, maar ook niet al te kerkelijke middengroep van het Vrijzinnig-Protestantisme, Principiëel en practisch steunt deze jeugd de kerken, maar zij zal er in hun hedendaagse burgerlijkheid en verdeeldheid niet alle heil in zien.

Er staan voor het Christendom belangrijker dingen op het spel dan het bezetten van kerkelijke posities. Dat beseft deze jeugd heel goed; maar zij verliest ook niet uit het oog dat voor het grote doel ook het kleine werk nodig is. Dat b.v. de offervaardigheid niet gering is bewijst wel, dat het tekort op het spel van een duizend gulden door een collecte bijna gedekt kon worden: een gemiddelde van een dertig cent is toch wel iets bij een collecte onder een toch waarlijk niet kapitaalkrachtige groep!

Dan was er het prachtige, indrukwekkende spel „Jeremias” van Zwelg onder een heldere sterrenhemel met overgave gespeeld. Telkens weer staat men verbaasd, wat de regisseur Van der Vier uit de ongeschoolde groepen spelers weet te halen; en de moeilijke Jeremlasrol werd door een uit deze jongeren voortgekomen beroepsacteur met een werkelijk groot talent uitgebeeld. En wat is dit ruim twintig jaar

oude spel nog volkomen van toepassing op onze tijd, helaas: de verdwazing van de oorlogsroes, de hooghartige trots van staatslieden en andere machtigen, die het bestaan van hun volk op het spel zetten omdat zij niet de eerste willen zijn in het toegeven, de verwildering en de hongersnood bij het beleg. En hoe eeuwig waardevol de oplossing, dat de boetprediker en onheilsprofeet tot de vriend van zijn volk kan worden als het zich verdeemoedigd voor God en in de nood weer tot hem terugkeert. En dat dan het uitzicht op het eeuwige Jeruzalem ook de zwaarste ballingschap In blijdschap te dragen maakt. Dit ademloos meebeleefde spel was zeker ook een teken van innerlijke verdieping van de V.C. jeugdbeweging.

En naar de maatschappelijke kant? Het heeft de laatste jaren wel eens geleken of deze jongeren terugschrokken voor de ernst der vraagstukken. Zeker, zij bleven goede democraten; maar juist de sociale noden, die de democratie bedreigen, als zij niet in staat is ze op te lossen en de ingewikkelde economische en sociaal-paedagogische vragen, die dit met zich brengt, leken zij wel eens te ontvluchten, Natuurlijk op kleine kernen na, die actief bleven door studie of werklozenwerk. Maar nu was daar een fris geluid van een der eerste leden der V.C.5.8,, professor Schermerhorn, die zeer concreet en zeer nadrukkelijk de sociale vragen aanwees, waar tegenover de jonge Vrijzinnig-protestanten een taak hebben, een taak van strijd tegen ongerechtigheid en een strijd van taak van bemiddeling tussen belangentegenstellingen, die reëel zijn, maar terwille van onze volksgemeenschap niet absoluut gesteld mogen worden: de arbeiders, de boeren, de werklozen, de middenstanders. Aan deze rede was geen ontwijken in de theorie mogelijk, zij drong tot concreet ingaan op de werkelijke nood en de werkelijke tegensteliingen.

De komende jaren zullen bewijzen, of de leiding hier de juiste snaar heeft geraakt om de nodige kracht te wekken tot een hernieuwde taak in de wereld, of dat zij boven de mogelijkheden van deze jongeren heeft uitgereikt. Wij vertrouwen, dat het eerste het geval is.

W. VERKADE,

Boekbespreking m lllllllllllllllllltlj M lilllllllllllUlUlil M

Jan en Annie Romein, Erflaters van onze beschaving, Nederlandse gestalten uit zes eeuwen, I 14e—16e eeuw, geïllustreerd, Uitg. Querido, Amsterdam 1938,

De heer en mevrouw Romein hebben de goede gedachte gehad, hun „Lage Landen” (1934), die, al was ’t alleen maar wegens plaatsgebrek, alle persoonsbeschrijving moesten derven, a,h,w. in evenwicht te brengen en aan te vullen door een nieuwe publicatie. Een viertal delen „Erflaters” zullen niet minder dan 38 biografieën van bekende Nederlanders bergen, welke tegelijkertijd „in hun algemeenheid typisch Nederlands” zijn, als „door hun eigenheid zozeer boven het gemiddeld-Nederlandse uitsteken, dat hun leven en werk beschouwd mogen worden als een bijdrage van de Nederlandse tot de Europese beschaving.”

