is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 48, 10-09-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De dwingelandij van hef oog

Het zou „water in de zee” dragen zijn of „kolen naar NewCastle” zoals de Engelsen, nog nuchterder dan wij, zich uitdrukken, wanneer wij een betoog gingen opzetten, ten bewijze dat in deze tijd het visuele hoogtij viert. Radio en gramofoon mogen op het gehoor zijn ingesteld, de hartstocht waarmede getracht wordt, de televisie algemeen bereikbaar te maken, spreekt van de overmacht der neiging om te waarderen „wat voor ogen is’\

En waar zij samengaan, waar gehoor en gezicht beide gestreeld worden, schijnt de doorsneemens het sterkst bewogen te worden. Dit wordt naar ik meen, ten onrechte vergeten, waar men zo terecht opkomt tegen militair vertoon bij feesten als het zo juist voorbije. Hoort men niet nu reeds de klacht over de dufheid van het khaki-uniform? Toen kort na de wereldoorlog de Koningin haar jaarlijks bezoek aan Amsterdam bracht en vanuit het Haarlemmermeer-station maar de Dam reed. ontbrak alle militair vertoon, iets wat toen in Engelse bladen gememoreerd werd als een gebeurtenis van betekenis en in verband werd gebracht met het feit, dat het staatshoofd een vrouw was. |

Maar een echtpaar, verstandige S.D.A.P.-ers en pacifisten die met hun kinderen op het dak hunner woning waren geklommen, beklaagden zich: „Er was niets aan nu de militairen ontbraken”. En met deze, het vertoon, waar het oog om vraagt. |

Toen een Engels geleerde een doctorsgraad ontving van de Amsterdamse Universiteit en als bewijs niet anders dan een bul ontving, was hij teleurgesteld: „Nu heb ik alleen dit stuk papier om in mijn land te vertonen”. Inderdaad is de bij plechtige gelegenheden op de rug over de toga gedragen rood of blauw of geel of met hermelijn gevoerde kap als teken van graden honoris causa van verschillende universiteiten, van een schilderachtig vertoon. Om nog te zwijgen van de lila of grijs zijden toga, waarin men in Engeland hooggeleerden kan zien rondlopen.!

En werd niet door een Hollands predikant i na de bijeenkomst van de Wereldraad der ker- | ken in Utrecht, alwaar met name de aarts- ! bisschop van Canterbury in zijn ornaat ver- j scheen, de opmerking gemaakt, dat de een- ■ voudige zwarte toga voor het buitenland toch ! uil I Plllll "I I ~ I

I Wie voor jaren Tagore in zijn grijs zijden kaftan te midden van de ontvangende heren

de Vrije Gemeente zag binnenschrijden kon niet nalaten een volk te benijden waar zoveel voornaamheid de wegen bevolkte. Als de hoofdpersoon in de negerfilm „De Grazige Weiden” zo meenden wij, wandelde daar een ieder „in hemels rhsrtme door de aardse dag”‘). |

Wie zich de merkwaardige brieven herinnert door V. d. Goes en door v. Deyssel vanuit Rusland geschreven tijdens de kroningsfeesten van den laatsten Czaar, waarin deze het prachtvertoon verheerlijkte, gene het veroordeelde, weet ook hoe zijn schoonheidszin en waarheidszin met elkaar overhoop lagen. Wij doen, meen ik goed, ook in deze dingen rekening te houden met het karakter van een volk. Engeland b.v. hecht grote waarde aan vertoon. Kaapse studenten in Nederland vragen om een extra groot diploma of bul „want de Engelse autoriteiten zijn daar zo gevoelig voor”. Trouwens niet die alleen. Weten wij niet van een hoogst verdienstelijken landgenoot die nimmer een „lintje” had gewenst, wiens functie hem in internationale comlté’s bracht en die als enig niet gedecoreerde, niet ontkdmen kon aan een besef van minderwaardigheid in het oog dier anderen? Waarom wij dit schrijven? Omdat naar wij menen: de schilderachtigheid van een uniform als dat der gouden rijders, het kleurrijke van de tooi der hoge militairen mede een rol spelen in het betreurenswaardige feit, dat leger en vloot op de voorgrond treden bij officiële gelegenheden. Wat zeker geen rechtvaardiging is van het verschijnsel. En dit te minder omdat het on tegenzeggelijk tot oorlogsgevoelens opwindt. I

