is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 13, 30-12-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenland

Persoonlijk en gemeenschappelijk bezit

In „De Hervorming”, het orgaan van den Ned. Protestantenbond vestigt Dr. G. H. van Senden de aandacht op den het vorige jaar overleden Duitschen wijsgeer Oscar Schmitz. Hij geeft ter kenninsmaking enkele fragmenten uit een van de boeken van Schmitz. Daarbij troffen ons vooral opmerkingen over de bekoring van het eigene bezit. Het schijnt wel, dat deze gedachten lijnrecht ingaan tegen het socialisme. Wat Schmitz fijner en wijsgeeriger zegt over de waarde van het eigene bezit, heeft Ds. Bakels eens als afdoend argument tegen het socialisme gebruikt en wel met het eene woord: bezitsdier. Allereerst geven we een paar gedachten van Schmitz weer.

„Waarin bestaat de waarde, goederen zelf te hebben, te verzorgen of voort te brengen? In niets anders, dan in de individueele betrekking tot aardsche dingen, waardoor meer zelfbepaling ontstaat en daarom een meer innige atmosfeer dan in het gedachteloos gebruik van gedistribueerde waren. Wie iets zijn eigen noemt, die beleeft voortdurend dat levende wisselspel tusschen vrijheid en gebondenheid, dat de inhoud van individueel aanzijn is.”

Het is niet makkelijk tot den kern van deze gedachten door te dringen. Ze worden ons misschien duidelijk, wanneer we denken aan een eigen huisje en een flatwoning of de kamer in een groot tehuis, een kazerne voor kostgangers. Het eerste heeft het bijzondere, ons eigene en vertrouwde; we raken er innig aan gehecht ook met al zijn gebreken en ondoelmatige inrichting. De kamers hebben verschillende nummers, maar ze zijn verder volkomen gelijk van grootte, van kleur; hier een kast, daar een divanbed; gelijke deurknop, schakelaar, linoleum. Het eigene ontbreekt geheel. Men mist dat en men gaat er een eigen kamertje van maken. Men gaat het „gezellig” maken. Hier een plaat, die men mooi vindt; daar een plankje met boeken, vrienden, waar je veel aan hebt, elders een paar foto’s van menschen, die je graag bij je hebt, al is het dan maar in beeld. Zoo maakt men er zijn eigen hokje van. Zoo gaat het ziellooze vertrek leven; nu ben je er niet in kamer zooveel, maar geheel thuis. Op den duur raakt men zoo aan honderden dingen gehecht, aan zijn pennehouder, ook als is de bruine kleur er afgesleten of zwart geworden door inkt, aan een schaartje, waarnaar men lang zoekt, als het weg is, ook al is het hopeloos stomp en meer verroest dan vernikkeld, aan een kerkboek, waarvan de leeren band op een versleten zool lijkt en waarin heel wat bladen los zitten en door muizen bewerkt schijnen. Met wil het niet ruilen tegen een nieuw exemplaar, dat fonkelt van het goud en waar op het leer geen schrammetje te zien is.

Dit heeft Oscar Schmitz zeker bedoeld, toen hij schreef van „de diepe bekoring van het eigene bezit”.

Toen Ds. Bakels echter eens den mensch een bezitsdier noemde, dacht hij niet aan geestelijke banden, die ons door den duur en het gebruik aan allerlei, zelfs voor een ander waardelooze dingen binden. Hij doelde op den hartstocht, om te hebben en te houden, om te veroveren en het bezit te vermeerderen, op den rattenaard, om van alles in het nest te sleepen, veel meer, dan men ooit kan gebruiken en dat dus voor een deel bederven en verloren gaan zal.

ledere rijksdaalder brengt zijn begeerte naar een tweede en derde mee. De millionnair wil milliardair worden. Onverzadigbaar is de begeerte naar steeds meer. Als alle proletariërs kapitalisten werden, zouden zij ook hun bezit beschermen en pogen te vermeerderen. Dat zit nu eenmaal in den mensch. Daarom zal het socialisme nooit werkelijkheid worden, want het is in strijd met de menschelijke natuur. Deze redeneering zit opgesloten in dat eene woord: bezitsdier.

Socialisme beteekent echter niet het verbod, om allerlei dingen persoonlijk te bezitten, die voor ons zieleleven beteekenis gekregen en er zelfs een plaats in hebben ingenomen. Het socialisme streeft naar het gemeenschappelijk bezit der productiemiddelen, van de bronnen van rijkdom en de middelen, om daaruit te putten: een mijn dus en een fabriek, een spoorlijn en een stoomvaartonderneming. Er blijft genoeg over, dat als het eigene bijzondere waarde heeft. Met hoede zich bovendien bij dit laatste voor een zekere bekrompenheid en kinderachtigheid, een te vergedreven afgeslotenheid en vervreemding van de gemeenschap, voor een zeker conservatisme, dat het nieuwe verwerpt, omdat het anders is, ook al is het beter dan het oude. Maar men kan met hart en ziel het socialisme toegedaan zijn en gelooven in dezen hoogeren, meer redelijken en rechtvaardigen vorm van maatschappij en toch erkennen als juist en gegrond de bekoring, die van het eigene bezit uitgaat.

