is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 40, 02-07-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een bundeltje vrijheidszangen van 1902

Als men „de eeuwige kern der socialistische idee in ai haar ontwikkelingsstadiën”, waarvan Hendrik de Man spreekt in De socialistische Idee (p. 236), nader wil leren kennen, dan kan men zich o.a. wenden tot de oudere socialistische volkspoëzie. En men zal er inderdaad bevestigd vinden, wat De Man even verder schrijft, dat alle socialisme berust op humanistische vooronderstellingen. Aan dit humanisme heeft de godsdienst deel; „Sinds het Christendom het oorspronkelijk tot een deel der mensheid beperkte humaniteitsbegrip der oudheid over de ganse mensheid heeft uitgebreid, dekt zich de voorstelling van een rechtvaardige maatschappij-orde meer en meer enerzijds met de voorstelling van een maatschappij van gelijkgerechtigden, dus zonder kiassenhiërarchie, anderzijds met de voorstelling van een universele rechtsnorm, die boven de Staat staat”.

In de volkspoëzie bovenbedoeld, zijn de godsdienstig-humanistische elementen van gelijkheid en gerechtigheid zo sterk vertegenwoordigd, dat ze, zelfs zonder dat het woord „socialisme” er in genoemd wordt, terstond herkenbaar is als socialistische volkskunst. Lezen we De Man dan nog even verder, waar hij als erfenis van het burgerlijk cultuurtijdvak de idee noemt van het vrije persoonlijke zelfbestemmingsrecht, dan hebben we een derde belangrijk element gevonden der gevoelswereld, weerspiegeld in de eerste, ook in de Nederlandse, socialistische verzen.

Deze elementen treden in de jonge beweging met zoveel kracht en op zoveel momenten naar voren, dat het geheel doordrongen is van een eschatologische stemming, uiting geeft dus aan het gevoel, dat een radicale oplossing van alle tweespalt aanstaande is, dat straks of morgen de heilstaat komen zal. Mij dunkt, dat ook hier het verleden zijn woord meespreekt, en dat oud-christelijke heilsverwachtingen, voortgedragen door schrift en kerk, vooral in ketters en secten, hier opnieuw levend worden.

Natuurlijk behoeven aan de dichters der jong-socialistische periode de bronnen niet bekend te zijn geweest der gevoelens van gelijkheid, gerechtigheid en vrijheid, noch de oorsprong hunner stellige verwachtingen; zelf moeten ze van deze verwachtingen en gevoelens doordrongen zijn geweest, en in staat ze in vormen te gieten die het volk als schoonheid wilde aanvaarden. Het is zelfs mogelijk, dat ze van het Christendom bewust slechts één kant hebben leren kennen, de vijandigheid jegens hun idealisme, zodat anderzijds hun poëzie anti-godsi3ienstig is geworden.

Voor ons land is dit helaas een feit geweest en wel van zo in ’t oog vallende duidelijkheid, dat we als laatste van de voornaamste elementen der eerste socialistische volkspoëzie hier te lande de haatgevoelens jegens, niet nog zozeer de godsdienst, maar wèl kerk en priester zouden willen noemen.

Als ander negatief bestanddeel van betekenis komt dan nog de afkeer van vorst, leger en vaderland, ook hoogstwaarschijnlijk als reactie op de behandeling, van deze machten ondervonden.

Zoals gezegd is, de hier genoemde elementen der geestelijke wereld van het aanvankelijk socialisme een eschatologische stemming, vervuld van de idealen der gelijkheid, gerechtigheid en vrijheid, alsmede een afkeer van kerk en priester, van vorst en vaderland zijn zo nauw verbonden met de inhouden van vroegere culturen, dat ze, om tot de massa te worden gebracht, nieuwe namen kunnen ontberen. Het bundeltje, dat mij de voornaamste aanleiding was tot dit artikel, heet eenvoudig Voor hoofd en Hart, wat ook de titei zou kunnen zijn (en, naar ik meen, ook geweest is) van een reeks schoolleesboekjes. Een subtitel, ook nog tamelijk conventioneel, wijst ons de weg: een hundel vrijheidszangen. De dichter is T. Boot van Koog-aan-de-Zaan; zijn werk werd in 1902 uitgegeven te Haarlem door de boekhandel J. J. Groot. Het bundeltje bevat 32 „zangen”, zoals de auteur ze noemt, hoewel maar een heel enkele gezongen kan worden; tien er van zijn vertalingen, negen uit het Duits en één uit het Engels; ze vormen samen een goed geheel, maar de Duitse getuigen het sterkst van strijd. Toch komt b.v. het woord

