is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 47, 03-09-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tijd EN Taak

ZATERDAG 3 SEPTEMBER 1938 – No. 47 36STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

Aan God behoort de aarde en haarvolheid. Psalm24:l

RELIGIEUS-SOCIALISTISCH WEEKBLAD

ONDER REDACTIE VAN DR. W. BANNING ADRES DER REDACTIE: BENTVELDSWEG 5 – BENTVELD

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 36STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR F 3.40, PER HALFJAAR F 1.75, PER KWARTAAL F 0.90 PLUS 15 CENTS INCASSO – LOSSE NUMMERS 8 CTS POSTGIRO 21876 – GEMEENTEGIRO V 4500 – ADMINISTRATIE GEBOUW N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKELVELD 15, AMSTERDAM-CENTRUM

HET REGERINGSJUBILEUM

Over enkele dagen zal ons gehele land, van de grote steden tot aan de kleinste dorpen en gehuchten toe, leven in het teken van het 40-jarig feest der Koningin. Wij mogen over dit feit, dat ons gehele volk raakt, zij het de verschillende delen op verschillende wijze, niet zwijgen daarvoor is het in menig opzicht te belangrijk.

Voorop sta de erkenning, dat de wijze waarop Koningin Wilhelmina haar taak in onze constitutionele monarchie heeft vervuld, in bijna alle kringen van ons volk grote waardering vindt, óók in kringen waar men principieel aan een republikeinse staatsvorm de voorkeur geeft. Ons volk ziet in de Koningin een voorbeeld van strenge plichtsbetrachting, die wel bij onze ingetogen en wat koele volksaard past en als er in de komende Septemberweek veel hartelijkheid aan de Koningin wordt betoond, dan is het stellig mede om het zo even genoemde feit. Daarbij speelt ook een rol, dat in het tegenwoordig volksbewustzijn Oranje verbonden is met een traditie van vrijheid en verdraagzaamheid. In de jaren die vlak achter ons liggen, worden deze geestelijke goederen in Europa bedreigd, in sommige landen bewust vernietigd, en dat heeft natuurlijk zijn weerslag óók in ons volksleven. Afgezien van de vraag in hoever het in overeenstemming is met de historische waarheid, meen ik dat in ons volksbewustzijn thans het koningsschap sterker verbonden is met de vrijheidstraditie dan b.v. in het midden der vorige eeuw; men grijpt eigenlijk over de hoofden van alle O’anjevorsten heen terug op Willem de Zwijger, om de geestelijke goederen van vrijheid en verdraagzaamheid aan Oranje te verbinden en ze in ons volk levend te houden. '

Indien de feesten van de komende week in dit teken waren gezet, indien dus de zin en de inhoud zou liggen m de bewuste versterking van de geestelijke vrijheid, van positieve verdraagzaamheid en een democratie onder leiding der besten, dan zouden wij ons daarover alleen maar kunnen ver-

heugen dan zouden ook de leiders van ons volk blijk geven, dat zij iets van de noodzaak van het historisch uur verstaan. Maar er is sinds de verloving van de Prinses met al wat daaraan vast zit, zo veel vertroebeling gekomen, voor een belangrijk deel ook bewust gebracht door allerlei lieden die zich de leiding toeeigenden, en vooral: de toestand van ons volk is zo uitermate zorgwekkend, dat wij de komende feesten in een geheel ander teken zien verschijnen. Lieden die de leiding grepen, gebruiken de gevoelens van ons volk in de eerste plaats ter versterking van het militarisme: waarom moet de militaire parade aan alles vooraf gaan? waarom moet, als het vólk zich uiten zal, het leger daarbij de toon aangeven? waarom moet, als de jeugd naar voren zal komen, het N.J.V. de formule van trouw opstellen waaraan de anderen zich eenvoudig hebben te onderwerpen? Tegen heel deze strekking in de feestviering zeggen wij uit vaste overtuiging neen en daarmee heeft het strijdpunt „al of niet landsverdediging” ditmaal niet te maken: ook zij die de landsverdediging aanvaarden, kunnen het een vertroebeling achten, dat bij de komende feesten zo veel wapengekletter de toon aangeeft.

Minstens evenveel verzet vindt een andere tendens bij ons. Er worden leuzen aangeheven, die gegeven de uiterst zorgelijke toestand van ons volk, eenvoudig misleiding moeten heten. Ik denk daarbij nog niet eens aan wat de dagbladpers en met name de z.g. Christelijke ons deze dagen voorzet. Het schijnt nu eenmaal bij koningsjubilea te horen, dat laffe vleierij overheerst. Daaromtrent zouden wij kunnen zeggen: zij ontsiert niet hem of haar tot wie zij gericht is, maar hem of haar die ze bedrijft. Wie zich de vleierij laat aanleunen, móét laten aanleunen, kan wel een koninklijke geest hebben; wie haar bedrijft toont daarmee eigen slavenziel. Ik denk aan een feit, dat veel dieper insnijdt: de misleidende pogingen om de schrijnende nood In ons volk, ook het wegzinken in

wanhoop en wrok, te bemantelen met feestvreugde en met leuzen als: eenheid in Oranje, of: God redt ons volk door Oranje, enz. Er wordt in brede kringen van ons volk bittere armoe geleden, in kringen van arbeiders, plattelanders, van kwekelingen met acte, van werkloze intellectuelen. En men mag tegenover dit sociale leed, dat voortkomt uit sociaal onrecht, geen onwaarachtigheden plaatsen. „Eenheid in sociale gerechtigheid” zou thans een leuze zijn, den groten Zwijger waardig, die immers „God heeft willen obediëren (gehoorzamen) in der gerechtigheid”.

In dit licht is het geen toeval, dat het regeringsjubileum der Koningin valt onder een ministerie, dat met zijn werkloosheidspolitiek geen enkele uitkomst, geen enkele positieve richting bood; dat de socialisten nog steeds als burgers van de tweede rang behandelt; dat de traditie in onze geschiedenis: van te zijn een toevluchtsoord voor de om des geloofswil vervolgden en gemartelden, èil te lichtvaardig losliet. Natuurlijk: de persoon van Koningin Wilhelmina staat buiten dit ailes. Wij hebben het hier alleen over de vraag: welke geest blijkt de leiders der feestelijkheden te bezielen? Tegenover deze geest stellen wij ten eerste onze diepe bezorgdheid over de toekomst van ons volk, dat èn economisch èn geestelijk steeds meer verzwakt; ten tweede ons on voorwaardelijk neen tegenover de overheersing van het militaire element en de bewuste propaganda daarvoor; ten derde onze overtuiging, dat de sociale gerechtigheid en haar brandende eis, haar eeuwigheidsoordeel over het heden bewust v/ordt teruggedrongen. Wij schrijven het bovenstaande niet in een anti-gezindheid; wij weten ons daarvoor te diep met ons volk verbonden. Wij schrijven uit een grote zorg om de geestelijke en materiële weerkracht van ons volk, wij schrijven uit ónze vaderlandsliefde, die ons zegt dat ons volk „God heeft te obediëren in der gerechtigheid”.

W. B.