is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 47, 03-09-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tussen parade en vlootrevue

De eerste vorst was een voortreffelijk krijgsman; van vorstinnen had men toen nog geen weet. Sinds die oertijd hebben vele vorsten gedacht, dat zij geen groter dienst aan hun vaderland konden bewijzen, dan links en rechts te vechten. En talloze krijgslieden zijn voor en na van mening geweest, dat het loon voor hun heldendaden minstens een vaderland moest zijn. Door de kroon op z’n hoofd te zetten, zet men hem tevens op z’n werk. Napoleon was niet de eerste, en zelfs niet de laatste, die zo deed: iets van Napoleon vindt men bij de aanvang van alle dynastieën.

Toen de vorstenhuizen enigszins geconsolideerd geraakten, en de opvolging door erfelijkheid werd geregeld, kwam er onder de heersers ook wel eens iemand, die het wezen van zijn uitzonderlijke rang minder vond liggen in zijn krijgsmanschap, dan in de praal van zijn hofhouding, de overdaad van zijn feesten en de onbegrensdheid van zijn sexueie uitspattingen. De laatste Lodewijken van Frankrijk lieten het leger over aan generaals, die op het slagveld bekwamer waren dan zij maar hun koninklijke bekwaamheid in het potverteren was onovertrefbaar. Toch bleven ook zij altijd in naam de opperste aanvoerders van het leger, de hoogste voogden van de vloot; dat hoorde zo.

Allengs is men in de vorst, tenminste in democratische landen, minder de machtige heerser gaan zien, en meer de hoogste ambtenaar. Het is voor geen enkel volk onverschillig, of een ambtenaar zijn plicht getrouw vervult. Bij alle begrenzingen, die de constitutionele monarchie aan de koninklijke macht oplegt. blijft toch het koningschap het eerste ambt in den lande —■ en het maakt géén denkbeeldig onderscheid, of dit eerste ambt wordt waargenomen met toewijding, kennis van zaken, liefde voor het volk en onpartijdigheid, dan wel met sleur, onbenulligheid en intriges. Maar zonderling genoeg heeft zich de verschuiving, die in de laatste eeuwen heeft plaats gevonden, niet voortgezet in de verhouding tussen de vorst en het militaire apparaat. Ondanks de gewijzigde plaats van de vorst temidden van zijn volk ondanks de gewijzigde plaats van het leger te midden van het volk, is de verhouding van vorst tot leger bepaald gebleven door de traditie, die heerser en held gelijk wil stellen. Er is geen erger ziekte dan traditie').

Zoals de toestand thans is, beschouwt de gemiddelde Nederlander leger en vloot als een noodzakelijk kwaad. Een kleine kring, waarmee de ondergetekende het ondanks alles nog volledig eens is, betwijfelt het noodzakelijke. Over het kwaad echter is in Nederland zeker negentig procent der bevolking het eens; ook nu nog. Die negentig procent ziet volkomen helder in, dat militaire toebereidselen minder met vrede te maken hebben dan wel met oorlog; en ieder hoopt van harte, dat de theorie der kazernes nooit zal over gaan in de praktijk der loopgraven. Het leger en de vloot zijn voor hen allen: de onmisbare grendel op de deur onzer nationale onafhankelijkheid.

Ik wil thans niet spreken over de kostbaarheid èn de ontoereikendheid van deze grendel. Ik wil alleen opmerken, dat men van de grendel niet het pronkstuk en het symbool van zijn woning dient te maken. Aangenomen dat leger en vloot de helaas onmisbare instrumenten zijn, waarmee in dit tijdsgewricht een volk zijn vrijheid verdedigt, blijft het absurd en onaanvaardbaar, dat men dit instrument gebruikt tot feestvertoon, alsof daarin de hoogste waarden van ons land belichaamd waren. Het militarisme schept niets en heeft nimmer iets geschapen, behalve dan puinhopen. Reeds door de uniform tast het de eigen onafhankelijke persoonlijkheid aan van de duizenden, die via gelijke kledij en gelijke commando’s moeten verworden tot gelijk-handelende nonindividuën. Door de conscriptie handhaaft het een vorm van slavernij, die met geen enkel

‘) Zijn ook geestelijke tradities een sdekte? (Red.)

