is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 9, 02-12-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A VONTUUR ROND GOD

De visschen.

De visschen voelen zich heelemaal thuis in de groene koelte van het water. Nochtans is hun hart van een onuitroeibare heilige nieuwsgierigheid naar het luchtruim vervuld. Bijna alle vischsoorten plegen van tijd tot tijd zon en lucht te happen. Hoewel zij in het zachte element niet leven kunnen, snoepen zij gaarne een kleinen ademtocht.

Slechts één klasse van visschen is in staat gedurende den tijd van een langen sprong in de lucht te blijven. Men noemt hen: ~vliegende visschen”, hoewel zij eigenlijk niet vliegen, doch springen.

Maar de bedoeling is goed. Want zij willen immers vliegen, zij kunnen het alleen niet erg goed. Wanneer hun wil om te vliegen aanhoudt, zullen zij op een dag het water verlaten en in de lucht kunnen blijven als de vogels.

Eenige waaghalzen komen nu al hooger. Ze bereiken het op de manier, dat zij een windstoot afwachten, zich omhoog laten slingeren tot aan een wolk en daar met ondersteuning van hun vin-vleugels rondroeien. Hiervan keert echter nauwelijks een enkele terug. De meesten worden een prooi der zee-arenden.

Wanneer echter een, door den wind, die hem draagt, in den steek gelaten, terugvalt in ’t vertrouwde water, sterft hij aan ’t verlangen naar het land der wolken, waar hij zoo kort te gast was. Zijn soortgenooten verplegen hem en zoeken zijn smart te lenigen, maar hij is niet te troosten. Na eenige pogingen, nogmaals omhoog te vliegen, wordt hij doorzichtig als een kwal en vergaat in het zeewater, zonder een spoor achter te laten.

DAVID LUSCHNAT. Vert.DAVID DE JONG.

Kritiese Kroniek i tlllllllllllllltlllll

De Gemeenschap der jong-katholieken

IV. Albert Kuyle, een twee-eenheld ?

Soms heb ik van Kuyle artikelen gelezen, die mij de vraag deden stellen, of hij eigenlik wel geheel thuis hoorde in de groep, waarvan Anton van Duinkerken de theoretiese verdediger is. Er zijn in Kuyle’s kritiese werk gedeelten, waarin het zeer bepaaldelik niet meer de katholieke leer is, die hem drijft tot een fel getuigende verontwaardiging, maar waarin de verontwaardiging autonoom en primair is, en de katholieke argumentatie enkel een toevallige bijkomstigheid. Het diepst van al de jongeren uit deze kring is Kuyle doorgedrongen in het moderne kulturele en ekonomiese leven, en zijn hartstochtelike haat tegen de maatschappij van heden is dikwijls op het cyniese af.

Reeds in één der eerste afleveringen van „De Gemeenschap” is hij de katholieke industriëlen te lijf gegaan met een paar dokumenten, die volstrekt afdoende en onweerlegbaar waren. Sistematies heeft hij daarna in de „Hagel”-rubriek zijn kritiek doen kletteren op heel wat verschillende broeikasjes, en als niet alle ruiten gebroken zijn, ligt het niet aan de hevigheid van deze buien.

Er is aangekondigd, dat van hem een verzameling polemieken en pamfletten verschijnen zal; misschien is ze inmiddels reeds verschenen. Maar de bundel kan moeilik een andere indruk wekken dan de afzonderlike stukken, en dat is: agressieviteit. Flitsend en vurig bestrijdt hij zijn

tegenstander, soms multatuliaans van grimmig woordenspel, soms kwajongensachtig van uitdagende hoon. Doch zonder vijand schijnt hij moeilik te kunnen leven: hij heeft een tegenpool nodig om geladen te worden.

Toch betreft dit alles maar één zijde van Albert Kuyle, die bij de burgerlike stand ingeschreven staat als Kuitenbrouwer. Want de andere kant van hem is mystiek, soms zelfs sentimenteel en vol plotselinge dogmaties katholieke trekken. Wanneer hij in zijn novellenbundel „Weerlicht” *) een reeks verhaaltjes heeft verteld, die öf ontleend zijn aan, öf geschikt zijn voor sensationele filmpjes van Hollywood, komt opeens een schets die „Anno Sancto” heet en puur katholiek is. Men begrijpt niet, dat iemand die zó’n gegeven: het verlangen van een eenvoudige arbeider om in het heilige jaar Rome te bezoeken, zó weet uit te beelden, nog lust gevoelt om de hopeloos onbelangrijke thema’s van het kleinste hoofd of de erfenis van Sjooks stilisties te versieren, laat staan een parodie te schrijven op „Afschaffen”, die erger dan mislukt is, immers in zijn opzet reeds onwaardig. En hiermee sluit nota bene de bundel!

