is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 50, 24-09-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maurice en Kingsley

VII

Maurice en Robertsen

In 1851 werd in Londen de eerste wereldtentoonstelling gehouden. Dit gaf den predikant Drew van St. John’s Church, Charlotte Street, aanleiding om speciale Zondagavonddiensten te organiseren ten gerieve van de arbeiders, die de tentoonstelling kwamen bezoeken. Tot degenen, die voor het vervullen van een dergelijke dienst waren uitgenodigd, behoorden zowel Maurice als Kingsley. Op verzoek van Drew bezocht de eerste ook Frederick William Robertson in zijn woonplaats Brighton om hem te vragen, of ook hij bereid was één ervan te leiden, welke vraag bevestigend werd beantwoord.

Deze Robertson, een jeugdig geestelijke, twee jaar later op 37-jarige leeftijd gestorven, was in die dagen wellicht de eminentste prediker van Engeland. Pfleiderer stelt hem blijkens zijn uitspraak in zijn boek over de protestantse theologie in Duitsland en Engeland in zekere zin nog hoger dan Maurice en Kingsley:

„Naast hen staat, als gelijke in karakteradel, als grotere aan rijkdom en diepte van geest, de vroeg tot ontwikkeling gekomen predikant Frederick Robertson.”

Na zijn dood zijn Robertson’s preken verzameld uitgegeven, welke uitgaven door verschillende goedkope edities zijn gevolgd. Zo zijn ze zowel bij Tauchnitz als in de Every Man’s Library verschenen, wel een bewijs, hoevelen er geestelijk voedsel in vonden. In de laatstgenoemde uitgave vindt men een aanbeveling van Canon Samuel Barnett, den stichter van het grote volkshuis Toynbee Hall in Londen. Deze schrijft, hoe wijd en zijd over de wereld de preken van Robertson bekend zijn geworden. De directeur van een groot Japans College had hem verteld, dat hij de gewoonte had om telkens één van de preken aan zijn studenten voor te lezen. Jan Maclaren, de bekende Schotse schrijver, had in de inleiding van een vroegere editie o.a. medegedeeld, dat een Amerikaans officier ze in de Vrijheidsoorlog altijd bij zich droeg ‘) en een preek van Robertson werd aan de gehele bemanning van een schip voorgelezen, toen het dreigde te zinken.

Robertson was de man, die de durf had te staan op de plek, welke zijn geweten hem aanwees. Enerzijds werd hij bejubeld, anderzijds verguisd, maar zijn houding werd slechts bepaald door wat hij zich door God zag voorgeschreven. Hij behoorde tot de mensen, die zien, dat een zaak twee kanten heeft, maar ontsnappen aan het gevaar, waartoe deze gave dikwijls leidt, een middenman te worden. Veeleer zocht hij naar een op hoger plan gelegen synthese. Zonder zich bij de Christen-socialisten aan te sluiten Integendeel hij rekende zich tot de bestrijders van het socialisme was hij de zaak der arbeiders zeer toegedaan. Het maatschappelijk vraagstuk woog hem zwaar.

Op 15 Juni 1851 preekte hij in St. Johns over het onderwerp: „De boodschap van de kerk tot de rijken”. Zijn tekst was ontleend aan het verhaal van Nabal en David uit I Sam. XXV. Het speelde in de dagen, dat David nog een vrijbuiter en bendehoofd was. De genoemde Nabal was een vermogend grootgrondbezitter aan de Karmel. Zijn kudde telde een drieduizend schapen en een duizend geiten. In de tijd, dat de schapen geschoren werden, zond David Nabal een van zijn volgelingen. Hij en de zijnen leden honger en waren uitgeput. Daarom liet hij nu het verzoek tot Nabal richten hen van het nodige te voorzien, waarop het antwoord van Nabal de eigenlijke tekst luidde: „Wie is David en wie is de zoon van Isaï? Daar zijn heden vele knechten, die zich af scheuren, elk van zijnen heer. Zou ik dan mijn brood, en mijn water, en mijn geslacht vlees nemen, dat ik voor mijne scheerders geslacht heb en zou ik het den mannen geven, die ik niet weet vanwaar zij zijn?” (vs. 10—11). David en de zijnen hadden Nabal en zijn kudden geen stroobreed in de weg gelegd, integendeel ze beschermd. David meende recht

) In de wereldoorlog schijnt Pascals Pensées bij vele Franse soldaten deze plaats te hebben mgenomen, zie Jacques Chevalier „Pascal”, p. 91.

te hebben op hulp en vroeg het bescheiden. Het antwoord was hooghartig, afwijzend en beledigend.

