is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 14, 06-01-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buitenland

■ rn A k lixni iixr k irrk i'' I k |\l Ml J I ix/vl

Zooals te voren verwacht kon worden, zijn de Fransch-Duitsche onderhandelingen als men ze tenminste zoo noemen mag over ontwapening mislukt. Men herinnert zich, dat Hitler een geregeld leger van 300.000 man met het daarbij beboerend oorlogsmaterieel en behoud van zijn semi-miiitaire organisaties eischte, waartegenover hij een non-agressie-verdrag van zekere beperkte duur en algemeene controle aanbood. Niet dat de regeeringsmannen te Parijs dit „voorstel”, dat dan ook in zijn plompe naïveteit het belachelijke overtrof, af geslagen hebben, is dus belangrijk, maar de gewiekste vorm waarin de weigering besloten ligt, geeft stof tot beschouwingen. „De Fransche regeering is van meening dat alleen binnen het kader van den Volkenbond en langs den weg van wapeningsuerTniTideringf de internationale veiligheid kan worden georganiseerd, welke den grondslag zelf vormt van de erkenning van het beginsel der rechtsgelijkheid.”

Wat beteekenen die gepolijste woorden? Hitlers man is den Volkenbond uitgeloopen en heeft de deur achter zich met een slag toegeworpen. Met alle oempa, waarover de nationaal-socialistische poppenkast beschikt, is deze onbezonnen gevoelsdaad door de aanhangers betoeterd en door een „plebisciet” goedgekeurd. Duitschland kan niet meer naar Genève terug. Natuurlijk maakt de superieure diplomatie van den tegenstander van deze situatie gebruik en antwoordt: „Meen niet, dat wij tegen ontwapening zijn. Art. 8 van ons dierbare Volkenbondhandvest schrijft ons zulks immers uitdrukkelijk voor. Wij hadden zelfs nog een mooi voorstel aan u te doen: 200.000 man, evenveel als ons geregelde leger. Maar wel te verstaan: alleen te Genève; nu gij u uit den Volkenbond teruggetrokken hebt, gaat het niet. Gij verlangt vermeerdering van bewapening, terwijl het juist den weg van bewapeningsvermindering op moet. Foei!” En de domme Michel staat beteuterd: ze hebben hem altijd voorgehouden, dat de anderen niet ontwapenen willen en nu is hij ineens het zwarte beest geworden...

Huichelarij is evengoed een wapen in de politiek, als ethische beweegredenen. Wij willen niet beweren, dat de eerste alleen aan de eene zij te vinden is, noch dat de laatste alleen den anderen kant versieren, maar zeker is toch wel, dat de Fransche diplomatie juist door haar antwoord dezen voor ieder die hem doorziet weerzinwekkenden vorm te geven, al haar vrienden, bondgenooten en cliënten gesloten achter zich krijgt en een wig drijft in het fascistische front tegenover zich. Mussolini heeft de laatste weken hard gewerkt voor een in anti-demokratischen geest hervormden Voikenbond en getracht op die manier Von Neurath naar de Geneefsche conferentietafel terug te halen. Maar in Berlijn heeft men hem duidelijk nul op het rekest gegeven. „Duitschland kan op dit oogenblik letterlijk op niemand meer rekenen”, schrijft de Toestand-redacteur van de „N.R.Crt.”: Dr. Benesj, de bekwame en gematigde leider van de Kleine Entente, minister Beek van Polen zijn uiteraard nog feller tegen de Duitsche herbewapening dan de heeren van de Quai d’Orsay. Zij hadden in de laatste weken slechts één zorg: dat Frankrijk zich te ver met Italië op het pad zou begeven. De Tsjech heeft daartegen een tamelijk sterke entente tusschen alle Balkanstaten weten te bewerkstelligen, die het zelfs aan Albanië moge-

lijk gemaakt heeft, zich eenigszins uit Italië’s greep te bevrijden. Mussolini moet oppassen. De Pool heeft om Parijs te waarschuwen een schijnverzoening met Berlijn gespeeld. Maar het is ai niet meer noodig. Door het bovengeciteerde antwoord is Frankrijk weer het onweersproken middelpunt van zijn heele clan geworden.

En de demokratische, anti-fascistische strooming overal in Europa, b.v. die welke vertegenwoordigd wordt door de 5.A.1.? Is het niet, of wij een van haar resoluties lezen: in géén geval herbewapening van Duitschland, wél bewapeningsvermindering van de anderen. Nu, dat biedt Frankrijk met M zijn partijen achter zich immers aan: zeker wetende dat het daar nu toch niet meer van komt. Rustig wacht het nu weer den volgenden zet van zijn dillettanterigen tegenspeler af en om het precies te zeggen, hoe wij tegenover dit gevaarlijke spelletje staan: wij verafschuwen gelijkelijk de volkomen gewetenloosheid van deze politiek, als wij de technische vaardigheid ervan hooglijk bewonderen: toch maar een belangrijke factor, dat onze wereld niet heelemaal in de chaos wegzinkt.

