is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 41, 09-07-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

De militaire luchtvaart

De luchtvaartafdeling te Soesterberg heeft feest gevierd; het was een vijf en twintigjarig jubileum. De commandant der luchtmacht heeft bij dit feest een herdenkingsrede uitgesproken. De tegenstanders der landsverdediging kregen daarbij een trap; zij werden beschuidigd, het Nederlandse volk weerloos en eerloos te willen uitleveren aan den aanrander van zijn vrijheid en grondgebied. Met de voet argumenteert men niet op zijn sterkst noch op zijn waardigst!

In de rede ontbrak ook niet de overschatting en verheerlijking van onze weermacht, in dit geval ons luchtwapen. De commandant sprak van de opbouw ervan als een bolwerk der onafhankelijkheid en de heiligste rechten van het Nederlandse volk. De militaire stichteiijkheid, die ons ergert in plaats van te stichten, ontbrak in de feestrede niet. De commandant sprak van de gevallen kameraden, wier beeld onuitwisbaar in ons aller hart gegrift staat „als een blijvende verwijzing naar onze roeping en een vermaning, om niet af te wijken van de weg van eer en plicht. Onze luchtvaarders hebben deze weg steeds gevolgd en hopen met Gods hulp hierin te voiharden.”

Zal onze luchtmacht tegenover de geweldige luchtipachten van onzen linker en rechter buurman iets anders zijn dan een musje tegenover de sperwer? Zullen wij ooit de neutraliteit in de dampkring boven ons grondgebied kunnen beschermen tegen een luchtvloot, die de kortste weg over en naar ons land volgt? Zal er tijd zijn voor af doende verdediging tegen een aanval uit de lucht op onze bruggen, fabrieken, steden, daar boven een klein land als het onze een vijand zeer snel en onverwacht kan verschijnen?

Dit zijn voor ons echter vragen van de tweede rang. De hoofdvraag is, of men bij het dienen bij het luchtwapen, in de luchtoorlog mag spreken van Gods hulp. Hoe langer en ernstiger wij over dit vraagstuk nadenken, des te zekerder wordt het ons, dat de oorlog en zeker de luchtoorlog met zijn niets en niemand ontziend karakter in strijd is met de goddelijke wil.

Viruly is een meester in de vliegkunst en heeft haar ook lief, omdat zij meewerken kan aan het ontstaan van een volkerengemeenschap. Zij brengt de volken nader tot elkaar; dat doen ook de militaire vliegtuigen, maar om toe te slaan. Óp een luchtvaarttentoonstelling te Parijs zag Viruly vele mUitaire vliegtuigen, wonderen van techniek van een geweldige snelheid en draagvermogen, maar hij zag die wonderen terecht als instrumenten tot moord en vernieling, wreder nog dan de folterwerktuigen der middeleeuwen. Onwaardig noemt hij het gebruik van menselijk vernuft, arbeidsijver en bezieling, om ze te vervaardigen. Hij dacht daarbij aan een gebed, dat hij in een klein Zwitsers dorpskerkje hoorde, de bede, dat God het volk en de regering mocht helpen, om de vrede volhardend en moedig te bewaren.

Viruly heeft gevoeld, dat hij geen bommen zou kunnen laten vallen, die wellicht het kind aan de borst der moeder, den zieke in zijn bed zouden kunnen doden; geweten en hart zouden zijn hand weerhouden, als ze zich uitstrekte naar het rek, waar de bommen in rijen gereed staan, en door deze zuivere en schone gevoelens geleid heeft Viruly daarop zijn ontslag genomen als res.-officier bij de luchtmacht.

Als een toets voor geoorloofd gebruik hoorden we eens een christen-onthouder de vraag stellen, of men God wel zou kunnen danken voor een borrel, als men daarbij dacht aan al de ellende, die de alcohol veroorzaakt.

Zou men van Gods hulp kunnen spreken en Hem danken na een geslaagd luchtbombardement, als men daarbij dacht aan zijn gevolgen?

