is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 10, 09-12-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buitenland

Wordende corporatieve staat?

Prof. H. P. Blok heeft in het „Haagsch Maandblad” het wezen van het fascisme eens „het gevoel van organisch gebonden zijn” genoemd: „organisch gebonden zijn aan een zedelijke, dus hoogere verplichting, die boven persoonlijke rechten en voorrechten uitstijgt”. Indien deze kwalificatie juist is, bewijst zij, dat het fascisme in wezen niets nieuws bevat en dat de opgang, die het maakt, slechts verklaard kan worden uit de ontstellende geestelijke armoede van den tegenwoordigen tijd. Immers de gedachte, dat de mensch ten slotte onderworpen is aan een Hoogere Macht is nu juist niet direct nieuw en origineel te noemen. Zij is óók verkondigd d00r... het Christendom. Het verschil bestaat dan echter hierin, dat het Christendom de Goddelijke Macht van den Souvereinen Geest bedoelt, terwijl het fascisme den mensch „organisch binden” wil aan den souvereinen materieelen staat en dit verschil demonstreert weer den cultureelen achteruitgang, dien het fascisme beteekent. Juist deze vergroving en veroppervlakkiging evenwel van de gebondenheidsidee maakt het fascisme voor den tegen woordigen tijd zoo bij uitstek geschikt om bewonderd en aahbeden te worden door die talloos velen, die tegenwoordig klagen over het gebrek aan gemeenschapsgevoel van ... een ander.

Wat is eigenlijk een „corporatieve staat” en is zij in de tegenwoordig fascistisch geregeerde landen werkelijkheid geworden? Op de eerste vraag kan men uit de tegenwoordige fascistische literatuur slechts een uitermate vaag en verward antwoord verkrijgen en de tweede moet zelfs volstrekt ontkennend beantwoord worden. Met „corporatieven staat” schijnt men dan in het algemeen een staat te bedoelen, waarin de natuurlijke tegenstellingen tusschen de individuen, groepen en klassen in een hoogere eenheid worden opgeheven. In hoeverre echter onze volkomen vermechaniseerde twintigste-eeuwsche staat als zoodanig dienst zal kunnen doen, is de vraag. Worden hier de begrippen „staat” en „maatschappij ” alvast niet op dilettantische wijze dooreen gehaspeld en is onze uiterst gecompliceerde maatschappij er wel geschikt voor om te worden geordend volgens willekeurige vooroordeelen, die aan het middeleeuwsche gildewezen ontleend zijn? „Staat en maatschappij zullen opgaan in het fascisme”, zeggen hierop onze door de nieuwe mystiek benevelden. En hier stooten we weer op het kenmerkende van alle begrippen uit de fascistische leer: de „corporatieve staat” is een geloofspunt. Men kan het niet analyseeren en evenmin doordenken, men moet het aannemen, wanneer men tot de ingewijden en respecteeren, als men tot de profanen behoort. En nog een overeenkomst met de religie er wordt een grandioze zwendel mee gedreven.

Tot op den huidigen dag is in Italië gedurende de eif jaar dat het fascistisch regiem daar bestaat, nog vrijwel niets van den „corporatieven staat” te voorschijn gekomen. De werkgevers en werknemers zijn er georganiseerd in honderden arbeidersen patroonssyndicaten, die elk aan hun kant van de streep weer ondergebracht zijn in z.g. confederaties. Deze syndicaten en confederaties, die natuurlijk elk voor zich onder fascistische leiding staan, onderhandelen met elkaar als het spant, onder leiding van fascistische autoriteiten —, maar vormen nog alies behaive de „hoogere eenheden”, die de z.g. corporaties zouden moe-

ten uitmaken. Da eenige corporatie, die tot nog toe bestaat, is de z.g. Nationale Raad, waarin de werkgevers- èn de werknemersconfederaties vertegenwoordigd zijn. De corporatieve staat functionneert in Italië dus alleen nog maar in de hoogere en niet in de lagere regionen. Geen wonder, dat Mussolini er in de laatste vergadering van den Raad op aangedrongen heeft, de corporatieve gedachte eindelijk ook eens tot leven te wekken in ’t volk zelf.

Wat is er de oorzaak van, dat in Italië juist nu een aanvang wordt gemaakt met de verwezenlijking der corporatieve staatsidee, die ons immers reeds lang als bij uitstek fascistisch werd aangeprezen? De malaise, die ondanks fascistischen heiistaat het Apenij nsche schiereiland evenmin heeft gespaard als landen, die ten prooi waren aan „demo-liberaal wanbeheer”. Zoolang de conjunctuur gunstig was en ook nog in de eerste slechte jaren men vergete niet, dat sedert de rechtstaat niet meer bestond, kritiek aan boeien iag —■ gevoelde de dictatuur niet de minste behoefte, de in de practijk herstelde alleenheerschappij van het kapitalisme te breken. Nu heeft Mussoiini op 14 November „ex cathedra” verkondigd: „De crisis is zoo sterk doorgedrongen in het kapitalistisch productiesysteem, dat het een crisis van het systeem zelf is geworden. We hebben niet meer te doen met een trauma, maar met een ongeneesiijke kwaal. Met stelligheid kan ik heden op deze plaats bevestigen, dat de kapitalistische productiewijze achter ons iigt”. Indien deze groote woorden werkeiijk iets beteekenen en later dus kan worden vastgesteld, dat Italië zoodoende mede den sprong in de maatschappelijke experimenten; heeft gewaagd, dan moet tevens worden geconstateerd, dat Mussoiini allesbehalve de eerste was, die den vasten grond van het kapitalisme achter zich liet. Duitschland onder Brüning, Roosevelt in Amerika waren hem reeds voorgegaan. Fascistische dictatuur en maatschappelijke hervorming hebben in wezen niets met elkaar te maken.

