is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 8, 25-11-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenland

Liefdadigheid

Zoolang er oorlog is, zai het Roode Kruis noodig blijven en veel goeds kunnen doen. Men doet onrecht, door deze instelling een reparatie-inrichting voor het levende oorlogsmateriaal te noemen, waardoor gewonden zoo spoedig mogeiijk weer vaardig voor het gevecht worden gemaakt. Het Roode Kruis verzacht veel lijden, redt vele levens en het lenigt eenigszins het kwaad, dat de oorlog veroorzaakt. Men ziet op het siagveld de tegenstelling van de moordende en helpende hand. Eerst maakt men wonden en daarna poogt men de gewonden te redden. Het is een strijd tusschen wreede en zachte krachten, die men ook buiten het slagveld kan opmerken. Van een Spaanschen edelman wordt verhaald, dat hij als onbarmhartig landheer eerst de armen maakte, die hij een plaats gaf in een door hem gesticht armenhuis. Zoo hebben wij in de samenleving den strijd tusschen kapitaal en arbeid, de concurrentie en den strijd om het bestaan, een wilde jacht om winst, waarbij veel vertrapt wordt, een grabbelpartij om rijkdommen en dan de liefdadigheid aan het werk voor de verslagenen, de achtergeblevenen, de onder den voet geloopenen. Men spreekt tegenwoordig liever van maatschappelijk hulpbetoon dan van armenzorg en bedeeling, liever van een tehuis voor ouden van dagen dan van het armhuis. Die naamsverandering duidt zachtere gevoelens jegens de armen aan; het is een poging, om de vernedering van hun afhankeiijken toestand weg te nemen. En de liefdadigheid, zoowel van particuliere vereenigingen, «lis van kerk en overheid is zeker ook menschelijker geworden, ook doelmatiger en stelselmatiger dan vroeger. De liefdadigheid zoekt niet aileen de armoe ie lenigen, maar ook te voorkomen, althans een weg te openen, om haar te ontkomen. Maatschappelijk hulpbetoon zal er blijven, omdat er altijd onzelfzuchtigen en onvolwaardigen zuilen zijn door geestelijke of lichamelijke gebreken, armen, die echter niet het slachtoffer zijn van maatschappelijke ongerechtigheid. Thans zijn er echter vele armen, die wel de kracht en den wil, om te werken hebben, of die zelfs bij harden arbeid arm zijn en blijven.

De vorige week vergaderde de Ned. Ver. voor Armenzorg en Weldadigheid, die samenwerking op dit gebied tot stand heeft gebracht en den gemeenschapsplicht en de verantwoordelijkheid tegenover de gevallen en gewonden op het slagveld van den strijd om het bestaan heeft gesterkt.

Op deze vergadering hield de deken, de opperpastoor van Amsterdam, Mrg. Dr. G. C. van Noort een rede over rechtvaardigheid en charitas (iiefde). Hij vestigde de aandacht op een uitspraak in den pauselijken brief, die naar de beginwoorden: „Quadragesimo anno” heet. Hier leert de paus, dat, wijl de voortgebrachte goederen het resultaat zijn van de samenwerking van kapitaal en arbeid, de winst, op die goederen gemaakt, rechtens voor een evenredig deel ook aan den arbeid ten goede moet komen. Winst is er slechts na aftrek van alle kosten (aan den kant van het kapitaal rente en afschrijvingen, aan den kant van den arbeid zulke loonen, dat daarvan alle werkers met een normaal gezin volgens hun stand bescheiden kunnen leven). Zij behoeft echter den werkers niet toe te vloeien in den vorm van aandeel in de winst, zij kan ook verdiscon-

teerd (verrekend) worden in hooger loon en goeddeels belegd worden in sociale verzekeringen.

Dit alles is, zooals zoo menig mooi woord uit encyciieken, theorie. Naar deze uitspraak zouden tallooze arbeiders rechtmatige eischen kunnen stellen op achterstallig gebleven winst. Zij zouden ook kunnen vragen, waarom juist zij bescheiden moeten leven en de werkgevers zooveel winst mogen nemen, dat zij heel rijk en overvloedig kunnen leven. En als de sociale verzekeringen beschouwd moeten worden als een veilige belegging van een deel van de winst, dat aan de arbeiders toekomt, waarom moeten dan die arbeiders premie, dus dubbel betalen, waarom ijveren dan niet alle Roomschen, voor wie het woord van den paus wet is, met hart en ziel voor het staatspensioen?

Mgr. dr. Van Noort noemde het lenigen der bestaande armoede taak der naastenliefde. Allen, die meer inkomsten hebben dan voor een leven overeenkomstig hun stand geëischt wordt, hebben den strengen plicht, om de armen bij te staan. Maar rechtsaanspraak op ondersteuning hebben de behoeftigen niet, gezien echter de primaire (oorspronkelijke) bestemming der stoffelijke goederen: te strekken tot levensonderhoud van alle menschen, gezien ook het feit, dat alle menschen broeders zijn, rust op de gemeenschap de zedeiijke plicht binnen de grenzen van het mogelijke te zorgen, dat aile behoeftigen nog een menschwaardig bestaan kunnen hebben, zij het dan in iaagsten graad. Men ziet Mgr. dr. Van Noort hier een aanloop nemen tot een sprong, die op het terrein van sociaiistische eischen en opvattingen terecht moet brengen. Maar hij blijft op het terrein der gewone gedachten over armenzorg; zij biijft plicht voor de gegoeden, maar genade voor de behoeftigen.

