is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 40, 02-07-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Tijdsproblemen II (slot]

Op de zo juist gesloten Internationale Arbeidsconferentie te Genève heeft een groot deel der discussies betrekking gehad op de algemene wereldsituatie, voor zover deze van invloed is op de vooruitzichten der arbeidersklasse. Behalve op de economische omstandigheden waarover wij in een vong artikel schreven wees de Directeur in zijn algemeen rapport ook op de ongunstige invloed der oorlogsvoorbereiding.

De bewapening

Men zou kunnen zeggen, dat de oorlogsindustrie tenminste werkgelegenheid schept. Dat is waar, maar de ervaring van de laatste jaren leert twee dingen, die daartegenover staan. Ten eerste heeft de druk der oorlogsvoorbereiding, vooral in de dictatuurstaten, geleid tot verlenging van de arbeidstijd en opdrijving van het tempo, ten koste van de gezondheid en de veüigheid der arbeiders. Ten tweede kan een bewapening als de wereld momenteel vertoont, alleen maar plaatsvinden, doordat het levenspeil van het gehele volk en van de arbeidersklasse in het bijzonder gevoelig wordt verlaagd.

Overal worden voor de bewapening de belastingen verhoogd. De stijging in de kosten van levensonderhoud betekent een alzijdig offer van degenen, die op een vast inkomen zijn aangewezen. De schaarste of het ontbreken van sommige verbruiksgoederen heeft dezelfde strekking: verlaging van het levenspeil terwüle van de oorlogstoerusting.

Hoe zal het hiermee verder gaan? vraagt Butler zich af in zijn rapport. De gevolgen van de wereldramp, die het uitbreken van een algemene oorlog zou zijn, kan ook hij niet voorspellen. Maar komt als door een wonder, zouden wij zeggen die ramp niet, dan moet toch eenmaal het tempo der bewapening weer vertragen. Daardoor, zo redeneert Butler, komt er dan weer ruimte voor de versteviging van de sociale positie der arbeiders.

Menigeen zal hierbij denken aan de wrakke organisatie van ons economisch leven, dat misschien in deze tijd slechts door dergelijke opwekkende vergiften als de bewapening voor een volledige ineenstorting wordt behoed. Hoe zal het zijn als deze prikkel niet meer wordt toegediend?

Van het standpunt van Butler kan men zeggen: dan zal eerst blijken, dat b.v. de verkorting van de werktijd niet alleen een sociale verovering van de arbeiders is, maar ook een middei om bij de huidige stand der techmek het economisch leven goed te laten functionneren. Zij is geen luxe voor de volkswelvaart, maar een organisatorische voorwaarde geworden.

De veertig-urenweek

Zo past het volkomen in het kader van de tijd, dat het belangrijkste punt van de agenda voor de Internationale Arbeidsconferentie van dit jaar de verdere verkorting van de werktijd was. Er waren nog een aantal andere punten: voorzieningen ten behoeve van landverhuizende arbeiders, regeling van de werktijden der chauffeurs op lange trajecten, verzameling van statistieken omtrent bedrijfstakken, betekenis van technisch onderwijs, vakopleiding en leerlingwezen en niet te vergeten —■ regeling van de arbeidscontracten van inheemse arbeiders bij ondernemingen in de tropen. Al deze punten hebben een eigen geschiedenis en geen van hen is in de zojuist afgelopen zitting van het Bureau beslissend afgedaan.

Ook de besprekingen over de arbeidsduur droegen, voor de zoveelste maal, geen definitief karakter. Toch is het punt belangrijk genoeg om er ook hier iets over te zeggen.

Op de eerste Internationale Arbeidsconfe-

rentie van Washington kwam een overeenkomst tot stand ter beperking van de arbeidsduur in de industrie en de mijnbouw tot acht uur per dag. Dit was sinds 1889 een eis van de Tweede Internationale geweest, en gelijk vanzelf spreekt steeds als waanzinnig uitgekreten. In 1919 echter hadden de arbeiders de 8-urendag reeds in verschillende landen bereikt. Het ging er toen om, deze verovering algemeen te maken. Daartoe zouden zoveel mogelijk landen er toe moeten worden gebracht de Conventie van Washington te bekrachtigen. De strijd hiervoor is een lange lijdensweg geweest. De Engeisen bleven afzijdig, de Duitsers vonden een bekrachtiging in bekrompen trots op hun nationale prestaties, niet nodig.