Noemt men den mensch een bezitsdier, dan ziet men één zijde der menschelijke natuur voorbij; de mensch is ook gemeenschapswezen. Wat de natuurmensch zijn eigen noemt, is maar zeer weinig; bijna alles is voor allen. Hoeveel bezitten we ook thans niet reeds gemeenschappelijk. Wij ontvangen allen ons licht uit de electrische centrale; we maken gebruik van tram en spoor en weg, die niet in persoonlijk bezit zijn .Talloozen werken in overheidsbedrijven en de directeuren dezer bedrijven en hun personeel voelen daarvoor. Duizenden werken in dienst van wetenschap en kunst, van school en kerk en als zij daarbij alleen door het bezitsdier in hen gedreven werden, zouden zij hun werk slecht doen. De dienst der posterijen is gemeenschapsdienst en door een uitmuntende regeling en ook lust en ijver, om het werk goed te doen, bewijzen de duizenden beambten en ambtenaren bijna iedereen eiken dag een kleinen, soms zeer belangrijken dienst. Dit voorbeeld toont aan, hoe er onder het socialisme gewerkt kan worden in het persoonlijk maar tevens ook het gemeenschappelijk belang, ook al is nu nog geen enkel bedrijf een zuiver gemeenschapsbedrijf, omdat staat en maatschappij nog niet socialistisch zijn.

Er is in iederen mensch zeker een drang naar bezit, maar die hartstocht wordt gesterkt en aangeblazen door het kapitalisme, dat boven alles geld en winst zoekt. Onder het socialisme zal het gemeenschapswezen in den mensch zich steeds meer doen gelden en aan kracht winnen. Verwerpt men het socialime, omdat de mensch een bezitsdier is, dan moet men het Christendom, dat liefde tot de naaste eischt als tot zichzelf, op dienzelfden grond afwijzen.

Het zedelijk verzet tegen het kapitalisme, waar het niets en niemand ontziet in zijn jacht naar geld, is een bewijs, dat de mensch nog iets anders is dan een bezitsdier. Dat het ideaal, met en voor elkaar te werken, duizenden sterk bekoort, kan slechts verklaard worden uit een hoogere natuur dan de rattennatuur. Brutaal en

luid kan een stem in ons roepen: Ik! Maar er is ook een andere stem, die zich niet laat overschreeuwen en zegt: Wij! Wij!

De profetische stem der N. R. Crt.

De stem der N.R.Crt. is gewoonlijk zeer verstandig, waardig en bezadigd; alleen soms wat geprikkeld en nijdig en zelfs wel eens leelijk en grof, als zij meent het socialisme te moeten bestrijden en bestraffen. Den valt zij uit den toon. Bijzonder ongewoon is wel een hoofdartikel over „Kerstmis” in het nummer van 24 Dec. Van de vele Kerstbeschouwingen, die wij gelezen hebben, trof dit ons wel het meest. Daar spreekt uit een groote ernst en waarachtigheid en een profetische toon. Het is het welsprekende woord uit een bewogen hart. Het is een volstrekte veroordeeling van de dictatuur van het goed en het geld, waaronder het leven lijdt en kwijnt. Het is een verwerping van den rijkdom, die de wereld zoo bitter arm heeft gemaakt. De waarheid van het Evangelie, dat het leven meer is dan het voedsel (Lucas 12:23), is door dit beschavingstijdperk vergeten en vertreden. Wij hebben niet het voedsel, dat is de aarde en haar stoffelijke rijkdommen, het goud aan ons dienstbaar gemaakt; maar wij zijn de slaven van dien rijkdom geworden. Wij hebben gespeeld met het goud en het is ten slotte met ons gaan spelen.

„Wij worden met den dag armer. De rijkdommen dezer wereld hebben ons meer dan wij hen. De welvaart was een schijnwelvaart. De crisis neemt in hevigheid toe en met haar de geestelijke radeloosheid. Verarming dreigt overal. Zelfs de gewone simpele nooddruft gaat ontbreken. Alles ontvalt 0n5...” En dan komt een profetisch visioen: een nieuwe cultuur komt, blijvender en schooner dan deze, omdat zij dan geworteld is in een ieven, dat zijn sterkte put uit de gemeenschap met eeuwige waarden, uit religie. Die cultuur en die wereld gaan, als niet alles bedriegt, komen na deze ingezonken en moede tijden. En aan het slot nog deze getuigenis van blijdschap des geloofs zelfs in een jammerlijke wereld: „Ook in het allerergste geval blijft deze overtuiging, dat in allen nood en verblinding en ondergang harmonie, rust, kracht en blijdschap te vinden zijn, door wie zich onverbrekelijk verbonden deel voelt, van wat niet vergaan kan, een Liefde die naar Dante’s woord ook de sterren beweegt.”

Dit is revolutionaire taal, al valt ze niet onder de strafwet en al denkt de N.R.Ct. niet aan een gewelddadig verbreken van de boeien, die de moderne beschaving ons heeft aangelegd. Dit is revolutionair, omdat de bestaande orde hier volstrekt veroordeeld wordt en een nieuwe orde, die het leven zal dienen in plaats van het goud, in het uitzicht wordt gesteld. Wij twijfelen niet aan de oprechtheid van dit artikel; het is een gewetenskreet; die kan alleen dit krachtige en zuivere woord doen hooren. Ook bedwingen wij den lust, om zoo menige beschouwing in de N.R.Ct. te toetsen aan dit profetisch artikel en we laten rusten het gesnoef op liberale herleving en verjonging en aanstaande groote overwinningen.

Maar zelfs wanneer de hoofdredacteur van een conservatief-liberaal dagblad eens ernstig gaat nadenken onder den indruk van de Kerstboodschap over deze wereld en haar nood, dan breekt hij uit in een: Zoo kan en mag het niet langer. Het moet en zal anders worden! Zoo breekt de onrust en de toorn over den Mammondienst onzer moderne beschaving door, zelfs waar men het allerminst zou verwachten. J. A. BRUINS.