„socialisme” in geen der verzen voor; „proletariaat” slechts éénmaal, in een gedicht op de eerste Mei, „proletariër” vond ik tweemaal, „organisatie” nergens. We zijn hier dus in een gans andere sfeer dan die, waaruit b.v. Herman Gorter dichtte; wil men kiezen uit de qualificaties van Garmt Stuiveling in diens 'Wegen der Poëzie (p. 63/64), dan vindt men hoogstens de beide eerste trappen: arbeidersen proletarische poëzie, „die van vreugde en leed om alle mogelijke dingen van het arbeidersbestaan, en: die van smart en verzet om de vele aan den lijve gevoelde sociale misstanden”: hoe lastig hier het maken van zangordenende scheidingen is, blijkt wel daaruit, dat de toekomstverwachtingen onwrikbaar zijn; ik breng deze daarom liever met oud Christendom dan met modern Marxisme in verband.

Straks noemde ik Boots „vrijheidszangen” hoogstens arbeiders- en proletarische poëzie; een groot deel is algemeen-menselijk, zoals ook veel is gezongen uit de sfeer der ..burgerlijke” romantiek, b.v. Eén der liederen schildert, hoeveel wel de mens met gevoel te lijden heeft, en vraagt, of men niet beter een „koude boezem” kan hebben, maar, zo luidt de conclusie :

„Neen, neen, dan liever maar geleden. Dan liever met de voet getreden. Gedragen angst en zielepijn.

Dan liever nog maar alle dagen . Gesmaad, gemarteld en geslagen. Dan tracht men althans mens te zijn.”

Een ander lied St. Nicolaas-Avond herdenkt het arme kind als De Genestet het deed; de van honger en kou gestorven weduwe en moeder uit diens Arme vissers vindt men hier terug in een melodrama De eerste deur, maar ditmaal in een cel:

„Eens zal de bourgeoisie Op haren troon verbleken.

Als er geen weduwvrouw Zo smartvol sterven zal.”

Dit slot brengt ons in de opstandigheid van het eerste socialisme, en hier, bij wijze van uitzondering, tegen de Marxistisch aangeduide macht, de bourgeoisie: gewoonlijk richt ze zich tegen algemener en onbepaalder vijanden als tyrannen, duisterlingen, rijken, heersers.

Hiervan worden meer bepaald aangewezen vorsten, rechters, advocaten, ja politiedienaren, dus de vertegenwoordigers van het staatsgezag, dat in het oog van de verdrukte zo dikwijls de gerechtigheid schendt. De agent wordt aldus gehoond:

„Hoewel als werkmanszoon geboren. Kon d’arbeid hem maar niet bekoren.

Veel liever zwerft hij vroeg en laat

Al lanterfantend langs de straat. Dan loert hij steeds in alle hoeken Om ’t schuim der mensheid op te zoeken.

Maar ’t vuilste schuim der maatschappij Drijft per abuis zijn neus voorbij.”

Een advocaat verdedigt Jan contra Piet, maar in hoger beroep met evenveel vuur Piet contra Jan. Een rechter wordt ironisch beschreven als de man, „die armen en rijken scheert over één kam”: het onrecht, door hem bedreven, wordt soms met de vinger aangewezen:

„Onschuldig sluit men wel drie broeders in cellen” de drie gebroeders Hogerhuis of de „martelaren van Chicago”.