Maar reeds in 1930 werd deze strijd achterhaaid door de beginnende beweging voor een werkweek van 40 uur. Het I.V.V. stelde de eis daartoe in zijn congres van dat jaar te Stockholm. Zelfs Albert Thomas stond tegenover deze gedachte aanvankelijk enigszins huiverig. Maar hij kon niet vermoeden, dat de voortgaande economische crisis de noodzaak van een verdere verkorting der werktijden zo spoedig algemeen zou maken.

Want dit is het eigenaardige: terwijl de achturendag een eis was van sociale wetgeving, van arbeidersbescherming in de eerste plaats, werd de 40-urige werkweek onmiddellijk gevoeid als een middel ter bestrijding van de werkioosheid. Niet, dat de werkgevers en de regeringsvertegenwoordigers te Genève dit middel ook reeds direct aanvaardden integendeel. De poging om in 1935 een algemene conventie te sluiten naar het voorbeeld van die van Washington mislukte. Dit jaar heeft men daarom de invoering in speciale bedrijfstakken aan de orde gesteld. Dat wil zeggen: men heeft de vraag aan de orde gesteld of men bepaalde punten het volgend jaar aan de orde zal stellen. Zo werken nu eenmaal lichamen, waarin zoveel uiteenlopende belangen zijn vertegenwoordigd.

Genoemde vraag nu is de vorige week bevestigend beantwoord. De werkgevers waren vrijwei eenstemmig tegen, zij wilden er zelfs niet eens over spreken. De werknemers en de regeringsvertegenwoordigers echter stemden in grote meerderheid vóór. Ook de vertegenwoordigers der Nederlandse regering, prof. Aalberse en mr. Joekes, behoorden tot de voorstanders van een bespreking over de verdere verkorting der arbeidstijden.

In 1939 zal dus in de eerste plaats getracht

worden een conventie (overeenkomst) in deze geest tot stand te brengen betreffende de werktijden in de steenkolenmijnen. In de tweede plaats zullen gedurende het komende jaar een of meer specialistenconferenties worden gehouden over de verkorting van de werktijden in het transportbedrijf. De specialisten, die hieraan deelnemen, zullen worden aangewezen door de werkgevers, de werknemers en de regeringen.

Op die manier kan de arbeidsconferentie van 1939 beter de mogelijkheden, die op dit gebied bestaan, overzien en daardoor wellicht dichter bij een definitief besluit komen. De arbeidersgroep heeft tenslotte het succes behaald, dat ook een algemene regeling, zoals in 1935 werd beoogd, toch in 1939 op de agenda zal voorkomen.

Een economisch vraagstuk

Bij al deze besprekingen bleek duidelijk hoe sterk men zich ervan bewust was, dat de veertig-urenweek niet meer op één lijn is te stellen met de andere maatregelen, die tot bescherming van de positie der arbeiders zijn genomen. Hier is niet meer de gezondheid of de welvaart der arbeiders aan de orde, maar de goede functionnering van het economische leven zelf.

De ontwikkeling van de techniek en van de fundamentele economische verhoudingen heeft het bedrijfsleven voor problemen gesteld, die het tot nu toe nog niet heeft weten op te lossen. Een massale werkloosheid is hiervan het uiterlijk teken. Deze werkloosheid tracht men nu o.a. te bestrijden door uitbreiden van de bestaande „werkgeiegenheid” over een groter aantal arbeiders. Daardoor wordt het steeds meer als een uitermate dringende vraag gevoeid, hoe men de technische vooruitgang en de toeneming van het productievermogen tot uitdrukking zal doen komen in de werktijden. Verkorting van de werktijd betekent inderdaad verbreiding van de werkgelegenheid over meer personen. Daartegenover staat, dat dit op zichzeif een verhoging is van de loonkosten, zodat er een prikkel uit ontstaat tot arbeidsbesparing. Voor- en nadelen tegen elkaar afwegende, komen de meeste socialisten tot de conclusie, dat de ontwikkeling noodzakelijk in de richting moet gaan van de 40-urenweek. Intussen is een van de interessantste kanten van de zaak, dat men, al sprekende over „sociale” kwesties, onvermijdelijk op economisch terrein komt. ledere strijd voor de positie der arbeiders loopt in deze periode altijd uit op een strijd voor het fundamentele evenwicht, voor de opbouw van een goed geordend bedrijfsleven. Dit is het probleem van de tijd, dat ook in Genève niet op de achtergrond kon blijven. P- KUIN.

....full speed!

In de wapenfabrieken draaien de machines.