is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 42, 16-07-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een nieuwe Godsdienst

Misschien zal menig T. en T.-lezer, wanneer hij onderstaand artikel heeft gelezen, zeggen: niets nieuws. In zekere zin heeft hij gelijk; in ons blad hebben verschillende medewerkers het steeds zo gezien. Maar het hier volgende stuk van prof. Denis de Rougemont (overgenomen uit Bevrijding, dat het vertaalde uit de Nouveaux Cahiers Juni ’3B), is zó overtuigend geschreven, dat het opnieuw pakt. Men wete dan, dat de schrijver tot ’36 plaatsvervangend hoogleraar was aan een Duitse universiteit in het Westen, en uit eigen aanschouwing schrijft. Ziehier twee fragmenten uit zijn dagboek;

Een heilige ceremonie

’s Namiddags drie uur, in een café bij de opera. Ik zeg tegen mijn vriend, de Duitse dramaschrijver L.: ~Gelooft gij aan de collectieve ziel? Is het eigenlijk niet een mooi woord om het ontbreken aan te geven van een persoonlijke ziel bij enkelingen, die door de mechanische bewegingen van een massa worden meegesleept?”

L. schudde zijn hoofd: „Ga eerst naar den Führer luisteren, dan spreken wij er morgen weer over. Maar ga dadelijk, want de deuren gaan om 5 uur open.”

En hij is pas tegen 9 uur aangekondigd?

Kom dan kijken!

Voor de deur van het café overziet men het gehele plein van de opera. Duizenden S.A. en S.S. mannen staan- er al opgesteld, onbewegelijk. De Führer zal om 11 uur op het balkon komen. Tot dat ogenblik zullen die mannen niet bewegen. Ik verdwaal in een labyrinth van afzettingen tot vlakbij de feestzaal rondom kampeert een heel volk, sinds de ochtend en ik kan de deur niet in vóórtien minuten over vijf. Hoe speelt men het klaar in tien minuten 30.000 mensen een zitplaats te geven? Ik schuif tussen de opeengepakte menigte achter de banken. Ik kan goed de tribune zien, die in het midden van het ovaal is opgericht, als een vierkante toren, bespannen met rood doek, en fel beschenen door daarop gerichte schijnwerpers. Bruine massa’s stijgen op tot de derde galerij, de gezichten zijn onduidelijk. Geweldig tromgeroffel, een enkele keer onderbroken door een fanfare. Men wacht, dringt meer en meer opeen. Formaties van het arbeidsfront vullen de gangen, de schop op de schouder. De aanplakbiljetten kondigden op hetzelfde uur in 45 zalen van de stad een algemeen appèl van de partij aan. Met al wat de speciale treinen sedert de vorige dag in deze stad van 700.000 inwoners hebben uitgestort, vermeerderd met de autobussen en de stroom van landlieden, die te voet zijn gekomen, zal er een mUlioen directe toehoorders zijn. Enkele vrouwen vallen flauw, men draagt ze weg en dat geeft wat plaats om adem te halen. Het is zeven uur. Niemand is ongeduldig. Niemand spreekt. Acht uur. De rijksgroten naderen, aangekondigd door uitroepen van buiten. Goering, Blomberg, generaals, met vrolijk heU begroet. De gouverneur van de provincie verkondigt met een neusgeluid de gewone dingen, men luistert slecht. Ik sta rechtop, gekneed en opgehouden door de menigte, al bijna viermaal zestig minuten. Is het wel de moeite waard? Maar daar hoor ik buiten een gedruis als van een vloedgolf, trompetten klinken. Alle lichten in de zaal gaan uit, terwijl lichtende pijlen aan de zolder worden aangestoken, die naar een deur wijzen op de hoogte van de eerste gaanderijen. Een zoeklicht laat op de drempel een kleine, bruine man verschijnen, blootshoofds, met een extatische glimlach. Veertigduizend mensen, veertigduizend armen gaan met één beweging omhoog. De man gaat heel langzaam voort, groet met een langzaam gebaar, bisschoppelijk, onder een oorverdovend rhythmisch heUgeroep. (Ik hoor al spoedig niets meer dan de rauwe kreten van hen, die naast mij staan). Stap voor stap komt hij vooruit, hij neemt het eerbetoon langs het smalle pad, dat naar de tribime leidt, in ontvangt. Zes minuten lang, dat is heel lang. Niemand kan bemerken, dat ik mijn handen in de zakken heb: zij staan rechtop, onbewegelijk, zij brullen in de maat, hun ogen

gevestigd op het verlichte punt, op dat gezicht met de extatische glimlach, en tranen lopen m ’t donker langs de gezichten. En plotseling Is alles stil. Hij heeft zijn arm krachtig uitgestoken de ogen ten hemel en gedempt klinkt het Horst Wessellled op uit de parterre. „De kameraden, die door het rode front en de reactie werden gdood marcheren In de geest met ons mee.” Ik heb begrepen.