Het zou de moeite lonen de inhoud van de preek uitvoerig weer te geven, maar teveel ruimte van „Tijd en Taak” in beslag nemen. Twee onderwerpen werden er in uitgewerkt: de oorzaak van de onjuiste maatschappelijke toestanden en de boodschap van de kerk tot de rijken. Het leugenachtige van de sociale toestanden zag Robertson allereerst hierin, dat rijkdom het recht geeft om de lager op de maatschappelijke ladder staanden te overheersen. Toen David de boodschap van Nabal in ontvangst nam, gaf hij het bevel: „Een ieder gorde zijn zwaard aan.”

Robertson maakte er attent op, hoe verschillend de houding van David tegenover Nabal van die tegenover Saul was. Van Koning Saul had hij ook veel onrecht ondervonden, maar Saul was de gezalfde, was met goddelijk gezag bekleed. Nabal was alleen maar rijker dan hij.

„Noem de tekst”, aldus Robertson, ~waar Christus voor rijkdom of stand eerbied vraagt.” Dat was het valse in de sociale toestanden, dat Nabal eerbied verwachtte voor zijn rijkdom. Aan dezelfde fout maakten zich volgens Robertson de werkgevers schuldig.

De tweede oorzaak van de ongezonde sociale toestanden was gelegen in het volkomen foutieve begrip dat men ten aanzien van rechten had. Nabal had volgens de algemene moraal volkomen het recht om met het zijne te doen wat hij wilde. Zo spraken ook de werkgevers en zo kwamen de rechten van de arbeid met die van het bezit met elkaar in conflict.

Als laatste oorzaak van de slechte toestanden noemde Robertson de maatschappelijke omstandigheden van de enkelingen. Naast de waarheid, gelegen in de uitspraak, dat misdaad tot armoede leidde, zoals vele zedemeesters predikten, moest men ook leren inzien, dat armoede tot misdrijf voerde. En nu de boodschap van de kerk tot de rijken: het waren vooral drie dingen, welke Robertson hierbij naar voren bracht:

le. de geestelijke waardigheid van den mens als mens;

2e. de wet der zelfopoffering. Tegen beide had Nabal gezondigd.

De derde boodschap betrof een rechtmatige medezeggenschap. „De maatschappij, die komende is, is er geen van bescherming en afhankelijkheid, noch één van een geheimzinnig gezag en blinde gehoorzaamheid, evenmin één, waarin de ene klasse bevoorrecht zal zijn door goddelijk recht en de andere onder eeuwige voogdij zal staan, het is er één, waarin onzelfzuchtige diensten en persoonlijke hoedanigheden bij goddelijk reCht dankbaarheid en bewondering zullen wekken en een waarachtig en geestelijk leiderschap zullen verzekeren. Laten de rijken de tekenen der tijden niet verkeerd uitleggen of hun broeders niet misverstaan; deze hebben minder en minder eerbied voor titels en rijkdom, voor ambtskleding en kerkelijke pretenties; maar zij hebben een werkelijk respect voor meerdere kennis en meerdere goedheid; zij luisteren als kinderen naar degenen, van wie zij geloven, dat deze iets beter weten dan zijzelf.”

De volgende Zondag zette Robertson de behandeling van dit onderwerp voort aan de hand van Lucas XII vs. 13—15. Een man verzocht hem er bij zijn broer op aan te dringen de erfenis met hem te delen, die deze blijkbaar voor zichzelf behield. Maar Jezus antwoordde: ~Mens! wie heeft mij tot een rechter of scheidsman over U gesteld Ziet toe en wacht u voor de gierigheid.”

Christus geeft beginselen aan, maar de practische toepassing moet elders gevonden worden. Christus verdeelt geen erfenissen, maar waarschuwt: wacht U voor de gierigheid. Fel was de reactie op deze beide preken. Heftig werd hij ook in de pers aangevallen. Welk een euvelmoed de rijken te wijzen op hun plichten. Robertson behoorde ook tot de gehate Christen-socialisten, die oproerkraaiers.

Er bestond wel enige aanleiding voor dit misverstand. De week tevoren had Maurice in St. John’s gepreekt en een week later deed Kingsley het. Bovendien was het hoofdkantoor van de Society for promoting Working Men’s Associations toevallig in de Charlotte Street, juist tegenover St. John’s Church gelegen.

