is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 45, 13-08-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZATERDAG 13 AUGUSTUS 1938 – No. 45 36STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

Tijd EN Taak

Aan God behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24:1

RELIGIEUS-SOCIALISTISCH WEEKBLAD

ONDER REDACTIE VAN DR. W. BANNING

ADRES DER REDACTIE: BENTVELDSWEG 5 – BENTVELD

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 3 6STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR F 3.40, PER HALFJAAR F 1.75, PER KWARTAAL F 0.90 PLUS 15 CENTS INCASSO – LOSSE NUMMERS 8 CTS POSTGIRO 21876 – GEMEENTEGIRO V 4500 – ADMINISTRATIE GEBOUW N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKEL VELD 15, AMSTERDAM-CENTRUM

SCHERPSLIJPERIJ EN BEGINSELVASTHEID

cherpslijperij is aan de orde van de dag trouwens niet alleen van de dag van het jaar 1938; zij oefende steeds een grote invloed in perioden van sociale verschuivingen en geestelijke strijd. In een boek over nationaal-socialistische opvoeding, geschreven door een der toonaangevende mannen in Duitsland (Ernst Krieck) heet het: „Niet Weimar, niet de Pauluskerk met haar dichters, filosofen en geleerden hebben het nieuwe Duitsland geschapen, maar de Pruisische soldatengeest ” Even te voren had de schrijver gezegd: „Als Duitsland niet hamer kan zijn, wordt het noodzakelijk aanbeeld”. In deze sfeer is de scherpslijperij thuis; soldatengeest eist scherpe zwaarden, en het beeld van de hamer roept onmiddellijk een wil om plat te slaan op. Het is geheel overeenkomstig de bedoelingen van den Leider; in „Mein Kampf” schreef Hitler: „Het volk ziet ten allen tijde in het niets ontziende aangrijpen van den tegenstander een bewijs voor het eigen recht en ondervindt het afzien van diens vernietiger zoal niet als een teken van eigen onrecht, dan toch als een uiting van onzekerheid om het eigen recht”.

Het zou er volkomen naast zijn, wanneer wij bij scherpslijperij alleen aan het nationaal-socialisme dachten. De geschiedenis der arbeidersbeweging kent óók deze geestesgesteldheid (als men daarbij het woord „geest” nog gebruiken kan er is gewoonlijk meer heerschappij van instinct, van wrok en haat dan van geest); ik denk aan de felle debatten tussen marxisten en reformisten, waarin vooral de eersten er op uit waren om de woorden zo scherp mogelijk te punten, om den tegenstander zo diep mogelijk te wonden; ik denk aan de wellust waarmee communisten en sociaaldemocraten elkaar trachtten te honen.

aan het genot dat menigeen vond in het opjagen der vechtinstincten, te pijnlijker waar het betrof een broederstrijd. Ik denk ook aan de godsdienststrijden der geschiedenis: aan de jaren der Hervorming, waarin Erasmus zijn toch reeds scherpe pen wel doopte in venijn, waarin Luther, de zwaar gespierde, de hamer wil zijn, die den aarzelenden humanist verpletteren zal. Ik denk aan Abraham Kuyper, die de tegenstellingen in ons volk buitensporig heeft verdiept; ik denk aan wat zich heeft afgespeeld en zo nu en dan nog afspeelt in onze dorpen en steden, wanneer de strijd om een Christelijke school de gemoederen verhit. Scherpslijperij is waarlijk niet het privilegie van eén groep of beweging, en is zeker niet aan eén leerstelsel verbonden.

Nu hebben de lieden, die deze methode bewust toepassen, in eén opzicht gelijk: scherpslijperij maakt indruk op een oncritische massa, men ziet haar gewoonlijk aan voor kracht, voor beginselvastheid. De lieden van het scherpe zwaard, van de dreunende hamer, van de grote mond en de brutale verzekerdheid aarzelen niet, zij wikken en wegen niet, zij vragen niet naar het betrekkelijk recht van het andere en het betrekkelijk onrecht misschien van het eigen standpunt, zij hakken eenvoudig de knopen door. In wezen gaat het hun ook nimmer om het recht van den ander, maar om de eigen macht; scherpslijpers zijn steeds dictatoriaal aangelegd, terwijl de oprechte democraat de scherpslijperij als minderwaardig verfoeit. De oncritische massa, die graag een „held” bewondert, laat zich meeslepen door de lieden die hamer willen zijn en begrijpt niet, dat zij dan op de duur noodwendig aambeeld wordt.

En toch is scherpslijperij in wezen zwakheid, angst en ongeloof. Zwakheid die

zich achter krachtvertoon verbergt, angst die een grote mond doet op zetten, ongeloof dat zich vermomt in een bejubelen van absoluut gestelde betrekkelijkheden. leder die niet waarachtig in God gelooft, stelt gewoonlijk eigen zaak als de enig zalig makende waarheid, dwingt anderen om in te gaan door zijn poortje. Het is niet alleen de fout, maar vooral de zonde van alle confessionalisme, van alle dictatuur. Wie waarachtig gelooft, dat God de wereld leidt, en weet dat menselijke inzichten slechts gebrekkig stamelen is van de eeuwige en onuitputtelijke Waarheid, zal zich eerbiedig onthouden van dwang, van scherpslijperij en brutale knopendoorhakkerij. Ook wanneer hij persoonlijk volledig overtuigd is van het goed recht van zijn zaak, van de waarheid in zijn beginselen, wanneer de ontwikkeling der dingen hem veel te langzaam gaat, hij weet: God heeft de tijd

Hier blijkt beginselvastheid het tegengestelde van scherpslijperij te zijn. Beginselvastheid houdt het uit, óok wanneer het getij tegen is, zij weet te zwijgen en toch stand te houden, zij vreest concentratiekampen noch gevangenis, zij draagt een mens ook door de stilte van vereenzaming en dood. Zij is mild, deemoedig, stil en dus heel wat sterker dan de grote monden der scherpslijpers.

Deze beschouwingen verbinde men met die van mijn vorig artikel over arbeiders en boeren. De scherpslijperij heeft daar een goede kans. Als ik lees van broodroof en gewetensdwang op Drentse dorpen toegepast door Landbouw en Maatschappij, vrees ik dat zij gevaarlijk op weg is... naar het verderf, als gewoonlijk. Laten vooral verantwoordelijke leiders beseffen, dat in een strijd om sociale gerechtigheid beginselvastheid de vijand van scherpslijperij is.

W. B.