Dat kan men slechts begrijpen door een bijzonder soort rilling en hartklopping terwijl de geest helder blijft. Wat ik nu ondervind, is dat, wat men moet noemen de h eilige huiver. |

Ik dacht, dat ik op een massa-meeting was, bij de een of andere politieke betoging. Maar zij droegen hun eredienst op! En het is een liturgie, die zich afspeelt, de grote heilige ceremonie van een godsdienst, waartoe ik niet behoor, die mij verplettert en mij met veel meer, zelfs lichamelijke, kracht terugstoot. dan al die vreselijk gespannen lichamen.

In ben alleen en zij behoren allen tesamen.

Een nieuwe godsdienst

Indien men dat niet heeft gevoeld, dan zal men nooit de eenvoudige reden van de totalitaire overwinningen begrijpen. Zeker, men zal er altijd weer de economische wetten bij kunnen halen, de betrekkelijke kracht van partijen en klassen vóór 1933, de politieke omstandigheden van Europa, het verdrag van Versaiiies, het uiteenvalien van de linkergroepen, het dubbele spel van het kapitaal, dat Hiti’er tegen de marxisten en Von Papen tegen Hitler steunde; dat is alles goed en wel, en het verschaft ook copie aan marxisten en liberalen. Wanneer men deze leest, dan ziet men heel goed hoe het mechaniek in werkelijkheid heeft gelopen, en dat het noodlottig was en heel gevaarlijk is. Maar dan moet men nog weten, waarom het zo liep. Want men spreekt ons altijd slechts van het hoe. En de „verklaringen”, die men ons geeft, zijn tenslotte terug te brengen tot een min of meer samenhangende reconstructie van de duidelijk zichtbare verschijnselen, d.w.z. tot een beschrijving. En zodra het om zo samengestelde verschijnselen gaat, kost het geen moeite om deze beschrijving met iedere willekeurige leerstelling te doen kloppen, men behoeft zijn voorbeelden maar te kiezen. Maar wat men steeds laat ontsnappen, dat is het beginsel waardoor de verschijnselen actueel worden, of, als ik het mag zeggen; de werkzame genade. De dingen hebben zulk een loop genomen; en men legt aan de hand van een goed aangepaste leerstelling uit, dat zij geen andere loop hadden kunnen nemen. En nu weet ge het! Dezelfde theoretici toonden u in 1932 met het „Kapitaal” in de hand aan, dat de Duitse toestand recht op het commimisme afging. Wat mij beangst, dat is het gemak waarmee zij zich vergissen. Er behoefde maar zo weinig veranderd te worden om met behulp van dezelfde schema’s te „verklaren” dat het tegenovergestelde inderdaad plaats vond Laatste verdediging van ’t kapitaal, herhalen de marxisten onvermoeid. Collectieve hysterie, zeggen de rationalisten. Tyrannie zeggen de democraten. Even zoveel holle woorden of leugens voor de gelovigen van de Duitse cultus. Het gaat hier slechts om godsdienst.

Niet ter verdediging van het kapitalisme, hebben de mijnwerkers van het Saarpbied voor de samenvoeging bij het Derde Rijk gestemd Door van hysterie te spreken, kan men het verschijnsel, dat ten grondslag ligt aan de opbouw van een gemeenschap rondom een ~heilig” gevoel, niet begrijpen. En geen begeerte naar tyrannie, in de politieke en wettelijke zin van het woord, heeft Oostenrijk in de armen van den Führer geworpen, maar de hartstochtelijke aantrekkingskracht, welke uitgaat van een opkomende godsdienst, van hoe laag gehalte dan ook, op de gedurende eeuwen door individualisme uiteengerukte massa’s.