En welke indruk maakte dit geschrijf op Maurice? In de levensbeschrijving van Robertson treffen wij een brief van Maurice aan, gedateerd 26 Juni 1851, van de volgende inhoud:

„Mijn waarde heer Robertson,

Ik vrees in hoge mate, dat ik mij de vrijheid veroorloofd heb te vergeten, in welke pijnlijke situatie ik U door mijn bemiddeling gebracht heb. Sedert ik U gisterenavond zag, houdt mij de gedachte steeds bezig, dat wij Uw invloed kunnen hebben verzwakt en bijgedragen hebben tot het ongunstige oordeel, dat sommigen over U vellen door U in verbinding te brengen met ons en onze impopulariteit. Ik voel mij diep beschaamd over de ijdelheid en onjuistheid van het voorstel onze preken gezamenlijk te laten drukken, dat mij plotseling in de geest kwam en waarvan ik pas later inzag, hoe daardoor U onrecht zou worden aangedaan. Ik kan U alleen vergiffenis vragen, dat ik U in verleiding heb gebracht deel te nemen aan een werk, waarvan ik nooit verondersteld heb, dat het zou aflopen, zoals het deed. Indien gij er geen bezwaar tegen hebt, dan denk ik een rustige brief aan de redactie van de „Daily News” te schrijven, waarin ik het volle recht erken om alles over de Christen-socialisten te schrijven, wat zij willen, maar hen verzoek, uit een algemeen oogpunt van gerechtigheid, U niet met ons te verwarren, waar gij U zelf nimmer bij zulk een naam genoemd hebt, en Uw preek noch socialistisch noch high Church in de gebruikelijke zin van het woord was, maar wat zij zelf zouden belijden een vrije (liberal) en een mannelijke uiting te z;ijn. Weet gij een betere weg van handelen aan te geven, of wenst gij, dat ik deze weg niet zal betreden, ik zal doen wat U aangenaam is; in allen gevalle, laat mij mogen verklaren, hoezeer het grote genoegen U te hebben ontmoet en met U te hebben kennis gemaakt vermengd is met pijn over de gedachte U meer dan ooit te hebben doen gevoelen de splitsing en verwarring in de kerk”.

Het is een heel grote kunst zich in een ander te verplaatsen zonder naar eigen gevoelens te vragen, vooral als wijzelf in een zaak betrokken zijn. Die kunst verstond Maurice in hoge mate. Ook daarom is mijn eerbied voor hem zo diep geworteld.

M. J. A. MOLTZER

Boekbespreking | 111111111111111111111 iiiiiiiiiiiiiiiiiiiil M

Emïl Brunner, „Het Woord Gods en de moderne Mens”. Vert. door P. G. van den Hooff. W. ten Have, Amsterdam. 138 blz.

Men moet wel de Christelijke terminologie verstaan, om dit boekje te kunnen waarderen. Ik neem betrekkelijk willekeurig een zin: de schrijver handelt over de gedachte, dat de mens geschapen is naar Gods beeld en zegt dan dat de zin daarvan is „het op Gods Woord antwoordende, het uit de liefde en tot de liefde zich verantwoordende zijn”. Ik heb deze zin eens voorgelezen (met de daarbij behorende pericoop) aan een jongen man van 25 jaar uit een onkerkelijk milieu hij hoort de woorden wel, maar verstaat de zin ervan niet. Nu wil dit niet een verwijt zijn aan den schrijver, slechts een waarschuwing aan de lezers. Het is een inhoudsvol boekje voor wie de kerkelijke taal verstaat. Ik vrees, dat het voor anderen een gesloten boekje blijft. W. B.

Frank van Duin: Reggie’s reportages. Uitg. H. Meulenhoff, A’dam, 186 blz. Ing. ƒ 1.20, geb. / 1.95.

Nachtelijke tochten in een motorbootje over het IJ, om een diamanten-smokkelenden Chinees te pakken te krijgen, een spookgeschiedenis met klopgeesten in de Jordaan, een tocht in een luchtballon, terwijl een onweer komt opzetten en losbarst, een wandeling met wat er bij hoort door een kolenmijn, een nachtelijke race op een motor achter een auto met dieven en gestolen juwelen, als dat geen stof is voor een sparmend jongensboek, dan weet ik het niet.

Spannend is Reggie’s reportages dan ook in hoge mate, hopelijk nog spannend genoeg voor jongens, die met spanningen overvoerd worden. Tot sensatie wordt in dit boek de spanning nooit en onderdehand krijgen de lezers nog een aardige kijk op het grote krantenbedrijf. In z’n soort spannende boeken voor grote jongens maakt dit boek dunkt me een goed figuur, maar „grote” jongens, die nog niet aan de lectuur voor volwassenen toe zijn, zullen toch wel es verlangen naar boeken, die wat dieper grijpen dan techniek en detective en snelheid, al wordt dat tot nog zo’n boeiend geheel gecombineerd. H. B. S.