Een hoog en mooi doel, dat de Romeinen dacht ons, blijkens de inhoud van hun eerste deel, ook alle waarborgen bieden te zullen bereiken. Philippus a Leydis, Geert Groote, Hiëronymus Bosch, Erasmus, Oranje, Mamix, Oldenbarnevelt, Stevin, – dat zijn de essays, die dit deel vullen en wij kimnen niet anders dan ze alle geslaagd noemen, terwijl wij sommige ervan Groote en Mamix zelfs hooglijk moeten bewonderen. Haastigheid en veelschrijverij? Wij zelve hebben soortgelijke be-

denkingen wel eens tegen R.’s werk geuit, maar wij zijn ertoe gekomen, hem met andere maatstaven dan gewone historici te meten*). J. en A. R. zijn nu eenmaal behalve historici, ook letterkundigen en door deze zeldzame combinatie hebben zij zich een —• overigens ook niet ongevaarlijke positie verworven, niet ongelijk aan die van den in een ander kamp eveneens zwaar bewonderden prof. Huizinga. Laten de vakgenoten dus hun zwaar gedocumenteerde studies publiceren, aan het gelukkige echtpaar blijve „jure suo” de benijdbare positie ingeruimd om vanuit zijn weloverwogen en actuële wereldbeschouwing het Nederlandse publiek te zeggen, dat het over dipgen der historie op een bepaald ogenblik te zeggen heeft.

In hoeverre echter die Romeinse wereldbeschouwing nog steeds het XIXe-eeuwse, Marxistische historisch-materiahsme mag heten? Voor de auteurs is dat natuurlijk geen vraag. Zij zien de geschiedenis „als een reeks betrekkingen tussen mensengroepen onderling, die hun laatste basis vinden in de wijze, waarop zij zich hun levensonderhoud verschaffen”, maar tevens zien zij de psychologie „als de leer van de wijze, waarop de enkelingtevens-groepslid die betrekkingen bindt en ont> bindt en er zich zelf mee bouwt”. Verdraagt echter het ouderwetse Marxisme die verbinding met de moderne psychologie? De vraag of de Romeinen nog historisch-materialisten mogen heten, blijve natuurlijk allereerst aan hun zelf ter beantwoording overgelaten. Zien wij echter goed, dan ontwikkelt hup oeuvre zich in de richting van grotere veelzijdigheid, of beter: in de richting van die „redelijke evenwichtigheid”, die volgens hen ook het „typisch Nederlandse” was m de door hen beschreven „erflaters”, Is dat ook de reden waarom aan geen enkele Wederdoper een plaats in dit deel is ingeruimd, ofschoon derzelver eschatologische verwachtingen hen mede tot „erflaters” stempelen van de bewoners van menige „jardin secret” op het veld der Nederlandse beschaving en ofschoon één hunner Jan van Geelen in 1934 pog een van de weinige persoonlijkheden was, – die in de „Lage landen” een nadere typering was waardig gekeurd?

J. S. BARTSTRA.

♦) Slechts één „vak-opmerking” kunnen wij hier niet onderdrukken. Tegenover Oldenbarnevelt is R. onbillijk en het tragische in diens positie, pl.m. 1617, voelt hij niet aa.n. Voor de beoordeling daarvan is het gewenst, niet de dupe te worden van Calvinistische aanmatiging, die van „het volk” spreekt als van niets anders gesproken kan worden dan van „het gereformeerde volk”. O. verdedigt niet alleen „het gezag” tegenover de dienstweigering van een legercommandant, maar ook „de vrijheid” tegenover wat wij voor het gemak een soort „fascistische aanmatiging” zouden willen noemen. Geyl heeft in verschillende van zijn werken aangetoond, hoe noodlottig voor het Nederlandse-volkin-vollediger-zin O.’s nederlaag geweest is in een strijd, die de oude raadpensionaris heeft aangebonden —■ zie ik wel niet zozeer uit oude-mannenheerszucht of intellectualistische hoogmoed, maar uit verbeten plichtsgevoel; „beter verkeerd dan verknecht” !

Dr. E. F. E. Douwes Dekker. God’s Geboorte. Een verhandeling over de stellingen van den Indischen wijsgeer. Petrus S. L. Ward Kalengkcngan over de oorsprong van alle religie. Antwerpen. „Het lichtschip”, 1938,

Dr. E. P. E. Douwes Dekker, blijkens toegevoegd prospectus een heer met een glimlach en een wit vest, heeft zijn leven niet nutteloos voorbij laten gaan. Hij heeft met de Boeren gevochten tegen de Engelsen, heeft twee maal in N.O. Indië conflict gehad met het Gouvernement, en een jaar met den wijsgeer Ward samengewerkt, die naar de oorsprong van alle religie zocht. Na diens dood in 1922 meende hij, dat de vondsten van Ward, veilig opgeborgen ergens aan de Leidse Universiteit, niet verborgen mochten blijven, en heeft ze op populaire wijze onthuld. In 64 bladzijden. Enfin, die oorsprong van alle religie komt hierop neer, dat de primitieve mens zich verbaasd heeft over het raadsel van de nageboorte, dat hij vervolgens die nageboorte, deftig gezegd, placenta, vergeestelijkt heeft, en tot de Geest gemaakt heeft. Over die placenta wordt heel veel verteld. Ik doe dat verder niet, en raad niemand aan, van wat er gezegd wordt, kennis te nemen. Het meeste begrijpt men toch niet, en wat men wél begrijpt, is tamelijk onfris, Den schrijver alleen dit advies: hak uw Wardiaanse knoop door en eet meer Freud,

L, H, R.