is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 40, 02-07-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het belangrijkste nieuws

BINNENLAND.

O tijd, die komt...

„Indien dan (n.l. wanneer er weer een tijd komt met kansen voor een economisch herstel) een deel van de arbeiders, voorgelicht door lieden als de heer Brugmans en zijn marxistische medewerkers, onwillig is en blijft vasthouden aan allerlei socialistische eisen, zal ons volk voor grote moeilijkheden komen te staan in een tijd, waarin andere volken arbeiden aan herstel van welvaart.”

(Nw. Rott. Crt. over Arbeidersontwikkeling)

Indien dan (n.l. wanneer er weer een tijd komt met kansen voor een economisch herstel) de liberalen, voorgelicht door lieden als de heer Rotterdammer en zijn klassieke medewerkers, gewillig zijn en allerlei liberale eisen laten vallen, zal ons volk voor grote mogelijkheden komen te staan in een tijd, waarin samenwerking en ordening kunnen leiden tot herstel van welvaart.

VADERLAND.

Het lied van Schijn en Wezen.

„Het is dwaasheid niet te willen zien, dat onze oude, beproefde, onverbeterlijke staatsinstelling niet door gevaren is omringd. De burgerwacht staat daartegen paraat, maar zij bestaat daarom niet uit vechtersbazen. Met de woorden: Oranje in het hoofd. Oranje in het hart, op de knieën voor den levenden God, besloot pater J. Borromaeus de Greeve zijn rede.”

(Verslag Nationale Burgerwachtsdag.)

De burgerwacht bestaat niet uit vechtersbazen, maar zij speelt ganzenbord, ping-pong, sjoelbak én bloemenkwartet, heeft haar patroontassen gevuld met tum-tum, pepernoten en opzettertjes, terwijl zij luistert, met de borst vol decoraties, naar oraties met zeer zinvolle peroraties.

WATERLAND.

„Kogels genoeg, maar geen goud.

Karimata maalt rustig door.

Grote bedrijvigheid.”

(Koppen Ie pag. De Telegraaf.)

De grote pers begint eindelijk oog te krijgen voor het huidige vreemde wereldbeeld: kogels genoeg, maar geen goud, grote bedrijvigheid in de oorlogsindustrie. Maar wie is toch die malende Karimata? Daarover moet nog eens iets in de krant hebben gestaan, maar wanneer en waar?

BUITENLAND.

Conflict Amerika—Duitsland.

„Twee minuten vier seconden! Max Schmeling kansloos geslagen. Joe Louis midden in de ring, de handen omhoog. Gillende vrouwen, negers in dansdelirium.”

(Uit een particuliere correspondentie; de bladen willen blijkbaar geen aandacht aan dit conflict schenken.) K.

In en om de kerk

Ds. Niemöller viert een jubileum: de predikant van de Jezus Christus-kerk te Berlijn-Dahlem zit thans een jaar gevangen. Wij weten dat van meer dan een zijde in dat afgelopen jaar pogingen in het werk gesteld zijn om den heer Hitler en de zijnen tot Niemöller’s vrijlating te brengen. Die pogingen zijn mislukt. Het beschamende feit blijft bestaan, dat een man, die zich slechts één ding ten doel stelde: Jezus Christus te prediken en Hem alleen, deswege maand na maand van zijn vrijheid beroofd blijft. Wij weten dat het aantal groeit dergenen, die’ om allerlei verstandelijke rede-

nen, een houding van tegemoetkoming jegens het nationaal-socialistische bewind in Duitsland bepleiten. Wij laten die verstandelijke redenen voor wat zij zijn. Wij bepleiten allerminst vergelding van haat met haat. Als één ding, maar niet vergeten wordt; als één woord maar steeds weer herhaald wordt: „Maar gij houdt Niemöller gevangen ”