Dit is te meer waar, omdat voor wie oogen heeft om te zien klassentegenstellingen en klassenpolitiek in een fascistischen staat even welig tieren maar dan ondergronds en gedenatureerd —, als in een democratische. De verslaggever van het „Algemeen Handelsblad” vertelt, dat er „drie richtingen” in den Nationalen Corporatieven Raad van November uitkwamen. De minderheid had de Corporaties slechts „advies” in productie-vraagstukken willen laten uitbrengen en verder slechts willen laten optreden bij geschillen tusschen de syndicaten onderiing. Het kan duidelijk zijn, dat deze ,richting” natuurlijk als zwarthemden vermomde bourgeois —■ vermoedelijk niet onschuldig geweest is aan het zoolang onder de tafel houden der corporatieve gedachte. En men vraagt zich zelfs af, of deze „minderheid” niet eigenlijk toch „meerderheid” gebleven is, wanneer men ziet wat er zelfs nu nog slechts aan de corporaties zal worden toegekend. Loonkwesties blijven aan de syndicaten. De handelspolitiek met het buitenland, het beperken van de binnenlandsche markt en de regeling der binnenlandsche productie dus inderdaad de terreinen, waar de ondernemers de proletariërs het gemakkelijkst mee zulien kunnen krijgen, eenvoudig door een beroep te doen op hun groepsegoïsme dat zullen de terreinen zijn

voor de wetgevende bevoegdheden der corporaties. Ook in de voortgezette debatten over z.g. horizontale of verticale organisatie der corporaties klinkt het tegen elkaar botsen van gecamoufleerde en daardoor den kleinen man om den tuin leidende klassen- en groepsbelangen.

Laat ons niet te spoedig juichen en geiooven in een crisis van het Italiaansche en daarmee van het Europeesche fascisme. Maar toch gelooven wij in bovenstaande regelen, hoe kort en uiteraard oppervlakkig onze analyse moge wezen, de innerlijke tegenstrijdigheid, waaraan het na korter of langer tijd te gronde zal gaan, te hebben aangewezen. Het fascisme doet een beroep op de saamhoorigheidsgevoelens der met elkaar worstelende groepen en klassen, maar om aan de macht te blijven kan het, door de kracht der maatschappelijke feiten gedreven, toch ook weer niet anders dan in zich zelf de tegenstellingen oproepen, waardoor het verscheurd zal worden. Tot de natie sprekend richt het zich tot het „sacro egoïsmo”, het „vitalisme” daarvan, zou het daarbij niet altijd weer diezelfde eigenschappen in eigen groepen en klassen opwekken, die het negeert? Als het de „doodsklok van het kapitalisme” gaat luiden, zou het dan daarbij soms niet het doffe verzet dier kringen wakker roepen, die het juist tot knechting van het proletariaat hebben ingehuurd? Een treffend beeld voor dit historisch noodlot van onze ergste tegenstanders heeft H. Quarles van Ufford gevonden: „Met stormpas rennen de bruine en zwarte bataillons voort,” zegt hij, „over een zich in omgekeerde richting voortbewegend trottoir roulant. De tijd blijft echter geruischloos en zeker voortglijden. De een na den ander worden de fascisten meegenomen door den stroom der geschiedenis. Dan is het uit met hun subjectivistische heerlijkheid. Zij krijgen door de geschiedenis, objectief, een stempel opgedrukt.”

Ja, dat is mooi en ook voor ons gezegd. Want het kan toch de bedoeling ook niet zijn, ons maar willoos door het trottoir roulant te laten meesleuren. Te meer omdat er wel velen onder ons zijn, die meenen precies te weten, waarheen het rolt, maar het volstrekte geloof in het woord dezer teekenuitleggers toch voor het minst ietwat is geschokt. Wat het fascisme in ieder geval juist heeft verstaan, dat is het gevoel van heimwee, ’twelk in de tegenwoordig levende menschheid nog blijkt te bestaan naar de mystieke gevoelswaarde van begrippen als „staat”, „geloof”, „arbeid”, „gezin”, waarvan wij dachten, dat zij volkomen zinledig geworden waren en waaruit primitieve en materieel veel armoediger culturen volkomen hebben geleefd. Ik ben er van overtuigd, dat het fascisme een zonde tegen den Heiligen Geest bedrijft, door te zwendelen met deze begrippen. Wee, wanneer de volken dien zwendel zullen doorzien! Wij socialisten, gelooven in den gevoelsinhoud van het begrip „menschheid”, waaruit de cultuur der toekomst zal leven. Maar welk vonnis zal ons treffen, indien wij zullen blijken gezwendeld te hebben met ons ideaal, omdat wij niet tijdig begrepen hebben, dat het onmogelijk is aan een dergelijk geweldig idee gevoelswaarde te schenken, wanneer diezelfde gevoelswaarde ook niet gedragen wordt door de samenstellende deelen ervan? Geen herboren menschheid zonder herboren menschen. J. S. BARTSTRA.