In het donkere hart van armoeland

De ontdekkingsreiziger Stanley heeft indertijd geschreven over het donkere, onbekende binnenland van Afrika, waarin hij was doorgedrongen, om den zendeling Livingstone te zoeken. Booth noemde daarna zijn boek,» waarin hij de armoede en misdaad in oostelijk Londen beschrijft; In het donkerste gebied van Londen; het was zelfs voor vele burgers van Londen een even donker en onbekend gebied als het hart van Afrika. Kennen wij het armoeland, dat binnen onze grenzen ligt? Men zoekt de armoede altijd elders en merkt ze niet in de onmiddellijke nabijheid op; toch is het maar een kleine reis, om in het donkere hart van ons armoeland te komen.

Een van de grootste en armste gemeenten in ons land is Emmen. Zo heet ook de hoofdpla.ats, die een welvarende indruk maakt, terwijl de naaste omgeving bekoort door rijke natuurschoonheid. Maar er is een achterland! Daar woont een talrijke bevolking van veenarbeiders, wier armoede door crisis en werkloosheid nog verergerd is. Het gemeentebestuur heeft een onderzoek doen instellen naar de toestand van ruim 500 willekeurig gekozen gezinnen van werklozen. In het rapport over dit onderzoek wordt gesproken van de verwachting, dat de voorziening aan bovenkleding in de grotere gezinnen tekort zou schieten; die vrees bleek bij het onderzoek op beangstigende wijze gegrond te zijn. Voor jongens en meisjes was de toestand iets minder ongunstig, maar toch geheel onvoldoende. Wat jassen en mantels betreft, bleek een groot aantal leden vooral der grotere gezinnen niet in het bezit te zijn van een kledingstuk, om buiten te dragen tegen de koude en de regen. Het beddegoed geeft volgens het rapport de grens aan voor het minimum aan de beschutting van het menselijk lichaam tegen koude; geen of nauwelijks dekens genoeg dus, om in de slaap warm te zijn en te blijven. In de grote gezinnen bleek er niet meer dan één handdoek voor zes personen beschikbaar te zijn; men kan zich de gevolgen daarvan voor de zindelijkheid en dus ook de gezondheid van deze gezinsleden voorstellen.

Er is bij velen meer onbekendheid dan hardheid ten opzichte van de armoede. Het rapport zal wel alarmerend werken; wellicht komt er een comité tot leniging van de nood in Emmen en een inzameling van gebruikte maar nog bruikbare kleren en beddegoed voor de ingezetenen van dit armoeland. Wij willen de waarde daarvan niet gering achten, maar het werk der liefdadigheid kan en mag niet het werk der gerechtigheid vervangen. Liefdadigheid is als het opvangen en opdweilen van het water, dat door het dak lekt. Het lek moet worden dichtgemaakt en, zo nodig, het gehele dak hernieuwd!

Een nauwkeurig onderzoek in de vele arme gezinnen, die er ook louiten Emmen zijn, zou een openbaring van misstanden geven, die het hart roert, het geweten verontrust en oproept tot strijd.

Geen klassenstrijd en geen klassen

I n de Bellamy-beweging uit zich een gevoelssocialisme, dat gewekt en veronti’ust is door de nood en de chaos, die het winstsysteem, dat is het kapitalisme, veroorzaakt heeft. Het geloof en de eerbied voor de bestaande orde zijn er niet groter op geworden! Het ideaal dezer beweging is een socialistische samenleving. Dit ideaal evenals het verzet tegen het winstsysteem rust voornamelijk op zedelijke en ook wel godsdienstige gronden.

Veel hierin is ons verwant en sympathiek; maar wij hebben ook ons bezwaar en delen de critiek van H. Polak, dat de Bellamyanen wel getuigen maar niet de socialistische strijd voeren. Zij verwerpen de klassenstrijd, organiseren de arbeiders niet en voeren geen politieke strijd voor het socialisme. Getuigen kan een geweldige kracht zijn, maar voortdurend en niets dan getuigen maakt ten slotte doof

en heeft geen effect. Getuigen is het nemen van een aanloop, maar daarna moet de sprong volgen. Met ontaewoonbaarverklaren alleen krijgt men geen nieuwe woning.

In het laatste nummer van „Bellamy-Nieuws” schrijft Zw. een polemisch artikel tegen ons over klassenstrijd en klassen.