Weinig dringt tot ons door aangaande de strijd der belijdende Christenen in het Derde Rijk. Hoe die strijd verder-gestreden wordt, daarvan kunnen wij veelal slechts langs omwegen iets vernemen. Zoals b.v. uit... het lijforgaan der S.S. „Das Schwarze Korps”. Dat publiceert de brief, waarin ds. Busch uit Paplitz de redenen ontvouwt waarom hij weigerde lid te worden van de nationaal-socialistische „Volkswohlfahrt”, het nationaalsocialistische „Liefdadigheid naar vermogen”. Aldus schreef ds. Busch:

„De nationaal-socialistische Volkswohlfahrt is ondergeschikt aan een Christus-vreemde en dus Christus-vijandelijke totaliteits-eis. Alfredßosenberg is als de geestelijke leider van de wereldbeschouwing der beweging in al haar geledingen ook de geestelijke leider van de Volkswohlfahrt. Dat zegt genoeg. In tegenstelling daarmee heb ik mij uitsluitend onder de heerschappij van Jezus Christus gesteld. Niemand kan twee heren dienen. BUSCH.”

Wat „Das Schwarze Korps” voor „beschouwingen” aan deze brief vastknoopt doet niets

ter zake. Het publiceerde de brief. En wij zijn het blad daarvoor... dankbaar.

Een „jubileum” is dezer dagen vrijwel onopgemerkt voorbij gegaan. En dat in onze steeds meer te pas en te onpas herdenkende tijd! Wij doelen op het feit, dat het 20 Juni 150 jaar geleden was, dat Maria Leer geboren werd. Maria Leer speelde in het begin der vorige eeuw een belangrijke rol in de secte der Zwijndrechtse Nieuwlichters. „Godsdienstige socialisten” noemde Quack die Nieuwlichters in zijn bekende werk. „Christen-idealisten” noemt Is. J. Reedijk hen in het kleine boekje, dat hij aan „De Zwijndrechtse Nieuwlichters” wijdde en dat bij ons weten de enige „jubileumsgave” bij de Wed. Plancken en Zoon te Zwijndrecht verscheen. Men leze dat boekje. Er herleeft een merkwaardig stuk vaderlandse en buitenkerkelijke geschiedenis in.

(Tussen haakjes en van buitenkerkelijke geschiedenis gesproken; de lectuur van dit boekje is in deze tijden van roep naar kerkelijke reorganisatie heilzaam. In tegenstelling tot velen onzer is ondergetekende van die kerkelijke reorganisatie een voorstander, maar hij wii toch allerminst het oog sluiten voor de grote waarde die allerlei „ketterse” secte kan hebben. Zo’n secte vormden de Nieuwlichters. Maar wat een rijk geestesleven bloeide hier onder veel misverstand. Hoe woei hier de geest waar... hij wii!) J- W.

HET POLEMISCH HOEKJE

Je zou er eenvoudig een minderwaardigheidskomplex van krijgen ...

Ik heb nu al zachte vingerwijzingen, stevige draaien om m’n oren, betuigingen van innige deelneming om mijn onwetendheid enz. te verduren gehad: eerst van liberale, toen van antirevolutionnaire en katholieke kant... nu komt dr. J. L. Snethlage in „Rusland van Heden” (als laatste in de rij?) me beschuldigen van „verloochening van de socialistische idee.” En dat alles nog steeds naar aanleiding van mijn „Mei-overpeinzing” in T. en T. Ziehier hoe dr. Snethlage dat artikel heeft gelezen en geïnterpreteerd (het gaat om de gedachten aangeknoopt aan het woord van Mevr. Roland Holst: „Toekomst kan heden niet verlossen”):

