is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 5, 04-11-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenland illlllllllllllillilll

Twijfel aan het concurrentie-beginsel

Dat het socialisme zal overwinnen, is voor ons een zekerheid; hoe het dit zal doen, is voor ons echter een vraag. Wij gelooven niet in „den grooten dag”, waarop de menschheid uit het wilde, gevaarlijke water van het kapitalisme zal komen aan den wal van een geluksland, waar vrede en welvaart, gerechtigheid en samenwerking overal zullen heerschen. De overgang zal niet sprongsgewijze geschieden. Schokken zijn bij dien overgang wel waarschijnlijk, maar deze zal zich over een lang tijdperk voltrekken. Zouden wij ons thans niet reeds midden in dien overgangstijd bevinden?

Men ziet tegenwoordig de grondbeginselen van het kapitalisme prijs geven door Jien, van wie men dit het allerminst zou verwachten. Socialistische beginselen dringen door tot hen, die het socialisme nog bestrijden. Voor den Rotterdamschen kring heeft dr. P. Lieftinck, secretaris van den Oeconomischen Raad, gesproken over de toekomst van het concurrentiebeginsei. De voorzitter dezer vergadering, mr. L. J. Hymans van den Bergh noemde het in zijn openingswoord opmerkelijk, dat velen, die in de streng liberale school zijn opgevoed, zich langzamerhand van die school afwenden en behoefte gevoelen, hun meeningen te herzien en erover nadenken, of alle grondslagen nog wel gehandhaafd kunnen worden. Dr. Lieftinck bracht in zijn rede aan het concurrentiebeginsei een vriendelijken afscheidsgroet en zei terecht, dat het een der groote drijfkrachten van alle ontwikkeling is geweest. Is geweest! Hij stelde toch de vraag, of dit beginsel blijvend de functie kan vervullen, die het nu heeft. De bloeiperiode van dit beginsel ligt achter ons. Onder de tegenwoordige omstandigheden toch, zoo merkte dr. Lieftinck op, schijnen er aan de handhaving van het concurrentiebeginsei veel nadeelen en maar weinig voordeelen verbonden. „De verspilling van krachten wordt zoo groot, dat de gemeenschap er schade door lijdt en in een tijd van crisis weegt dat extra zwaar, zoodat het niet behoeft te verwonderen, dat velen zich afwenden en aan het beginsel alle vertrouwen ontzeggen”.

Zijn dan wellicht de kwade gevolgen der concurrentie te voorkomen, door van overheidswege minimum-loonen vast te stellen en de koopkracht te versterken? Dr. Lieftinck antwoordt: „Het bezwaar ligt voornamelijk hierin, dat het gemeenschapsbelang niet gediend kan worden, omdat men het ondernemers-egoisme niet kan breidelen”.

Dr. Lieftinck weet niet recht, wat er moet gebeuren. Hij acht waarschijnlijk een ontwikkeling in de richting van georganiseerde bedrijfsgroepen, die de taak zullen hebben, om prijs en productie aan te passen aan de belangen der gemeenschap. Maar dan ziet hij de moeilijkheid, het bedrijfsegoisme te overbruggen.

Wij denken er niet aan, dr. Lieftinck zoo half en half tot de socialisten te rekenen. Maar in zijn beschouwing van het concurrentiebeginsel spreekt hij zich uit voor een ordening en eenheid en samenwerking tot het algemeen belang in het economische leven, die de grondbeginselen van het socialisme zijn. Zoo heet de macht, die tegenwoordig het socialisme het felst bestrijdt, nationaal-socialisme. Noemde zij zich nationaal-kapitalisme, dan zou zij weinig aanhang hebben. In het program der N.S.D.A.P. vinden we ook zuiver-

socialistische eischen. Zij zijn echter parade en behooren tot al het paradegedoe, waarmee het Duitsche volk voor een tijd betooverd is. Wat uiterlijk succes betreft, staat het socialisme er thans slecht voor; maar zijn beginselen en geest dringen door ook, waar men het niet verwachten zou.

De muilkorf

In tijden van hondsdolheid schrijft de overheid voor, dat alle honden een muilkorf zullen dragen. Er worden tegenwoordig in Nederland vele muilkorfmaatregelen genomen. De laatste is het besluit van den ministerraad, dat de ambtenaar zich zal hebben te onthouden van elke openbare actie tegen de overheid en haar beleid. Dit geldt den rijksambtenaren; maar provinciale- en gemeentebesturen zullen het voorbeeld wel volgen en hun mannen tot zwijgen en volgzaamheid dwingen. Er zitten ook rijksambtenaren in functie of op nonactiviteit in de Kamers. Naar het besluit van den ministerraad zullen ook zij zich moeten onthouden van elke openbare actie tegen de overheid en haar beleid. Waarschijnlijk is prof. mr. Aalberse als rijksbemiddelaar ook ambtenaar en deze leider van de machtige fractie der R.K. Staatspartij zal dus in het parlement zijn vrijheid missen, om desnoods tegenover de regeering in oppositie te gaan.

Afgevaardigden van het comité ter behartiging van de algemeene belangen van Overheidspersoneel zijn bij minister Colijn op audiëntie geweest en hebben hem een verklaring van het besluit gevraagd. Maar minister Colijn vond deze niet noodig en noemde het verbod „een waarschuwing aan de ambtenaren, om in zoowel als buiten dienst, behoorlijke grenzen in acht te nemen. Sprekers in vergaderingen en schrijvers in dagbladen hebben voor zichzelf grenzen te stellen, wat al dan niet gepast kan worden geacht”.