De korte inhoud is deze: Er is geen onderscheid tussen hen, die optrekken in de klassenstrijd en hen, die het niet doen. De volgeling van H. Polak en de Bellamyaan komen als diamantslijpers op dezelfde tijd op hun werk, gaan tegelijk naar huis, eten, wandelen, slapen enz., enz., alles beiden hetzelfde. De dominee van „Tijd en Taak” en de dominee-Beilamyaan preken, schrijven, vervullen spreekbeurten, maar daarin ligt niet het optrekken in de klassenstrijd besloten. Het is alles precies hetzelfde. Wat blijft er dus over? Beliamyanen geioven niet in het bestaan van een klassenstrijd ... tegenwoordig. Eens waren er twee klassen; van kapitalisten, die alleen maar voordeel hadden van het bestaande stelsel en van proletariërs, vrijwel rechteloze arbeiders, loonslaven zonder meer. Maar de duidelijke scheidingslijnen tussen de beide kiassen zijn vervaagd en verdwenen. Er heeft een geweldige egalisatie (gelijk worden) der inkomsten en daarmee van het levenspeil plaats gevonden. De vakorganisaties zijn van strijdorganisaties geworden tot verzekeringsinstellingen en overheidsinstituten. De verdeling der maatschappij in twee welonderscheiden klassen is weggevallen en daarmee ook de klassenstrijd. In dit stadium van het winststelsel heeft behalve een kleine verdwijnende minderheid ieder nadeel of moet nadeel duchten van het blijven voortbestaan van dit stelsel. Daarom zal een getuigenis voor samenwerking groter uitwerking hebben op een spoedige reorganisatie der maatschappij dan een getuigenis voor strijd.

Het begin van dit betoog van Zw. is niet erg gelukkig. De klassenstrijd wordt niet altijd en overal gevoerd. Hij neemt wel een voorname plaats in het maatschappelijke leven in, maar heeft niets te maken met diamantslijpen, eten, slapen, preek en huisbezoek. Aan het snuiten van dè neus, het stoppen van een pijp, het mengen van sla met andere heerlijkheden herkent men niet den voor- of tegenstander van de klassenstrijd. Men kan wel spreken, bulderen zelfs over de klassenstrijd; maar hij is er niet en kan dus ook niet gevoerd worden volgens Zw. Maar als we dan hetzelfde willen en doen, waarom een afzonderlijke Bellamybeweging, een nieuwe verzwakkende verdeeldheid onder de voorstanders van het socialisme? Dat gekke, zinloze gebruik van het woord klassenstrijd zal met de omgang met de verstandige Bellamyanen wel ophouden. De soc.- democraten leven nog te veel in het verleden, maar die versleten begrippen zullen ze wel makkelijk verliezen als het jong zijn nest-

haren! , ~ We wisten niet, dat wij reeds leefden in een wereld zonder klassen. Het begrip klasse is niet scherp te omiijnen; er zijn in iedere klasse verschillende groepen; er zijn ook tussengroepen, die met het ene been in de ene en met het andere in het tweede kamp staan. Ei zijn ook geen grenzen te trekken tussen heet, warm, lauw, koel en koud; is er daarom geen verschii in temperatuur? Heeft Zw. niets gemerkt van een strijd tussen werknemers en werkgevers in de vergaderingen van het Int. Arbeidsbureau, van een voortdurende campagne der georganiseerde arbeiders om betere steun voor de werklozen, weet hij niet, dat onze sociale wetgeving zeker niet tot stand zou zijn gekomen zonder de krachtige actie der arbeiders gedurende vele jaren, en weet hij niet van hun verzet, om deze wetgeving te verzwakken en af te breken?

Heeft hij niets gehoord van de roep der N.R.Crt. en haar geestverwanten, om de lonen te verlagen en heeft hij niet opgemerkt, dat de arbeiders het loonverlies ten gevolge van de devaluatie pogen te herstellen? Misschien is hem ter ore gekomen, dat al weken lang honderden vissers aan de wal en de schepen in de haven blijven. Het inkomen en ook het levenspeil der arbeiders zijn de laatste eeuw zeker aanzienlijk gestegen, maar dat is alleen door strijd geschied. En men moet wel blind zijn, als men niet opmerkt het onderscheid tussen de diepe, donkere dalen en de hoge bergtoppen in het volksvermogen, dat in strijd