is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 3, 21-10-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenland

Trouw aan de nationale ontwapening

Men kan in den laatsten tijd telkens twijfel opmerken aan het goed recht van den eisch der nationale ontwapening. Toe* zijn de gevoelsargumenten en de politieke, strategische en financieele argumenten, waarop hij rust, nog even sterk als vroeger. De rede, waarmee eens Sannes de nationale ontwapening op het Partijcongres inleidde, en de beide voortreffelijke brochures van Prof. van Embden zijn in geen enkel opzicht verouderd. Er is thans meer oorlogsgevaar; maar wij hebben dien eisch niet gesteld in de meening, dat er zeker nooit meer oorlog zou komen. Moeten wij ons door Hitler laten dwingen, dien eisch prijs te geven? Moeten wüj, nu ook in ons land het socialisme feller aangevallen en bedreigd wordt, tot geweld ons toevlucht nemen en daarom een arbeidersweer gaan vormen?

Met veel instemming lazen we in het laatste nummer van „De Sociaal-Democraat” deze woorden van Mr. van Eek: ~Ons socialistisch geloof moet ons de kracht schenken, aan de neiging, met het oog op mogelijke fascistische geweldbedreigingen ook tot wapening over te gaan geen gevolg te geven. Trouwens elke stap in de richting van geweldpolitiek vergroot het fascistisch gevaar”.

Wij zien thans overal het vechtinstinct zich roeren; iedere hand is licht geneigd, om te slaan, waar gevaar dreigt. Aanval en verdediging zijn hierbij moeilijk te onderscheiden. Het gaat thans immers bij herrie en heibel als in den volkenoorlog; beide partijen beschuldigen elkaar, begonnen te zijn. Fascisten noemen de anti-fascisten de aanvallers en omgekeerd gebeurt hetzelfde. Wij bedoelen niet, dat in onze eigen rijen de geestdrift voor de nationale ontwapening verzwakt of verdwenen is door de ontwaking van een ruwen knokkist. Hier zijn ook overwegingen van een hoogere orde in het spel. Maar wel zien we in grootere en kleinere kringen toenemen de neiging, om zich op geweld gereed te maken en des noods ook het te gebruiken. De gevoelsargumenten voor ontwapening zijn verzwakt of kunnen althans bij sommigen niet meer tegen de argumenten voor geweld opwegen. De gedachte, dat Hitlerbenden ons land zouden binnenvallen, wekt den lust, om naar de grenzen te snellen, om met hen af te rekenen. We staan nu vrijwel machteloos tegenover al het onrecht en al de wreedheid van het Hitlerbewind; dan zouden wij in dienst der wrekende gerechtigheid erop los kunnen slaan. De nat.-socialisten in eigen land zijn ons een voortdurende ergernis, ze verbitteren ons door hun poeha-gedoe, hun snorkerij en opgeblazenheid, hun woordgedaver en geschetter, hun dreunenden overwinnaarsstap, hun valsche bestrijding van het socialisme. Onze handen jeuken, als we lezen van hun vergaderingen of hen als redders des vaderlands zien pareeren. Wij beginnen aan een niet ongevaarlijke stemming te lijden, die een overigens verstandigen en goedigen vader soms in ongeduld of drift zijn jongen doet ranselen. Een goed kenner van Japan, de Engelsche prof. O’Conroy beschuldigt in een boek over dat land de Japanneezen van „militaristische hysterie”. Hij noemt dien waanzin Kodo. Shaw heeft gezegd, dat Kodo niet alleen in Japan heerscht. Hij ziet in Kodo een groot gevaar. Indien het tot vechten komt, beteekent dit het eind van onze beschaving. Hij wil Kodo wegspotten en belachelijk

maken. Zelf hanteert hij dat wapen voortreffelijk en het is zeker een scherp wapen. Maar het is niet het eenige. Een ernstige waarschuwing heeft ook waarde. En als onder ons getwijfeld wordt aan de zaak der nationale ontwapening, mogen wij onszelf wel eens ernstig onderzoeken en af vragen, of wij wel geheel vrij zijn van Kodo, van den drang naar geweld, die ook door vrees gewekt kan worden.

Sodalist-zijn

Socialisme is geen goeie Sinterklaas, die vele mooie geschenken zal brengen, als men maar zoet zijn contributies betaalt en rood stemt. Het is een strenge meester, die veel werk opdraagt en voortdurend vele diensten eischt. Het lidmaatschap van Partij, het bij wonen van vergaderingen en betoogingen, het stemmen op roode candidaten, dat alles maakt nog niet den socialist. Men moet gegrepen zijn door het socialistisch ideaal en dat als een heilig ideaal gehoorzamen en dienen; het moet een licht, een geest zijn, die door het heele leven heenstraalt, We hebben niets aan hen, die verklaren „eigenlijk” ook socialisten te zijn. Maar het socialisme wordt ook niet gebaat door hen, die hun organisatieplichten trouw waarnemen, maar in het gewone leven zich in niets van anderen onderscheiden. Socialisme moet ook levenshouding zijn. Mr. van Eek zegt het zeer juist in een artikel over socialisme als levensbeginsel:

„Wil het socialisme de kracht bezitten, om de wereld te veroveren, dan moet het voor ons socialisten meer zijn dan een politiek stelsel, dan moet het zijn een levend geloof, dat onze persoonlijkheid, onze gansche levenshouding beheerscht.”