Als met het besluit niets anders bedoeld wordt, hebben wij er geen bezwaar tegen. Maar de woorden van het besluit hebben een veel verdere strekking en zullen zeker bij vele ambtenaren ongerustheid en vrees hebben verwekt, om aan het politieke leven deel te nemen of voor hun vakbelangen op te komen. En allicht kan een minister of andere hoogere ambtenaar het besluit ook minder onschuldig opvatten en er een ambtenaar mee treffen, die op een behoorlijke wijze aan een openbare actie tegen de overheid en haar beleid deelneemt.

Prof. Scheltema erkent het recht der overheid, om haar ambtenaren op hun gezindheid te haren aanzien te toetsen en hun ontslag te verleenen, indien die gezindheid revolutionnair is, d.w.z. principieel gericht tegen de rechtsorde, welke de overheid tot taak heeft in stand te houden. Liefde en toewijding bij de vervulling der staatstaak kan men moeilijk verwachten van hen, die de grondslagen van den staat verderfelijk achten.

Dit is in theorie volkomen juist. Maar in de nractijk kan een communist een voortreffelijk postambtenaar zijn, een anarchist een commies, die ijverig en stipt zijn plicht doet. Minister Colijn deelt mee. dat „deze woelige tijd de ambtelijke plicht meebrengt, dat de ambtenaar de overheid in haar zwaren strijd steune”. Heeft de regeering eenigen last van „woelige elementen” in het corps van ambtenaren? Men spreekt wel veel van gezagsondermijning, maar is er inderdaad onder de ambtenaren zulk verschijnsel te constateeren? Wij ontkennen het. De overheid heeft nu reeds macht genoeg, om ambtenaren, die zich onbehoorlijk gedragen, te bestraffen. Dit muilkorfbesluit was overbodig. Het ontneemt aan alle ambtenaren de vrijheid en

het recht van iederen staatsburger, om critiek uit te oefenen op de regeering. Het is een stevige stap in de richting van het fascisme dat met alle oppositie korte metten maakt. Het is een maatregel niet als een wolkbreuk maar als motregen; maar bij aanhoudenden motregen wordt men even nat als in een zondvloedbui. En het is verontrustend hoevele maatregelen in dezen geest er den laatsten tijd in ons land genomen zijn. In Duitschland is de vrije meeningsuiting in een hevigen slag omvergeworpen; men is hier bezig haar langzaam door te zagen. Het gaat niet snel; maar als er geen krachtig verzet komt, gaat het haal na haal verder en dan kunnen wij niet meer trotsch zijn op ons vrije Nederland vergeleken bij Hitler-Duitschland.

De nationale eenfieid

Zij, die het sterkst voor die eenheid zeggen te ijveren, doen haar het meest afbreuk. Op allerlei manieren is men bezig, de socialisten buiten de volksgemeenschap te sluiten. Men zal zich herinneren, hoe de feestredenaar na de betooging voor het koningshuis in het Amsterdamsche Stadion, ds. van Hoogenhuyzen den raad van roode wethouders en de kamer van revolutionnaire leden wilde zuiveren. Men verwijt ons, socialisten te weinig nationaliteitsbesef en onder ons is zeker wel eens te weinig waarde gehecht aan de nationaliteitsgedachte. Het is in een wereld van klassentegenstelling ook niet altijd makkelijk den famiiieband te voelen. Maar terwijl men ons aan den eenen kant verwijt, dat wij te weinig een zijn met de familie, tracht men tevens ons uit de familie te houden. Ds. van Hoogenhuyzen probeerde dit met een forschen stap. Op kinderachtige manier probeert het Nat. Jongeren-Verbond dit te doen.

De opbrengst van de geluktelegrammen wordt onder verschillende jeugdorganisaties verdeeld. Het Nat. Jongeren Verbond verzet zich er tegen, dat de A.J.C. en de N.B.A.S. daarvan ook een deel ontvangen. De A.J.C. toch is het voorportaal van de S.D.A.P. en de N.B.A.S. zet de jeugd op tegen het gezag van den staat, den leeraar en den onderwijzer, enz. enz. Ook worden nog andere vereenigingen gesteund, waarin „roode elementen een leidenden rol spelen”. Precies juist en onpartijdig is de karakteriseering van deze jeugdorganisaties niet! Het Nat. Jongeren-Verbond heeft besloten, geen gebruik meer te maken van geluktelegrammen, zoolang geen einde wordt gemaakt aan deze geldelijke ondersteuning van „dergelijke” vereenigingen. Het stelt den anderen vereenigingen voor, om zijn voorbeeld te volgen.

Zal het Verbond dus voortaan weigeren den steun, dien het ontvangt uit de opbrengst der geluktelegrammen? Dit een vraag in het voorbijgaan. Maar welke ijver voor de nationale eenheid! Er verschijnt een pudding op tafel voor allen. De geluktelegrammen zijn ingesteld, om steun te kunnen verleenen aan de jeugdorganisaties zonder onderscheid, uitgaande van de eenheid des volks. Maar nu gunt het Nat. Jongeren Verbond een klein hapje van die pudding niet aan eenige leden van de groote familie. Beter geen pudding op tafel, dan dat die er een deel van krijgen! Men verwijt de socialisten, dat zij a-nationaal zouden zijn, maar men wil van een nationale saamhoorigheid met hen niets weten. Maar dit is nog niet op zoo’n kleingeestige en pietluttige manier gedaan als door het Nat. Jongeren-Verbond in deze geluktelegrammen-geschiedenis.

J. A. BRUINS