is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 4, 28-10-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenland

De radiocensuur

A 1 naar ons temperament is, heeft de radiocensuur in de laatste jaren stof tot ergernis of vermaak gegeven. Maar de ergernis begint steeds meer te overheerschen. Dat alleen reeds de wijs van de „Internationale” gevaar kan opleveren voor de openbare orde en de veiligheid van den Staat, zooals de contróle-commissie heeft uitgesproken, geeft rijke stof tot ironie. Vooral als men bedenkt, hoe er gewoonlijk naar dit slot van de V.A.R.A.- uitzending geluisterd wordt. Wij kunnen de gewoonte, om een avond van muziek, hoorspel, voordracht te besluiten met Internationale of Wilhelmus niet bewonderen. Hoe vaker men een wijs hoort, des te minder men luistert. Zoo tegen twaalf kan men dan ook in menige huiskamer een slaperige stem hooren bij de eerste tonen van Internationale of Wilhelmus: Kom. man, zet dat ding nou af, we moeten naar bed. Dat laatste nummer kennen we wel! Zoo dient de Internationale dus de rust, in plaats van die te verstoren!

Wij hebben in Juni op bevel van de contróle-commissie een gekuischte of getemde Internationale gekregen. Bij declamatie moesten de „ergste” regels weggelaten worden. Aan de melodie valt nu eenmaal niet te veranderen. Wij kregen dus een kalmere editie van ons strijdlied. Er zijn meer strijdliederen uit bewogen tijden en harten met uitingen van revolutionairen hartstocht. Dat geldt van de Marseillaise, het Lutherlied, menigen Psalm. Maar al werd een heel program met de meest wilde en vurige liederen gevuld, dan zou de openbare orde en veiligheid van den Staat daaronder nog niet lijden. De Internationale werkt veel meer opwindend, als ze opbruist uit honderden harten in een volle zaal, wanneer de geestdrift dit lied uit de keel doet wellen, dan wanneer ze uit den luidspreker in een rustige huiskamer een herinnering is aan bedtijd.

Heeft de A.V.R.O. het laatste woord, dan "wordt per gramofoonplaat het Wilhelmus uitgezonden tot besluit; meestal na het: Goede nacht en wel te rusten! van den omroeper, die ook wel naar bed wil. Het Wilhelmus is ook niet precies een wiegeliedje. Daar slaan de vlammen der opstandigheid ook uit. De geest van dat lied was eens gevaarlijk voor de openbare orde en de veiligheid van den Staat, waarvan Filips II het hoofd was en waartoe ook de Nederlanden behoorden. Zou de contrólecommissie aan alle omroepen niet een wenk kunnen geven, om het program te eindigen met het lieve, zoete: Slaap kindje, slaap, daar buiten loopt een schaap!

Maar hoe mal de beslissing der controlecommissie in zake de Internationale ook is, zij ergert ons, als een inbreuk te meer op de geestelijke vrijheid, die juist in den aether veilig kan worden toegelaten, daar men door een kleinen draai aan een knop zijn huiskamer beveiligen en van alle onwelgevallige klanken kan zuiveren. Dit is maar een begin, een kleine overwinnig van hen, die de Internationale geheel willen verbieden, den geest, waarvan het lied getuigt onderdrukken en den strijd, waartoe het opwekt, tegengaan. De vrede vindt nergens plaats en de vrijheid wordt ook steeds meer verjaagd. Zelfs in ons land, waar ieder getuigt haar zoo lief te hebben, wordt zij steeds meer in een hoekje gedrongen.

Drift en instinct tegenover wil en geest

Wanneer een sociaal-democraat critiek uitoefent op zijn partij en beweging, kan hij rekenen op applaus bij de tegenstanders. Duys is door zijn brochure tot een staatsman met vooruitzienden blik geworden voor de burgerlijke pers, die vroeger ietwat anders over hem oordeelde. G. v. Veen met zijn grillige, critische uitvallen wordt geprezen als een moedig en zelfstandig man, een man, die niet aan den leiband loopt, geen slaaf van de „dogma’s” der partij, maar de vriend, die ze haar feilen toont, ook al hebben zijn partijgenooten daarin geen groot behagen.

Wat hij over de groote emotionaliteit (lichtbewogenheid, hartstochtelijkheid) der Duitschers en in verband hiermee ook over de socialisten hier in het tijdschrift „Het Kind” heeft geschreven, is in vele andere bladen overgenomen. Hij wijst erop, dat het klavier der volksconscientie in Duitschland met de vuist wordt bespeeld. „Hitler heeft zich op dit klavier een geweldige paukenist getoond. De communisten hebben met dezelfde methodes gewerkt en de sociaal-democratische marxisten evenzeer.”

Het muzikale beeld is nog al raar; een klavier wordt ook in de meest moderne muziek toch niet met pauken bewerkt! Ook achten wij het niet juist hier van volksconscientie ((geweten) te spreken, beter is hier volksgevoel, dat is het gevoel van bitterheid en vernedering en onrecht. Hitler en zijn tegenstanders vergelijkt v. Veen bij pot en ketel. „Pot en ketel zijn beiden door denzelfden roodgeelrooden gloed van haat en geweld overtogen, ook al kennen pot en ketel in eigen kring dikwijls de roerende overgave der toewijding.”

