is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 8, 25-11-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mensentypen

Rembrandt

Jeremia weenende over Jeruzalem

Misschien is er onder de oude helden van Israël geen die ons zoveel te zeggen heeft als Jeremia. Met alle andere profeten komt hij op voor de hoge eisen van ivaarheid en trouw, die uit het geloof voortspruiten; evenals voorgangers en latere predikers keert hij zich in felle toorn tegen het eigen volk, dat hij striemt omdat hij het lief heeft, dat hij de roede niet spaart, omdat hij het tot grote dingen geroepen weet; ook hij haat de uiterlike vormendienst, het offeren en feestvieren, het gebeden prevelen en vroom doen, wanneer innerlike zuiverheid ontbreekt, wanneer recht en barmhartigheid worden geschonden. Zo spraken elk op eigen wijze alle profeten.

Maar Jeremia riep de sterkste tegenstand op, omdat hij de ondergang aankondigde van het volksbestaan en de verwoesting van het heilig en onaantastbaar geachte Jeruzalem met zijn tempel. Ondergang moest komen, niet in de eerste plaats door de macht van omringende vijanden, maar door de innerlike voosheid van de

ziel van het volk. De ondergang is gekomen, stad en tempel zijn verwoest, de wrede ballingschap voor het uiteengeslagen volk teisterde tot wanhoop toe. Jeremia „krijgt gelijk.”

Het prachtige in Rembrandts Jeremia is: deze held weent over Jeruzalem uit een diepe liefde en een nimmer verzwakte trouw. Als hij gelijk krijgt, dan breekt hem dat bijna het hart. Ik wilde, dat wij, die de ondergang van het duitse socialisme beleefden, en die terecht laat ons hopen, spreken van ontrouw en verduistering van de socialistiese waarheid in socialistiese bewegingen; die het verraad der kerken striemen en terecht laat ons hopen, ons verzetten tegen de verlochening der religieuze waarheid door de officiële godsdienst ik wilde, dat wij iets hadden van die diepe liefde en onverzwakte trouw, die Jeremia doet wenen over de geteisterde stad. Liefde en trouw aan de hoogste waarheid van het leven. Dan wordt uit ondergang een niéuwe toekomst geboren.

Geestelijk leven

wij allen weten van de opschudding, die Stoffel Pieterse verwekte door juffrouw Laps een zoogdier te noemen. Toch had hij gelijk, zooals van Stoffel niet anders te verwachten was. De mensch en dus ook de mensch juffrouw Laps, is een zoogdier. Natuurkundig, biologisch gesproken, behoort de mensch tot het dierenrijk. Hij blijft er ook toe behooren en wee hem, als hij vergeet dat het animale, dierlijke natuurlijke leven in hem machtig is. Het wreekt zich en tot ’smenschen schade. Maar de mensch is meer dan een dier. Dat meerdere in hem, wat hem van het dier onderscheidt, plegen wij rede of geest te noemen. De mensch is in onderscheid van het dier een redelijk of geestelijk levend wezen. Wat is dan echter die rede of geest? Rede dus hier genomen in den ruimen zin, niet alleen het verstand, maar alle geestelijke vermogens omvattend. Wat is dus eigenlijk geestelijk leeven?

Het is het „hoogere” in den mensch, zij het ook nooit zonder verband met het „lagere”, natuurlijke. Daarmee is evenwel nog weinig gezegd. Het is verder wel te

onderscheiden, en dat zegt meer, van het psychische, het bewustzijn, het „zielige”. Dit laatste hebben ook de dieren en in mindere mate reeds de planten. Aan den anderen kant is er ook onbewust geestelijk leven, men denke aan wat er in een kunstenaar omgaat bij zijn scheppingsarbeid. Eigenlijk is het .ondoenlijk in een enkel woord weer te geven wat geest is. Hij omvat verschillende werkzaamheden van den mensch. Als wij van geest en geestelijk leven spreken, denken wij aan het terrein van het begrijpen, verstaan, beoordeelen, waardeeren, liefhebben, enz. Een geestelijk levend mensch is iemand, in wie dat alles aanwezig is en dan op de goede wijze.