redelijk en zedelijk argument kan worden verdedigd. Door de oefeningen tast men bij de dienstplichtigen de eerbied aan voor het onschendbare leven, waarzonder geen humanistische cultuur denkbaar is. Door de theoretische lessen men denke slechts aan de voorschriften inzake bajonetstoten heft men weloverwogen de deernis op met de slachtoffers, terwijl het verschil tussen beschaving en technische civilisatie, naar Huizinga terecht heeft opgemerkt, alleen in deernis bestaat. Men kan natuurlijk dit alles wel verdringen, wel overschreeuwen, maar het is nu eenmaal zo; onwederlegbaar.

Het is voor een volk, dat alleen gediend kan zijn door vrede, volmaakt onwaardig, dat men bij gelegenheid van zijn militaire apparaat een pretje maakt. De eenheid van Nederland berust goddank nog wel op breder basis dan de punten der bajonetten. De vrijheid van Nederland heeft goddank nog wel sterker weerbaarheid dan een handvol onderzeeërs. De waardigheid van Nederland ligt nog wel in hogere scheppingen uitgedrukt, dan in het georganiseerde geweld. Zakelijk beschouwd zou men eerder een optocht verwachten van de vaderlandse geleerden, als symbool der wetenschap, ter ere van de Koningin, als symbool van de Staatseenheid, dan juist een optocht van soldaten. Waarom schreden niet alle onderwijzers sjmibool onzer volksontwikkeling —, alle kunstenaars symbool onzer scheppende schoonheid —, alle juristen symbool van recht en wet alle metselaars symbool van onze woningbouw —, alle boeren symbool van de vruchtdragende arbeid —, waarom schreed niet het werkelijke volk langs de Vorstin, van wie het nóch de toegewijde trouw als hoogste ambtenaar, nóch de christelijke vredesgezindheid als vrouw en moeder betwijfelt?

Er is een korte tijd geweest, ach hoe lang schijnt hij achter ons te liggen, dat in Nederland de pacifistische gedachte zó algemeen scheen, dat men voor hen, die het miiitaire als beroep, ja als roeping hadden gekozen, nauwelijks een plaats inruimde in het volksbestaan. Maar sindsdien heeft de stenuning zich gewijzigd: groepen, die jarenlang voor ontwapening waren, schoven op naar een standpunt van gematigde bewapening, de gematigde bewapenaars werden tot mateloze bewapenaars; de bewapenaars-uit-hartstocht kregen hun onvermoede kans, en kraaiden te luider, naarmate zij gedurende enkele jaren dieper het stilzwijgen hadden bewaard. In de laatste tijd heeft de groep, die het „noodzakelijke kwaad” vertegenwoordigt, zich weer met zóveel vertoon op de voorgrond geplaatst, alsof zij dragers waren van het hoogste Goed. Voor wie zich door dit gevaar niet laat imponeren, blijft er maar één houding over: te betreuren, dat aan het veertigjarig jubileum van een vorstin, wier bewind, althans in Europa, door geen enkel heldenfeit ontsierd wordt, de lugubere festiviteiten verbonden moesten zijn van een legerdag en een vloofrevue; te betreuren, dat weer de traditie het won van het gezond verstand; en dus: te trachten deze traditie te breken.

Want déze traditie is onder de erge ziekten wel de ergste. G. STUIVELING.

Jk zal handhaven'

De trotse wapenspreuk van het Huis van Oranje, waarvan een met vele gaven gezegende telg thans terugziet op haar levenswerk, is een spreuk, die wij gaarne ook voor het ganse volk aanvaarden. Het is waarschijnlijk in dit besef, dat een voor het huidige feest vervaardigde journaal-film onder deze titel wordt vertoond. De samenstellers hebben terecht het leven van koningin Wilhelmina onafscheidelijk verbonden gezien met dat van ons volk, en de prestaties van dat volk gedurende de laatste veertig jaar vormen een belangrijk deel van hetgeen op het doek wordt gebracht.