Juist zou deze conclusie uit de beginselen van „Quadragesimo anno” geweest zijn, dat het verschijnsel van pauperisme, van een talrijke groep der bevolking, die arm is en arm blijft door maatschappelijke oorzaken, bewijst, dat het met de winstdeeling tusschen kapitaal en arbeid niet in orde is. En ook bij een rechtvaardige deeling is dit geheele systeem van voortbrenging om winst in strijd met het juiste beginsel, door Mgr. dr. Van Noort gesteld, dat de stoffelijke goederen bestemd zijn, tot levensonderhoud van alle menschen te strekken. Maar dan hebben de armen, zoo al niet het wettelijke dan toch het zedelijk recht op hun aandeel.

Het blijkt dan ook hier weer, hoe na de christeilijke *,an de socialistische beginselen over de bestemming en verdeeling der stoffelijke goederen verwant zijn en ook hoe men, redeneerende vanuit christeiijke beginselen, vast raakt, als men het kapitalisme wil behouden.

Doodveroorzaken door schuld en weigering om te dooden

De Krijgsraad te ’s Hertogenbosch heeft een luitenant, die „rijdende met een auto met een snelheid van ongeveer 70 K.M., hoogst onvoorzichtig en onachtzaam zonder signaien te geven, zonder vaart te verminderen en zonder er dé vereischte aandacht aan te geven, of op het kruispunt verkeer plaats had, dat kruispunt is gepasseerd, waardoor een oude man werd aangereden, die aan de bekomen verwondingen overleed”, veroordeeld tot ƒ 150.— boete en een voorwaardelijke straf van een maand hechtenis met een jaar proef-

tijd en intrekking van het rijbewijs voor den tijd van een jaar.

In dezelfde zitting heeft deze Krijgsraad „ter zake van principieeie dienstweigering” twee dienstplichtigen veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf met ontslag uit den dienst.

Het veroorzaken van den dood onder de meest bezwarende omstandigheden dus feitelijk bestraft met een boete van ƒ150; maar jonge mannen, die uit weerzin en protest tegen den oorlog, zich niet tot oorlogswerk willen laten opleiden, principieele dienstweigeraars, veroordeeld tot de zware straf van tien maanden. Een van de beste kenmerken der ware beschaving heet de eerbied voor het leven. Tot de I rechters van den Krijgsraad schijnt dit | inzicht echter nog niet doorgedrongen te zijn.

Helden

De zesdaagsche is nu weer geweest; zes dagen lang hebben de wielrenners bij afwisseling al maar in den heksenkring gedraaid; telkens in wilde jachten, als een premie werd uitgeioofd, onder gebrul en gehuil van het publiek. Den eersten avond kwamen er al valpartij tj es. Op een gegeven moment waren er vier renners uitgevailen; twee op brancards naar hun slaapen masseerhokjes gedragen en toen maakte zich een „gedrukte stemming”, volgens de N.R.Crt., van het publiek meester. Schaamde het zich, zag het in, hoe ruw en barbaarsch deze strijd was? Het was bevreesd, dat de strijd zou moeten ophouden bij gemis aan strijders, als het zoo doorging! Pijnenburg had een sleuteibeen gebroken. Maar na even door den dokter onderzocht te zijn, ging ’t gordijntje van box weg en „barstte er een donderend gejuich los, want toen strompelde een bleeke kerel, met op elkaar geperste lippen naar zijn fiets, voorzichtig werd hij er op gebeurd en toen begonnen de beenen te malen, eerst langzaam, toen sneller en na luttele minuten zat de man met ’t gebroken sleutelbeen weer in het peloton.”

„Het zijn kerels van staal.” „De moedige kerel zet de tanden op elkaar. Zou de dappere kerel het volhouden?”

Ik heb een arbeidersvrouw gekend, die bij het schoonmaken haar sleutelbeen brak. Een dag daarna was ze alweer bezig brood te snijden en kleeren na te zien en telkens vertrok zij haar gezicht van pijn. Maar zij moest en zij wilde en zij deed alle werk, voor zoover het verband het toeliet. Zij kon ’s nachts haast niet slapen van de pijn; ze werd doodmoe door gebrek aan rust en door de inspanning, die zelfs makkelijk werk haar kostte. Maar een arbeidersvrouw heeft geen tijd, om ziek te zijn en het bed te houden en het werk te laten liggen en zij hield daarom vol, zonder toejuichingen, zonder kans op premie, zonder opgewonden krantenverslag, zonden geestdriftig publiek. Het publiek nam heti geval zelfs heel kalm op en zei: Het iS; meegevallen; zij kan al haar werk erom doen. Bij wie zou de edelste moed en de; zuiverste heldhaftigheid zijn, bij den sport-- held of bij de vrouw, die geen tijd heeft,, om ziek te zijn?

J. A. BRUINS Jr.

Doet iedere vriend en vriendini van ons blad goed zijn bestorm nieuwe abonné's te winnen??