I Toen wij in ’23 op de grote markt te Elsenach getuige waren, bij opwindende krijgsmuziek, van het overbrengen der in de oorlog gehavende vaandels naar de Wartburg, kwam vanzelf de vraag tot een der omstanders ons op de lippen: ~Bereidt gij een nieuwe oorlog voor?” I

ALLE EENDJES ZWEMMEN IN HET WATER

Vragen wij ons af, waarom vertoon’) ons hindert, ja vaak een ergernis is, dan ligt het antwoord voor de hand; het gevaar schijn voor wezen te houden, wordt er sterk door vergroot. En omdat nu eenmaal ons oog het meest tyrannleke onzer zintuigen is, hoede men zich ter dege voor uiterlijkheden. Men zie echter in meer of minder gevoel voor deze dingen geen teken van meerder- of minderwaardigheid van het ene volk boven

het andere. Alle Oosterse volken bv. ook die van een zeer oude echte cultuur, zijn prachtlievender .dan de Westerse. Een der redenen waarom onze Koningin nooit in Indië is geweest, zou immers wezen, dat haar waardigheid een schittering van weelde zou eisen, die boven de macht en de aard gaan zou van een eenvoudig volk als het onze? En al blijft het geraden, naar de gevels van de huizen, het geluk er binnen niet te schatten, zeker is, dat ons volk met zijn nuchtere aanleg, zijn aard verloochenen zou, als het zich liet meeslepen door do verheerlijking van het ogenschijnlijke die in de lucht zit. Of de dwingelandij van het oog ooit geheel kan overwonnen worden, betwijfelen wij. Maar waaraan wij niet twijfelen, is ons vermogen om wat er het meest op aankomt, vóór alles te laten gelden. Ware het pacifisme van het genoemde echtpaar diep geworteld geweest, dan zou hun geestesoog een wereld aanschouwd hebben, waarbij alle vreugden van hun lichamelijk oog als waardeloos zouden verbleekt zijn.

Waarom wij op een en ander de aandacht vestigen?

Omdat er troost ligt in de overweging, dat andere oorzaken dan de verheerlijking van het militarisme, aan leger en vloot een vooraanstaande plaats geven bij Volksfeesten.

E. C. KNAPPERT.

’) Een onzer hoogleraren die jaren lang in Engels-Indië en met name in Bengalen had doorgebracht, ontnuchterde ons in dubbele zin: „Zo kleedde niemand zich daar. De dichter-wijsgeer zou dit kleed voor zijn bezoek aan Europa hebben laten maken!

’) Wij vermijden de uitdrukking „Uiterlijk vertoon”, omdat Charivarius dit zeker met de term „pain de luxe-brood” zou brandmerken.

AANHEF

Van heuvel tot heuvel gaat een schalmeiën, — een heldere inzet, een dagbegin — van heuvel tot heuvel gaat een schalmeiën, bergen en hemel sluiten het in.

Zwelt er een tegenroep in de valleien?

Donkerte huist in het dal daar beneden; schaduwen tusschen de wanden der boomen

ritselt het water, een prevelend stroomen vochtiger klank in het dal daar beneden.

UI is de morgen en fonk'lend de landen; schuivende bundels van licht, dat gaat breken

trekken voorbij, tot hun vluchtende randen glijdend in 't nevelig dal zijn ontweken.

Zwerft daar een weerglans in donkerder streken?

Wereld, gevat in dit zuivere dagen, wisselspel over de glooiende landen.

lokt gij de sluim'rende fluit in mijn handen? Wat wordt mij nader en nader gedragen?

Zal ik het vinden, dit prille beginnen, stijgende inzet, waarbinnen zich even

in een bewegend schakeeren, een zweven, lichtend verraadt, wat ik spelend zal winnen?

Los uit den donkeren oorsprong, geheven, vormt zich de toon in een tint'ling, een beven

slaat het tot melodie, wordt het tot leven, vrij naar het licht van de heldere morgen.

Stralende aanhef, wat houdt ge geborgen?

IDA G. M. GERHARDT.