Bij allen de emotioneele afdwalingen. Het is: Leve de ziel, weg met het verstand! Remmen op het instinctieve leven worden steeds meer voor ouderwetsch gehouden. Emotionaliteit is een gave; zij moet het leven activeeren (tot beweging en daad drijven). Maar dan moet ze van het primitieve driftleven gezuiverd worden; is ze dat niet, dan stelt ze zich in dienst van den duivel.

„Mijn partij beraadt zich op een hernieuwing van haar tactiek. Moge zij de kracht vinden het driftleven in haar uitingen tot redelijk peil terug te dringen en o.a. ook de eenheid met ons volk terug te vinden.”

Wat G. V. Veen hier schrijft, klinkt diepzinniger, dan het is. Onder ons treedt hij telkens op als de flapuit, die op ongelegen oogenblikken en zonder iemand te ontzien raak praat. Maar het is niet altijd raak en zeker niet in dit geval. Hij spreekt een belangrijke waarheid uit, dat drift en instinct geleid moeten worden door redelijkheid en zedelijkheid. Het socialisme heeft andere drijfkrachten noodig dan haat en zelfzucht. Maar men kan den klassenstrijd ook voeren uit andere motieven. En juist de redelijkheid van zijn willen en de zedelijkheid van zijn eischen heeft velen tot het socialisme gebracht, die persoonlijk geen reden hebben, om te haten en te vechten tegen een andere klasse. In de socialistische beweging uit zich het driftleven soms wel ten kwade; maar het is gelukkig niet waar, dat zij daardoor overheerscht wordt, dat de pot even roodgloeiend zou zijn van haat en geweld als de ketel. De socialistische beweging mag, vergeleken bij het nationaal-socialisme, geprezen worden als door rede en geweten beheerscht. Ook de sociaal-democratische marxisten hebben nooit aangehitst tot gruwelen tegenover hun tegenstanders.

zooals de Hitlerbenden in Duitschland gepleegd hebben.

De waarschuwing tegen wilde driften en instincten als een vuur, dat geen warmte en kracht geeft maar verteert, past vooral in dezen tijd aan allen. Maar de manier, waarop Van Veen zijn eigen partij en beweging hier de les leest, alsof zij op het punt staan, in het vuur vernietigd te worden, is niet nobel noch verstandig. Men geeft zijn eigen broer of zoon geen standje, hoe ook verdiend, in het huis van anderen, vooral niet als men weet, dat die er pleizier in zullen hebben; ook niet verstandig, want Van Veen, die zoo gaarne psychologische wijsheid uitdeelt, moest toch inzien, dat hij zijn doel niet bereikt en zijn vrienden niet overtuigt door spotternij als zijn parodie: Een kind van Marx den Ouwen was ick van Duitschen bloet. Het Vaderland benauwen, dat kan ick seltsaem goet

Stuurloos

Prof. Einstein heeft kort geleden, sterk onder den indruk van de verdrukking van het Joodsche volk, waartoe hij behoort, door het Hitlerbewind, zich afgewend van zijn radikaal antimilitarisme en verklaard als Belg den militairen dienst met volle geweten te zullen aanvaarden, in het besef aldus bij te dragen tot de redding der Europeesche beschaving. In het Roomsche blad „De Nieuwe Dag” wordt over deze verandering van zienswijze smadelijk geschreven. De stelligste uitspraken der moderne heidenen, die allen bij eigen inzicht, gevoelens, belangen zweren, zijn niets anders dan eendagsvliegen. Daar heb je den genialen Einstein. Discipel van hen, die het: een god en geen meester schreven. Geleerde van wereldnaam. Als h'_ sprak, hing het halve menschdom aan zi,y lippen. Schutspatroon van de dienstweigeraars. Nu is echter Einstein uit Duitschland gebonjourd vanwege de vreemde smetten in zijn bloed. Daar gaat de opinie van deze geleerde. Ineengezakt als een mislukte pudding. De eerste onaangenaamheid deed hem compleet omzwaaien. Wat een stakkers toch die stuurders zonder stuur. Dat zijn de menschen, wier overtuiging niet wortelt in „de eeuwig-onveranderlijke beginselen van geloof en godsdienst”.

Dat is geen stuurloos geschrijf, want het wordt stevig bestuurd door kwaadaardigheid. Kwaadaardigheid, die geen rekening houdt met de waarheid. Einstein is geen aanhanger van de leer: Geen god en geen meester. Zijn wijsgeerige denkbeelden over heelal en leven leiden tot de erkenning van een kosmische kracht, al past deze in geen enkele geloofsleer en kan ze niet tot een Godsvoorstelling worden. Hij is ook niet uit Duitschland weggejaagd. Men heeft daar alleen beslag gelegd op zijn geld. Zelf was hij reeds geruimen tijd in het buitenland. Hij is steeds meer wereldburger dan Duitscher geweest. Dan heeft het hem zeker zelf veel strijd gekost, voordat hij zich in zeer bijzondere omstandigheden voor den militairen dienst uitsprak. De verandering van inzicht moet hem pijnlijk zijn geweest. Maar deze Roomsche scribent smaalt erover. Alleen een overtuiging, geworteld „in beginselen van geloof en godsdienst” staat vast volgens hem. Hij heeft er zeker nooit van gehoord, dat in Duitschland zijn eigen geloofsgenooten eerst op grond van die beginselen het nationaal-socialisme verwierpen en het thans aanvaard, althans vereenigbaar met het Roomsche geloof hebben verklaard. Hij lette eens op een tafel vol ineengezakte puddingen in zijn eigen keuken! J. A. BRUINS.