Totnogtoe is gedaan, alsof geestelijk leven een zaak is van den enkelen mensch. Dit is niet zoo, tenminste niet uitsluitend. Geestelijk leven doet zich in drieërlei vorm voor. Het verschijnt in persoonlijken vorm. Maar het verschijnt ook en wel allereerst in bovenpersoonlijken vorm. Wanneer wij nagaan, hoe wij aan onze begrippen, waardeeringen, overtuigingen, enz. komen, dan zal blijken dat wij deze van anderen overgenomen hebben, zij het ook dat wij ze tot ons persoonlijk eigendom hebben verwerkt. Wij groeien op in een bepaald geestelijk

milieu, waar bepaalde opvattingen gelden. Deze staan als een onpersoonlijke, objectieve macht tegenover ons en drukken hun stempel op ons geestelijk leven. Zoo kan men spreken van objectieven geest. Er heerscht een zekere geest in een gezin, er is de geest van een volk, een geest des tijds, alle vormen van objectieven geest. Natuurlijk dragen en beïnvloeden de enkelingen dezen geest, zooals omgekeerd de objectieve geest hen beïnvloedt en draagt.

Nu gaat deze tweede vorm van geestelijk leven gemakkelijk over in den derden vorm, n.l. dien van geobjectiveerden geest. De geest wil zich objectiveeren en wel in de stof, de materie. Zoo drukt het rechtsbesef van een volk zich uit in rechtsregels, die worden neergeschreven, vindt het schoonheidsleven uitdrukking in kunstwerken, wordt wat aan waarheid over de werkelijkheid gevonden werd, in boeken opgeteekend, wordt de zede vastgelegd in gewoonten. Op deze wijze ontstaat cultuur. Steeds is het de objectieve geest, die zich vastlegt a.h.w. Zelfs al schept een enkeling het kunstwerk, wanneer hij niet uitdrukt, wat in anderen leeft, zal het geen erkenning vinden. Vinden de cultuurdragers hun geest niet meer uitgedrukt in de voortbrengselen van den geobjectiveerden geest, dan sterft deze. Terwijl ook deze vorm van geest den persoonlijken sterk beïnvloed, zoo goed als omgekeerd.

Het geestelijk leven nu in zijn drieërlei vorm wijst boven zichzelf uit. Het kan niet bestaan zonder een ander gebied, waarvan het wel te onderscheiden maar niet te scheiden is. Wie waardeert, legt bepaalde maatstaven aan, die gelden onafhankelijk van zijn waardeering. Wetenschap en wijsheid ontstaan slechts als onbaatzuchtig niet anders dan wat als waarheid geldt gezocht wordt. Een kunstenaar kan slechts scheppen als hij, zij het onbewust, vormen van schoonheid toepast. Voor wat recht is hebben wij ons te buigen, of wij willen of niet. Wie ordening wil brengen in persoonlijk en maatschappelijk leven, zal zich door zedelijke ideeën laten leiden, aan zedelijke eischen gehoorzamen, zedelijke waarden verwerkelijken. Het blijkt, dat er een gebied van ideeën, vormen, eischen, waarden is, dat zooal niet geheel dan toch voor een groot deel onafhankelijk van menschelijk geestelijk leven is. Een gebied dat dieper verankerd is dus dan in onze menschelijke werkelijkheid. De godsdienstige mensch zal het verankerd zien in den goddelijken wil.

Gelijk de geest als menschelijke geest naar beneden afgegrensd werd tegen het animale, natuurlijke, moet zij ook naar boven afgegrensd worden, en wel tegen het goddelijke. Menschengeest vindt haar bovenste begrenzing in den goddeiijken geest, in wat de bijbel den heiligen geest noemt. Maar zooals er verband is met het natuurlijke leven, is er ook verband met het goddelijke leven. Het bleek reeds uit het voorgaande. Het blijkt ook uit het feit dat aan den mensch de heilige geest geschonken kan worden, tijdelijk of als een meer blijvende gesteldheid. Het beteekent inzicht in de eeuwige dingen, ook bovenmenschelijke kracht, ook vrede, en nog wel meer. Het is wat ook genoemd is het eeuwige leven, d.i. het leven uit de eeuwigheid.

Zoo is het geestelijk leven verankerd in het natuurlijke en strekt het zich uit naar het eeuwige leven. Daardoor en ook nog binnen het geestelijk leven zelf ontstaan er spanningen. Er ontstaat ook de mogelijkheid van te kort, van schuld, ook van tragische schuld. Maar ook van ordening, harmonie en verzoening.

H. DE VOS.