„Deze minachting voor de toekomstgedachte als richtsnoer voor het heden bewijst opnieuw, hoe ver sommigen der hedendaagse sociaaldemocratische leiders durven gaan in hun verloochening van de socialistische idee. Het bewijst, hoe zij juist de kern van het socialisme hebben prijsgegeven. Immers, het socialisme ontleent zijn betekenis grotendeels aan het zich richten op, en aan het werken voor de toekomst der mensheid. Het weet, dat aan hem de toekomst is, en uit deze gedachte put het zijn geestdrift voor de strijd, die in het heden gestreden wordt. Weliswaar verwaarloost of minacht men ook het heden niet. In de Sowjet-Unie heeft men gezien, en ziet men nog dagelijks, welke successen met de socialistische opbouw reeds behaald zijn. Maar het ligt nu eenmaal in het wezen van het socialisme om bij dit voorlopig bereikte niet stil te staan, er niet voldaan mee te zijn, doch naar steeds grotere resultaten te blijven streven. Dr. Banning blijkt niet te beseffen, dat de zin van het leven der mensheid juist in het eeuwige streven tot uiting komt

Het is met name het zedelijke leven der mensheid, waarin de gedachte aan de toekomst een allesbeheersende rol speelt. De zedelijk strevende mens richt zich van het zijnde naar het behorende, van het heden naar de toekomst. Juist omdat het socialisme mede een beroep doet op de zedelijke krachten van den mens, kan deze zich weer met geestdrift wenden naar de toekomst. Daarom kan men in het land van het socialisme, in de Sowjet-Unie, weer stoutmoedige plannen maken en steeds wijdere horizonten voor zich

zien opengaan. Daar weet men, dat terwijl men zich inspant, men niet alleen voor het heden werkt, maar ook voor de toekomst, voor de komende geslachten, die de vruchten zullen plukken van de arbeid, welke thans verricht wordt.”

Wat ik daarop te antwoorden héb?

Ten eerste: ook in mijn geestelijk leven speelt „de toekomst”, en met name de konkrete arbeid in het heden voor de mogelijkheden van een betere toekomst een rol. Met de stelling van dr. Snethlage, dat het socialisme z’n betekenis grotendeels ontleent aan het werken voor de toekomst, ben ik het eens. Maar de kernvraag, waarom het hier gaat vraag, die voor het hedendaagse socialisme beslissend is —■, is die naar de grond van de toekomstverwachting: waarop berust uw toekomstideaal? De oude Marxistische grondslag: de wetenschap maakt uit... is onhoudbaar; de oude romantiek van de proletarische Messias verdween, niet het minst door de bloedige broederstrijd. Dr. Banning beseft wel de waarde van „het eeuwige streven”, waarin iets van de zin des levens tot uiting komt. Maar hij vraagt naar grond, doel en inhoud van dit streven, en kan dat niet laten opgaan in proletarisch socialisme, al moge dat in de verhoudingen van 19e en 20e eeuw een zeker recht hebben.

Ten tweede: dr. Snethlage is wat héél makkelijk heengegleden over de gedachte van Mevr. Holst, waarvan ik nu het laatste woord onderstreep: „toekomst kan heden niet verlossen”. Daar staat niet, dat een toekomstgedachte geen betekenis heeft. In mijn artikel stond ook niet, dat het socialisme geen toekomstvenoachtlng meer heeft of hebben mag. Er staat alleen, dat de waarachtige „verlossing” uit de nood van heden, voor de lijdende en strijdende mens van het heden niet ligt in een toekomstdroom. Wie aan de socialistische gedachte wél deze betekenis toekent, maakt het socialisme tot nieuwe, religie, en doet daarmee wat uit het Evangelie gezien, volstrekt ontoelaatbaar is: een aardse grootheid wordt verabsoluteerd. Onze „verloochening” komt hierop neer, dat wij het socialisme als nieuwe religie inderdaad afwijzen. Waarmee alweer niet gezegd is, dat de zedelijke kern van het socialisme de sociale gerechtigheid en de broedelijke gemeenschap niet ook in religie en Christendom hun plaats hebben ... Maar dat wordt een nieuw hoofdstuk. W. B.