is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 6, 11-11-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Werk van Jan Mankes

DE JASMIJNEN

Ik wilde dat gij ze zoudt kunnen zien: de jasmijnen. In den klank van dat woord: de jasmijnen, ligt een heimwee te kloppen om dat frisch en geurig gebloemte.

Broos en blank zijn ze geschilderd, ’n paar simpele twijgjes. Maar in hun vergankelijkheid bloesemen zij de eeuwigheid tegemoet. O! één oogenblik stil nog te staan in de breuk der tijden om zich te verkwikken aan deez’ teedere schepselen der Zuivere Gedachte.

De lente zelf wuift naar u toe met haar smeltende tonen en zachte kleuren, haar zoelen adem. Gij zult dat niet aflezen van deze poovere druk. De techniek staat tusschen u en het levende schilderijtje als

een hulpmiddel, nu ja, maar vooral als een beletsel. Deze afdruk is slechts een flauwe herinnering aan de levens-bemiddeling van het kunstwerk.

En dat kunstwerk? Het heeft u dan alleen wat te zeggen als uw ziel open en ontvankelijk is voor de schatten van natuur en kunst beide. Het is de kunstenaar die u de diepste zin der natuur ontvouwt. Hij doet u op schoone wijze verstaan dat de natuur is uit den geest.

Ik hoop, dat gij ze nog eens zult zien; de twee takjes bloesem, van den lieflijken heester jasmijn, gezet in het effen, stille glas water, geschilderd door Jan Mankes. J. J. MEIJER.

Verdwijnende en blijvende zekerheid

11. In het socialisme

Jarenlang is in socialistische kringen vrij algemeen aanvaard geworden, dat de tegenwoordige maatschappij met onvermijdelijke noodwendigheid groeien zou in de richting van een hoogeren levensvorm, m.a.w. dat de kapitalistische ontwikkeling uit zichzelf de voorwaarden voor een socialistische regeling van het bedrijfsleven zou scheppen.

Men meende aan de hand van feiten, cijfers en statistieken, betrekking hebbende op de samentrekking van het kapitaal, op de gestadige afneming van het aantal bedrijven, op de verslechtering van den toestand van het proletariaat en op de steeds terugkeerende bankroeten der burgerlijke maatschappij, de zekerheid van het socialisme wetenschappelijk te kunnen bewijzen.

Had Marx op deze wijze niet onweerlegbaar aangetoond, dat in den onderlingen strijd tusschen de bezitters de groote ondernemingen triomfeeren over de kleine, de zeer groote over de groote, zoo-

dat het aantal bedrijven steeds geringer wordt, en de omvang ervan geweldiger? Deze ontwikkeling der productie zou onweerstaanbaar heengaan naar de vorming van enkele reuzen-maatschappijen, die een geheel bedrijf zouden beheerschen. Wanneer het ontwikkelings-proces eenmaal in dit stadium zou zijn gekomen, zou het belang van de gemeenschap eischen, dat zij die maatschappijen socialiseert. De kleine categorie kapitaalmagnaten zou de onteigening niet langer kunnen tegenhouden. En de arbeiders, die door den kapitalistischen ontwikkelingsgang vanzelf tot strijders voor het socialisme waren gemaakt, zouden het gemeenschappelijk bezit van grond en productie-middelen tot een voldongen feit maken.

Nu kunnen wij, religieuze socialisten, natuurlijk een hooge borst zetten, en zeggen: „Wij hebben nooit de zekerheid gehad, dat het socialisme natuurnoodwendig komen zou!” Tot op zekere hoogte is dat zelfs ongetwijfeld waar ook. Nimmer zijn wij zóó doordeesemd geweest van het vertrouwen in de mechanische maat-

schappij-ontwikkeling als onze marxistische kameraden. Doch als wij volkomen oprecht zijn, dienen wij toch toe te geven, dat ook het religieus-socialisme niet geheel vrij is geweest van het geloof, dat de economische noodzakelijkheid de kapitalistische huishouding dwingen zou in de richting van een socialistische orde. In de religieus-socialistische literatuur is menige passage aan te wijzen (bij een behandeling van dit onderwerp in Barchem citeerde ik er enkele, doch daarvoor is hier geen plaats), waaruit blijkt, dat ook velen onzer het socialisme hebben gezien als het noodzakelijke resultaat der maatschappelijke ontwikkeling.

Wel heel bitter is de ontnuchtering geweest! Wie durft nog met zekerheid te zeggen, dat de socialistische arbeidersbeweging van Europa ooit de macht in handen zal krijgen? Niemand! Niemand weet te zeggen, welke perioden van verschrikking wij nog tegemoetgaan. Zekerheden, waarop men jarenlang heeft gebouwd, zijn op de werkelijkheid van het heden totaal versplinterd.

Is het niet een beangstigende mogelijkheid, dat achtereenvolgens alle landen van Europa te zien zullen geven, wat Duitschland ons te zien gaf: een absolute onmacht der arbeidersklasse, om de vernietiging harer socialistische organisaties en den groei van het nationaal-socialisme tegen te houden, met als gevolg een bloedige dictatuur zonder eenige rechten voor andersdenkenden?

Ook al kan worden toegegeven, dat de oorlogslasten, de oorlogsverwildering en het overdreven nationalisme den toestand in Duitschland voor een groot deel hebben bepaald, het gevaar is allerminst denkbeeldig, dat het fascisme ook in de andere landen van Europa gaandeweg terrein zal winnen. De fascistische stroom rijst al meer en meer; hoe pijnlijk het ook valt, dit uit te spreken, de feiten zeggen het ons dag in dag uit. Meer en meer nemen de burgerlijke partijen er genoegen mee, dat de fascisten de leiding nemen bij de bestrijding van onze idealen, terwijl het vertrouwen in het socialisme bij de arbeidersklasse van lieverlede wordt ondermijnd.

Wat zal het einde zijn? Ik weet het niet! Alléén weet ik, dat de wetenschappelijke zekerheid van het socialisme kapot geslagen is op de wreede werkelijkheid van onzen tijd, en dat het socialisme zijn zekerheid alléén nog zal kunnen ontleenen aan het religieuze levensbesef.

Natuurlijk bedoel ik dit iaatste niet zóó, dat de religie een bepaald en beslissend antwoord kan geven op de vraag, op welke wijze en wanneer de tegenwoordige maatschappij in een socialistische zal worden omgevormd. Deze vraag is niet te beantwoorden, en behoeft ook niet beantwoord te worden. Ik kan trouwens niet inzien, dat men als strijder voor het socialisme hetzij een economisch hetzij een psychologisch, philosophisch of religieus bewijs noodig heeft, dat het socialisme noodwendig komen moet.

Wat wij noodig hebben, is het onwrikbaar geloof in de alles-en-allen-omvattende, naar volmaking strevende, innerlijke levenskracht, die ook in ons menschelijk bewustzijn tot openbaring komt, ons bevelende, dat wij niet dulden mogen het neerdrukken en uitbuiten van medemenschen, het geestelijk en lichamelijk verkommeren van broeders en van zusters dat wij de armoede en den nood van het proletariaat hebben te voelen als onze armoede en als onzen nood, dat wij ons leven met volle kracht hebben te