Daarom eischt Mr. van Eek ook zelfopvoeding tot socialistische persoonlijkheid. De socialist moet al vast beginnen zich geestelijk van het kapitalisme te bevrijden. Er ligt groote kracht in het levende voorbeeld. Zoo heeft men van een predikant kunnen zeggen, dat zijn beste preek was zijn leven en omgang met de menschen buiten de kerk. Voor Mr. van Eek is het socialisme de maatschappij der toegepaste menschenliefde. Maar men mag met die toepassing niet wachten, totdat het socialisme gekomen is. Terecht verklaart van Eek: „Socialisten, die in hun persoonlijk leven de menschenliefde dienen, die wonen en werken te midden van velen, aan het socialisme vijandig, omdat het hun onbekend is, kunnen door hun persoonlijke gedragingen een krachtige propaganda voeren voor het socialisme.”

Wanneer het socialisme zoo tot levenszaak wordt en de socialist zich als gemeenschapswezen gedraagt, zal het veel grootere innerlijke kracht bezitten. Onze tegenstanders beweren wel, dat de mensch in den socialist verloren gaat; wij moeten juist het tegendeel aantoonen, dat de mensch als socialist wint, waardiger en menschlievender is. Terecht oordeelt Mr. van Eek ook, dat het socialistische saamhoorigheidsgevoel eenvoud in de levenswijze eischt, zoolang zoovelen het allernoodigste moeten ontberen.

Men zou kunnen vragen, of er dan bijzonder socialistische levensbeginselen zijn, of de christelijke levenspraktijk naar den geest van Christus’ geboden dan niet voldoet. Die vraag bewijst, welk innig verband er tusschen socialisme en Christendom is.

Versobering

De inlander kan van 2i cent per dag leven en vaart er wel bij. Het begint te naderen tot de soberheid van Boedha, die van één rijstekorrel daags leefde. Het ge-

middelde jaarinkomen van een Javaansch gezin wordt thans op niet meer dan ƒ 120 a ƒ 150 geschat. Een pinkster in de theetuinen verdient tegenwoordig voor een dag werken veelal nog geen dubbeltje. De arbeidsloonen zijn in Japan, het eldorado van goedkoope werkkrachten, belangrijk hooger dan op Java. Zoo deelt de correspondent der „N.R.Crt.” uit Batavia mee. Daar is men dus met de versobering ook ver gevorderd. In ons land moeten wij nog soberder worden In een hoofdartikel behandelt de „N.R.Crt.” het vraagstuk der ambtenarensalarissen. Die zullen zeker nog eens een korting ondergaan. Maar de „N.R.Crt.” wil geen gelijke korting. Er zijn thans salarissen, die reeds zonder korting te laag zijn. Bij de bestaande salarisregeling wordt te weinig rekening gehouden met intellect en verantwoordelijkheid. Het soc-democratische nivelleeringssysteem is in de salarisschalen doorgedrongen; dat moet verbeterd worden. Bij die nivelleering (gelijkstelling) is het salaris der hoogste ambtenaren toch nog twee- driemaal hooger. Maar de „N.R.Crt.” wil nog grooter verschil. Daarom moeten de lagere salarissen aangepakt en de hoogere ontzien worden. Dit dagblad schijnt de kleine ambtenaren en de arbeiders nader tot het Indische levenspeil te willen brengen. Daarom, raadt het ook een radiobelasting aan. Met een belasting van vijf gulden per jaar, zou de schatkist waarschijnlijk 2i millioen winnen. De radio is immers niets anders dan „een modern luxe- en vermaak-middel”. Men zou de korting op de salarissen kunnen verlagen, als er een radiobelasting werd ingevoerd en ondertusschen een nieuwe salarisregeling ontwerpen met beter financieele waardeering van intellect en verantwoordelijkheid.

De radio is inderdaad een luxe- en vermaakmiddel. Maar in menig arbeidersgezin is zij tevens onmisbaar geworden. Daar brengt de radio fleur in de soberheid van levenswijze en huisinrichting, muziek in het leven van tobben en zwoegen. Daar luistert men met meer aandacht dan bij de gegoede burgerij naar orkest en zang en menige lezing en preek. Daar vult de radio het groote tekort aan ontspanning en ontwikkeling eenigszins aan. Daar bekrimpt men zich om toch maar bij de Centrale aangesloten te kunnen blijven en wekelijks de kleine bijdrage te betalen. Voor een deel der radiobezitters is een belasting van vijf gulden per jaar geen groot, althans geen onoverkomelijk bezwaar, maar voor de meeste arbeiders wel. Als dat er nog bij komt, dan moeten zij weer naar de eentonigheid en stilte in hun huis van vroeger terug.

Men kan veel kwaad zeggen van de radio, dat zij slechts een surrogaat van wetenschap en kunst geeft en het leven nog meer vermechaniseert enz. Maar men vergeet dan, dat het beter is een voldoende, in vele opzichten zelfs een goed surrogaat dan in het geheel niets te krijgen. Dat gaat men door een belasting ook nog aan de arbeiders ontnemen. De lage salarissen vooral omlaag, de loonen omlaag, de steun omlaag en het instrument, dat nog wat vreugde brengt, weg, zoo versobert men en kweekt men arbeiders, die versuffen of verbitteren, slaven of woestelingen. Maatschappelijke gerechtigheid eischt, dat de last van de bezuiniging en versobering niet het meest op de zwakken maar op de sterken zal drukken. De „N.R.Crt.” wil juist het tegendeel. Wie kweekt eigenlijk den boozen geest van revolutie, jaagt de menschen naar de partijen der uitersten, fascisme en communisme?

J. A. BRUINS Jr.