„Ais eens de mensheid na volhardend worst’len. Ontwaart wat „mens zijn” is, en „menslijk [hand’len”.

Dan zullen zij als wij in deze dagen Met afschuw zich van gindse moordenaars [wenden.

En het verstaan, waarom in onze harten De liefde stierf en haat daarin ontvlamde.”

Is in deze verzen het aloude lied van de mensheid nauwelijks gestemd op de toon van de tijd die van het industriële kapitalisme dit

verandert in Ik ben een zoon van de fabriek en Vervloekte fabriek:

Ik ben een zoon van de fabriek; Geheel mijn levensgang

Gaat heen bij bezem, schop en riek, ‘) Bij jachtwiel, riem en stang.

Gelukkig heeft deze fabriekszoon een geest, die ten strijde wil gaan voor waarheid en voor recht, en die hij moet volgen:

O, voer mij mee, nog menig keer. Op uw onzichtb’re wiek.

Hoog in de ruime vrije sfeer. Ver weg van de fabriek.

Maar ook de slachtoffers van het agrarisch kapitalisme bewegen des dichters hart:

Nijver landvolk, diep gehoond, Zwaar beledigd door tyrannen. Arme slaven, slecht beloond.

Toont u moedig, toont u mannen! Werpt uw knellend juk terneer! Weest geen slaven, kruipt niet meer!

Zoals ik in den beginne schreef, in de strijd voor gerechtigheid en vrijheid is de overwinning zeker; hiervan getuigen soms indrukwekkende refreinen:

Hoog de banier geheven!

Een laatste strijd om ’t leven!

Vooruit ten strijd! De Vrijheid voert ons aan! De aard’ behoort den arbeidsman voortaan!

Of, in de toonaard van het geloof, maar zonder God:

Houdt moedig stand, leert tegen ’t noodlot [strijden. Bewaart de blijde hoop in uw gemoed;

Laat u door Liefd’ en Zelfsvertrouwen leiden, Dan bloeit gij weer, met nieuwe, frisse gloed. O, weent toch niet; eens komt een schoner [leven.

Na smart en leed komt vreugd’ en voorspoed [weer;

Dan worde u een zoete rust gegeven. En stille vrede daalt dan op u neer.

Bij dit a-religieuze moet ik blijven, mijn artikel is al lang genoeg. Het is in dit bundeltje ruim vertegenwoordigd, in verzen op Kerstfeest en Opstanding en De Heilige Geest der wetenschap; de opium-godsdienst moge de lezer zelf leren kennen uit het in dit nummer opgenomen Priester-moraal, het litterair beste gedichtje uit de bundel, ook aantrekkelijk omdat zelfs deze Priester het goed meent, in het oog van den dichtenden socialist-vrijdenker.

K. GEERTSMA.

') Rakelljzer om het vuur door te halen.

BOEKBESPREKING

Een bekroonde bundel herdrukt

Jan Engelman: Tuin van Eros. Querido, Amsterdam.

In een goedkope maar welverzorgde uitgave heeft Querido de bundel verzen herdrukt, die enkele jaren terug bekroond werd door de Maatschappij voor Letterkunde. De eerste druk was een bibliofiele uitgave: de tweede, door Querido verzorgd, bevatte tevens een ruime keur uit Engehnan’s eerdere werk. Deze derde druk heeft weer de omvang van de eerste. Het plaatsen van verschillende gedichten op één bladzijde, heeft nooit mijn instemming; ik hoop, dat de uitgeversfirma, die ons steeds bewondering afdwingt voor de typografische verzorging, daarmee niet door zal gaan.

Wie de moderne Nederlandse verskunst wil leren kennen, moet een groot deel van zijn aandacht richten op Engelman. In volstrekte tegenstelling tot de dichters in „praattoon” is hij tjqjisch de dichter in „zangtoon”; zijn verzen zijn melodieus vóór alles, maar verwaarlozen de andere factoren niet, die voor een goede poëzie noodzakelijk zijn.

G. S.