Wanneer wij nu, bij alie persoonlijke medeleven met het feest der Koningin, toch moeite hebben, een overzicht als het bovengenoemde en in het algemeen de hele zelfvoldane stemming, die in deze weken tot uiting komt —■ te aanvaarden, dan komt dat door het feit, dat wij als volk gedurende deze veertig jaren sterk te kort zijn geschoten. Zo willen wij het stellen: niet als een aanklacht tegen een bepaalde groep, niet als een eis van een andere groep, maar als een erkenning van wat er in ons volksleven hapert.

Nodig is zo’n erkenning wel! Is het niet beschamend, dat in de feestfilm „Ik zal handhaven” geen spoor te vinden is van de armoede, de zorg, de bestaansonzekerheid waardoor toch minstens een derde, zo niet de helft, van ons volk wordt geteisterd? ‘) Wat handhaven wij dan, wij als volk? De bevoorrechte posities van de een boven de ander, de veiligheid van ons kapitaaltje en ons loon tegenover het risico van „experimenten”, de oppervlakkige en zelfvoldane rust tegenover een zee van zorg en gebrek.

Zo wij niet tot in het diepst van ons wezen verontrust worden zullen wij onze taak in deze tijden niet verstaan, zullen wij tot in een verre toekomst geen grondslag vinden voor een feest, dat in gemeenschap moet worden gevierd.

Alleen verontrusting zal er ons toe brengen een grote kwaal met grote middelen te bestrijden, verontrusting en verantwoordelijkheidsgevoel voor wat er aan menselijks in ons volk te gronde gaat! Wanneer wij onvoldaan zijn over de sociale en economische politiek dezer dagen, dan is dat niet, omdat er aan de goede wil van bepaalde ministers moet worden getwijfeld. leder volk heeft inderdaad de regering, die het verdient, en de sociale en economische politiek wordt gedragen door het volk in zijn geheel. Door ons volk, in zijn „voorzichtigheid”, zijn zorg voor de koetjes op het droge en de „gaafheid” van het geld, zijn rustig laten wegzakken van wat in ontbering verzinkt.

Dit is de achtergrond van wat wij aUe dagen opnieuw stellen als eisen voor een sociale en economische politiek van vandaag. Eisen, niet aan de een of de ander, maar aan ons volk in zijn geheel opdat het werkelijk eenmaal één zij. Zakelijke eisen, die 'concreet gezegd het volgende inhouden: loslaten van de opvatting, dat de regering achter de feiten moet aanlopen en stukwerk moet doen, aanvaarding dus van een bewuste leiding in het sociale en economische leven, toepassing van alle economisch vernuft en organisatorisch vermogen, waarover wij beschikken, in dienst van het gehele volk. Opdat wij dit betrekkelijk eenvoudige probleem oplossen: hoe een overvloed aan arbeid en een overvloed aan kapitaal kan worden samengebracht.

Wij weten, dat degenen, die zich hiertegen verzetten, dit niet doen uit traagheid of onwU. Zij geloven in de primaire taak van de „vrije” maatschappij en de aanvullende taak van de overheid, zij achten de menselijke geest niet in staat tot systematische leiding van het economisch leven van een volk. Maar dit alles is slechts de diepe overtuiging van enkelen, die even zoveei anderen tegenover zich hebben. Waar het in hoofdzaak op aankomt is dit: dat de eerstgenoemden steunen op al wat er in ons volk in ons allen leeft aan echte behoudendheid èn aan koude onverschilligheid, op het rustige vertrouwen èn de benepen zelfzucht van ons volk. Is er daarnaast ook heilige verontrusting en durf genoeg om desnoods diep in te grijpen, offers te vragen van de een en een bestaan te bieden aan de ander, in een gezamenlijke krachtsinspanning de oplossing te vinden van het grote sociale probleem van deze tijd?

Het antwoord op deze vraag is bepalend voor de toekomst van ons volk en van zijn feesten, voor de inhoud van wèt het zal handhaven.

P. KUIN.

‘) Bovendien Is al het positieve wel zeer fraai weergegeven, terwijl vergelijking ontbreekt. Zo wordt ta.v. medegedeeld, dat de regering voor de verbetering van de volkshuisvesting } mlllloen heeft uitgegeven. Dit schijnt zeer veel maar maakt minder Indruk wanneer men bedenkt, dat voor de deelneming aan de wereldtentoonstelling In 1939 te New York tweemaal dit bedrag door de regering aan de volksvertegenwoordiging wordt gevraagd.