Wij hopen nu duidelijk genoeg te hebben laten uitkomen, dat wij allesbehalve francophiel zijn, als hoedanig men ons intusschen toch maar schijnt te doodverven. Wij gruwen b.v. van de strekking eener in zijn soort knappe brochure, die ons dezer dagen werd toegezonden „De Fransche buitenlandsche politiek” door W. C. Posthumus Meijes. Typisch intusschen weer voor de tegenwoordge situatie, een zoodanige meeningsuiting, die waarschijnlijk binnenkort door de pennevrucht van een of anderen Germanomaan staat beantwoord te worden. Niet wat wij niet menige juiste opmerking en interessante documentatie in de lofrede van den heer Meijes hebben gevonden, die ons zeer deskundig lijkt op financiëel gebied. Hij kent het Fransche volk goed en waardeert het, wat hem tot eer strekt. Nagenoeg correct stelt hij tegenover elkaar de grimmige haat en wrokgevoeiens, die het Duitsche volk vergiftigen „Dreckfremde” pleegt men er gracelijk niet-Duitschers te betitelen èn de vrijzinniger, gemoedelijker wijze, waarop in Frankrijk vreemdelingen, zelfs Duitschers, worden opgenomen: ~qu’ils nous fichent la paix” en „A bas la guerre!”, wanneer in de bioscopen al te patriottische films draaien. ,Nagenoeg correct”, want wanneer wij ons niet vergissen, begint ook in Frankrijk de voor onzen tijd zoo kenmerkende xenophobie (= vreemdelingenvrees en -haat) het hoofd op te steken, een overigens maar al te begrijpelijk gevolg van de maatschappelijke omstandigheden.

Maar van de „Fransche buitenlandsche politiek”, waarvan onze brochureschrijver zich zoo’n critiekloos verdediger betoont, begrijpt hij niets. De politieke geschiedenis kent hij zoo weinig, dat hij de „Fransch-Russische entente Delcassé’s antwoord op de Tripple Alliantie” noemt: de Trippie Aliiantie was van 1881, het Fransch-Russische militaire bondgenootschap van 1893 en Delcassé werd pas in 1898 voor het eerst minister van buitenlandsche zaken. Erger: waar de heer Meyes zelfs geen vermoeden van heeft, dat is van de wezenlijke tragiek in de geschiedenis van het Fransche volk, dat inderdaad een van de meest idealistische van ons werelddeel, zich verdedigende tegen de verschrikkelijkste gevaren, er telkens toe komen moest, op straffe van ondergang te streven naar een verpletterende hegemonie over Europa. In

deze brochure verschijnt het boeiendgrootsche, maar uiterst-gevaarlijke verschijnsel, dat Frankrijk heet, in het burgerlijk-banale pakje van laat ons zeggen. Zwitserland en de schrijver denkt, dat hij daarmee het door hem als door mij zoo bewonderde groote volk recht heeft doen wedervaren!

Wij voor ons hebben, gelooven wij, nooit nageiaten te accentueeren, dat het bij uitstek noodlottige der Europeesche constellatie sedert den staatsgreep der Hitierianen hierin gelegen is, dat veel wat voor ons allen in West-Europa waarde heeft cultuur en demokratie nog slechts veilig kan liggen achter Frankrijks zware bewapening. Dit feit op zich zelf lijkt ons w.i.w. zoo appert, dat alleen hij, die zijn oogen sluiten wil voor de werkelijkheid, er geen rekening mee zal houden, maar de situatie die nu ontstaan is, is zoo verleidelijk voor de imperialistische en militaristische elementen in Frankrijk, dat ’t bijna onvermijdelijk is, of zij krijgen hun volk mee op het gevaarlijke pad. Omgekeerd kan een échec van Frankrijk weer niet anders dan ten goede komen aan het Midden-Europeesche fascisme: de barbaarschheid. De wijze waarop het Belgische nationalisme tegenwoordig den kop weer opsteekt, profiteerende van de beklagenswaardige voorloopige! ondergang van de Vlaamsche frontpartij, toont reeds aan, hoe sommigen bezig zijn, de heillooze situatie uit te buiten. Misschien dat het gunstigste aspect nog zit in de onafhankelijker positie tegenwoordig der Kleine Entente onder Benesj’ bekwame ieiding. Deze groep landen schijnt erin geslaagd, om ofschoon venijnig anti-Duitsch, zich losser te maken zoowel van Italië als van Frankrijk en daardoor zou misschien een rem zijn aangelegd aan een eventueel Fransch imperialisme, vooral zoo lang de radicale demokratie zich in de republiek kan handhaven.

Welke zijn inmiddels de directe vooruitzichten voor ons werelddeel van Frankrijks duidelijke weigering? Het Buitenlandsch Jaaroverzicht van de N.R.Ct. eindigt ditmaal in de bewoordingen: „Internationaal gaan wij 1934 met groote zorgen, maar volstrekt niet zonder hoop tegemoet.” Het grondt deze betrekkelijke optimistische verwachting op de duidelijk gebleken vredeswil der groote mogendheden, die het gevolg is van hun onmacht om oorlog te voeren. Maar de vraag is; wat zullen Frankrijk en zijn vrienden doen, wanneer Duitschland wat dunkt ons, zeker te verwachten is met herbewapening, waartoe het nu alleen nog maar het recht vraagt, een aanvang maakt? Het is mogelijk, dat dan blijken zal dat de tijd der sancties tegen Duitschland onherroepelijk voorbij is, ook al omdat de pacifistische gezindheid van het Fransche volk in de afgeloopen tien jaar veel en veel sterker geworden is. Maar wij achten dat niet zeer waarschijnlijk, omdat dit een dusdanige versterking van het prestige van het Hitler-regime in Europa zou beteekenen en tevens de oorlogskansen voor Frankrijk in een verdere toekomst zoodanig zouden verzwaren, dat geen Fransche regeering dat toch eigenlijk op haar verantwoording zou kunnen nemen. Waarschijnlijker achten wij het dus, dat de Fransche politiek, als het er op aankomt over zulke bedreigingen tegenover Duitschland zou beschikken, dat de nationaal-socialistische regeering op het laatste moment eieren voor haar geld zou moeten kiezen en van herbewapening zou moeten afzien. Gebeurt dit, dan zou Hitler zijn tweede bedenkelijke nederlaag de eerste was tegen de Evangelische Kerk moeten boeken. J. S. BARTFTRA.