In een maatschappij, waarin alle oorspronkelijke banden verbroken zijn, waarin de godsdiensten in het oog van het volk en van de élite alleen nog maar sociale overblijfsels schijnen te zijn; waarin de klassen, die voortgekomen zijn uit de economische ontwikkeling, innerlijk onsamenhangende massa’s in theorie weer samenbinden, tervrijl de enke-

lingen daarin niets anders gemeen hebben dan geid of gebrek aan geld; waarin het aantal partijen toeneemt en de partijen onderling elkander verscheuren in een oppervlakkig politiek spel; waarin de élite een taai spreekt, die de massa’s kunnen horen, maar niet begrijpen; waarin de staat de enige vertegenwoordiger van het gemeenschappelijk goed wordt, maar zich alleen nog laat zien in het belastingbiljet, het leger en de politie; waarin elk beginsel van sociale en geestelijke samenhang, elke gemeenschappelijke maatstaf is verdwenen, in zulk een maatschappij moet zich wel een angst van de massa’s en van het hart van de enkeling meester maken een angst, waaruit een roep wordt geboren.

Op deze geweldige roep der volken om een bindend beginsel, dus om een godsdienst, hebben de dictatoren een antwoord weten te geven. En verder is alles litteratuur, geklets van theoretici, of wat nog erger is, van „realisten’M

De schrijver van dit artikel ontving onlangs (Januari 1938) een brief uit Duitsland, waarin dit alles wordt samengevat. Deze brief Is van een jong natlonaal-soclallst, die toevallig een van diens boeken las en het toen ondernam, de daarin geformuleerde kritieken op het Hltler-reglem te weerleggen. Hij begint met uit te leggen, dat dit regiem geboren Is uit de armoede en het ongeluk van zijn land wat volkomen juist Is. En dan voegt hij daaraan toe: „Maar de armoede en het ongeluk kunnen alleen maar de ulterlljke verschijnselen verklaren. Het grondmotief van een beweging als de onze Is Irrationeel. Wij wilden aan lets geloven, wij wilden voor lets leven. Wij zijn erkentelijk geweest jegens degene, die ons die mogelijkheid om te geloven gaf. Het is waarschijnlijk te wijten aan zijn leraren, dat het christendom reeds sedert lang niet meer aan de behoefte aan geloof van de meerderheid van het volk voldeed. Wij willen geloven aan de zending van het Duitse volk. Wij willen geloven aan de onsterfelijkheid van het volk (een boom, waarvan wij niet meer dan de bladeren zijn, die met leder geslacht af vallen) en misschien zullen wij erin slagen daarin te geloven.” |

Ineenstorting van gemeenschappelijk geloof, falen van het christendom, irrationeel beroep op nieuwe levensmotieven, door angst ingegeven wil om te geloven in het eer.ste het beste, dat zich voordoet ’t moge even onwaarschijnlijk zijn als de „onsterfelijkheid” van een volk —: men kan niet juister en beknopter de eigenlijke godsdienstige aard van het Duits totalitaire verschijnsel uitdrukken. (En datzelfde geldt, met kleine wijzigingen, voor Italië en Rusland). I

Laten wij nu de naïviteit van de liberalen eens nagaan, die vaak aldus redeneren: „Alles wat daar gebeurt is niet slecht. Men kan er allerlei van aanvaarden.” Zeker. Hitler heeft de orde op straat hersteld. Hij brengt de sociale vrede. Er waren zes millioen werklozen in ’33, terwijl men in ’3B gebrek heeft aan arbeiders. „En wij zijn gelukkig gered van het communisme”. Zo menen veel brave zielen een soort verband te hebben met de dictaturen, die zij in beginsel veroordelen. Zo dragen zij welwillend iets bij aan de totalitaire propaganda in onze landen. Zij doen het zonder kwade bedoeling en uit naam van het gezonde verstand. Ze doen mij denken aan die goede oude vrouw, die vol vroomheid haar kleine takkebos bij droeg voor de brandstapel van Johannes Huss: toen de martelaar dit zag, zei hij: ~0 sancta simplicitas” (o heilige onnozelheid). |

Ja, er is werkelijk een heilige onnozelheid voor nodig om nog te kunnen geloven, dat men de een of andere maatregel, die door het regiem wordt genomen, kan losmaken om deze afzonderlijk te bewonderen of om te trachten, hem na te volgen. Deze liberale manier om „recht te doen wedervaren” aan het totalitaire stelsel, plaatst het verstokte liberalisme wel in een mooi licht! Alsof het woord totalitair niet juist betekende, dat alles in dit regiem samenhangt en dat niets daaruit kan worden losgemaakt zonder zinloos te worden! Meent men, dat de sociale orde, die men in Duitsland bewondert, goedkoop kan worden verkregen, met min of meer „handige”, of met „rationele” of „politieke” methoden? Ziet men