In de hele kring der Gemeenschap komt het woord geheelonthouding en vooral geheelonthouder nooit anders dan hoogst misprijzend voor. Blijkbaar zijn zelfs de meest sociaal aangelegden en de diepst analyserenden nog nimmer doorgedrongen tot de wezenlike problematiek van hun

drinkgeneugten: het maatschappelik probleem namelik van de alkohol en het alkohol-kapitalisme. Een angst om positieve waarden van genot en levensvreugde te verliezen speelt een enorme rol; maar zelfs dit maakt de situatie niet gunstiger voor hen. Integendeel: want enige eerlike belangstelling voor de beweging tegen het drankgebruik zou afdoende zijn om die angst te doen verdwijnen. Men kan persoonlike voorkeur hebben voor het brabantse volk, dat niet bepaald zuinig is in alkoholies opzicht; maar te menen, dat de levensvreugde beneden de Moerdijk wezenlik groter is en intenser dan bijvoorbeeld in het sterk blauwe Friesland is een onhoudbaar vooroordeel. De parodie, welke in „Afschaffing” zou moeten liggen, is bij voorbaat tof mislukken gedoemd, omdat de schrijver niet de werkelikheid tot uitgangspunt kon nemen, maar enkel wat schampert over een griezelige fiktie, die buiten het bewustzijn van deze kringgenoten geen zelfstandig leven bezit.

In „Weerlicht” staan twee verhalen, die ons voor Kuyle’s latere romans goede hoop geven; het zijn „Anno Sancto” en „Deducant te Angeli”. Dit laatste, waarbij misschien enige invloeden van Helman mogelik zijn, is geheel anders van motief en merkwaardig on-Hollands. Dat het toch zo goed werd, ligt aan Kuyle’s mystieke en romantiese trekken, die het hem mogelik maken om, ondanks zijn typies Hollandse aard, de sfeer van een vreemd gebied en een andere tijd te benaderen en in woorden weer te geven. Doch: twee goede schetsen op de negen maakt geen al te hoog percentage; en ditzelfde moeten wij konstateren van Kuyle’s poëtiese produktie.

Er staan in „Seinen”, maar vooral in „Songs of Kalua”, verzen, die mij persoonlik het meest grijpen van alles wat ik van de jong-katholieke literatuur las. De bekend geworden ballade van de matroos, die in Marseille sterft, is tegelijk volks en volmaakt: juist omdat de volkse primitiviteit zo absoluut zuiver aanwezig is. Maar ook staan er talloze rijmen in, waarvan ik de noodzaak van ontstaan evenmin na kan voelen, als de schoonheid er van waardéren. Deze ongelijkmatigheid, die zovelen van de modernen eigen is, maakt Kuyle tot een toch interessante figuur vol onverwachte mogelikheden, maar tevens tot iemand, die bijna nergens onverdeeld ontroert en bewondering afdwingt zonder kritiek. Misschien echter is alles wat hij tot nu toe schreef niet anders dan een voorbereiding en een preludium; misschien geeft hij ons, op het ogenblik dat één grote bezieling al de verschillende gedeelten van zijn wezen tegelijk aangrijpt, nog een kunst van grote allure in zijn prachtige strakke verbeten stijl. Maar wanneer, indien niet in déze tijd?

G. STUIVEIING.

‘) Paul Brand’s Uitgeversbedrijf, Hilversum 1933

Boekbespreking

P. Eldering. God, Mensch en Menschheid, Arnhem, Van Loghum Slaterus, Uit. 1933. 152 bladz. Ing. ƒ2.50. geb. ƒ3.25.

Een bundel preken, door Eldering uitgegeven toen het uur van scheiden uit het ambt kwam. Getuigenis dus van een leven, het begint met de intree i.n Rotterdam van 1902, eindigt met het afscheid in ’33. Zulk een bundel neemt men slechts eerbiedig in handen, en aanvaardt men zonder al te veel kritiek. Eldering spreekt duidelike, klare, soms zelfs nuchtere taal en toch voelt men overal een innig overtuigd mens. Voor zijn vrienden zeker een bundel, waaruit hij op z’n best spreekt.