is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 7, 18-11-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/V\onS6nTy pSII

Donatello PROFEET

Eén moment slechts uit het veel bewogen, hartstochtelike, door diepten en over hoogten gaande leven van den profeet heeft de beeldhouwer hier willen geven: het moment van de bezinning. Daarom de plooien van het geivaad opgenomen, niet tot nieuwe tocht maar tot rustpoos; daarom de wijsvinger gelegd aan het peinzend gelaat, dat inkeer uitdrukt.

Niet, dat nu de gloed van het heilig vuur inwendig is gedoofd; niet, dat nu de verkondiging van het goddelik woord der gerechtigheid zou worden opgegeven; nog minder, dat hij zou kunnen rusten, omdat het doel werd bereikt. De profeet wiens leven geroepen werd tot den dienst van het eeuwige rijk, vindt nergens het bereikte doelpunt. Hem is het leven rusteloze arbeid, eindeloze voortgang, omdat zijn God eeuwig scheppende kracht is.

Maar het smartelik-gevaarlike van zijn leven is het deel hebben aan twee dikwels vijandige werelden. Hij behoort naar diepste wezen onvoorwaardelik toe aan de

vlekkeloze majesteit van het volkomene; maar hij staat midden in een onvolkomen wereld, en heeft met alle vezelen van zijn menselikheid deel aan haar; hij is met de liefde van zijn hart gebonden aan zijn volk, aan de makkers die hij liefheeft en voeren wil naar het rijk der innerlike vrijheid.

Dat is de dikwels ondraaglike spanning van zijn leven: de traagheid en gemakzucht van het volk en tóch dit volk naar vrijheid leiden; het gekonkel en het geknoei van een wereld die zichzelf zoekt en toch deze wereld moet Gods wereld zijn; de lafheid en de kleinmoedigheid in hei eigen hart en tóch moet dit hart getuigen van de majesteit Gods.

Om deze spanningen moet hij telkens de eenzaamheid zoeken, de bezinning, de vernieuwde kracht. Dan komen de vragen op: wie ben ik? waar sta ik? wat wil God van mij en waarheen voert Hij ons? Vragen van bezinning en inkeer, die ook „de gewone mens” niet ontlopen mag. Deze profeet dringt tot bezinning op de eeuwigheid.

Verdwijnende en blijvende zekerheid

111 In den mensch

In het tweede artikel van deze serie hebben wij gezien, dat de zekerheid, waarmede men voornamelijk in Marxistische kringen de komst van het socialisme verwachtte, voor een belangrijk deel werd ontleend aan de resultaten van wetenschappelijke (economisch-sociologische) onderzoekingen.

Voor een ander deel baseerde men deze zekerheid op een onvoorwaardeiijk vertrouwen in de menschheid, op het geloof, dat een steeds groeiend deel van haar bezield zou worden door de brandende begeerte naar verlossing uit slaafsche gebondenheid en verwerving van recht, vrij-

heid, zelfstandigheid en onderlinge samenwerking.

Het stond immers onomstootelijk vast, dat al het bestaande een gestadigen groei te zien gaf, dat de mensch eerst nog in holen en spelonken leefde, doch weldra onweerstaanbaar voortgedreven werd in het verband van dorp, van stad en staat.

Was het dus niet aannemelijk, dat ook de mensch zou opstijgen trede voor trede naar hoogere levensvormen, dat hij herrijzen zou uit de economische en geestelijke ellende, welke de vorige eeuw met zich bracht?

Reeds gingen de leidende en meest voorwaartsstrevende personen in deze richting voor, gevolgd door een niet onbelangrijk

bewustheid gekomenen; de groote massa zou onherroepelijk volgen!

Dat de werkelijkheid hieraan niet beantwoord heeft, behoeft niet met vele woorden te worden gezegd. Waar Is heden ten dage het vlammend protest der groote massa tegen onrecht en uitbuiting, waar haar verzet tegen onzuivere verhoudingen? De groote massa leeft In die lauwe atmosfeer van alledag, waarin wel plaats Is voor kankeren en afbrekende crltlek, doch waarin zedelijke elschen met de grootste gemakkelijkheid worden verloochend.

Ik las eens, dat het In één van de oorlogsjaren moet zijn voorgekomen, dat een groot deel der miliciens niet de voorgeschreven lengte had. Hoewel het volgende jaar even kleine mannetjes aankwamen, bleken deze eensklaps groot genoeg te zijn. Men had In den tusschentljd eenvoudig de maat veranderd. Zoo doen de menschen maar al te dikwijls, met hun Ideaal; als ze er niet mee uit kunnen, dan verkleinen ze de maat.

Ik wil eerlijk bekennen, dat Ik ziende de zedelijke slapheid en halfheid der menschen weleens met gebalde vuisten tegen mezelf gezegd heb; kon Ik maar een einde maken aan dat geschipper en geplool, aan dat eeuwige translgeeren met het Ideaal!

Toch zijn dit niet de beste oogenbllkken van lemands leven. Beter Is het te luisteren naar de uit ons diepste wezen opkomende vraag, of wij het recht hebben, zoo zeker van onszelf te zijn, of ook wijzelf niet allerlei gemakkelijke schikkingen treffen In ons leven, • of onze verbittering niet het bewijs Is, dat er ook aan onszelf nog heel wat veranderd moet worden. Beter Is het te luisteren naar de stemmen In ons binnenste, die spreken vaa medeplichtigheid en medeverantwoordelijkheid, en van samenhang met alle andere menschen.

De wereld heeft menschen noodlg, die Innerlijk weten, dat God zich ontvouwt In de groeiende werkelijkheid, en dat leders leven deel kan hebben aan dien goddelljken groei, menschen, die Innerlijk weten, dat het leven ondanks smartelijke verscheurdheid een redelijken zin heeft, menschen, die verstaan, dat leders bewustzijn een vonkje Is van het groote Albewustzljn, dat alles en allen draagt en voortstuwt.

Dat de mensch, zooals hij zich voordoet In zijn dagtaak en In zijn ontspanning, m.a.w. zooals hij verschijnt op de planken van het leven, niet zoo heel veel zaaks Is, kunnen wij ten allen tijde blijven toegeven. Maar deze mensch Is niet de heele mensch, en zijn zonden en zwakheden moeten wij beoordeelen vanuit ons geloof, dat het leven dleperen zin heeft.

Zeker, ook dan nog komen onze perioden van vertwijfeling In den mensch met grootere of kleinere tusschenpoozen telkens weer terug. Doch als In onze ziel maar levend blijft het besef, dat de verticale lijn van het eeuwige de horizontale van het tijdelijke Immer weer doorsnijdt, komen wij deze perioden altijd weer te boven. Dan blijven wij ontvankelijk voor de waarheid, dat de mensch levende In de ulterlljke sfeer van de wereld van niet zoo heel veel beteekenls Is, doch dat hij In zijn aanraking met de eeuwige krachten, die opkomen uit de diepte, een Godsklnd genoemd mag worden. Dan blijven wij ervaren, dat onze ziel geen werkelijkheid is op zichzelf, maar een werkelijkheid In de Goddelijke Idee, van waaruit wij altijd weer de kracht kunnen putten, om te strijden tegen de onvolkomenheid van de wereld en tegen de onvolkomenheid van onszelf.

H. A. BRINKHORST.