is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 14, 06-01-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lEMAND VERWONDERDE ZICH

lemand verwonderde zich. Gebarenspel en bewegingen toonden het aan. Hij was zoo in verwondering verzonken, dat hij zich zelf vergat. Onbewust knikte hij met het hoofd.

Zijn vriend kwam, stootte hem aan en vroeg: ~Waarover verwonder je je?”

~lk heb een gedachte opgenomen, die niet aan een eind komen wil.”

„Laat de gedachte zich zelf ten einde denken en ga mee naar het strand. Ik heb een schelp gevonden, die ik niet openen kan. Je moet helpen. Als wij haar geopend hebben, zullen wij haar samen nuttigen.”

Zij gingen naar het strand en openden de schelp. Toen zij den inhoud gegeten hadden, ontdekte de vriend een parel in een van de beide schalen. ~Zie, wat mooi!” zei hij.

De verwonderde beschouwde haar opmerkzaam. ~Zoo was ook de gedachte, die ik niet teneinde kon denken: rond, stralend en onzegbaar schoon. Nu weet ik haar niet meer, ik heb haar onder het eten vergeten. Als je me niet gestoord had, dan had ik haar ten einde gedacht. En dan had ik haar niet vergeten.”

„Je bent dwaas. Een gedachte als deze parel laat zich nooit ten einde denken.”

De andere begreep niet, waarom dit onmogelijk zijn zou. Hij verwonderde zich en zweeg. Hij verzonk opnieuw in zijn verwondering, tot hij zich zelf vergat en onbewust met het hoofd knikte .

Uit: Avontuur rond God

van David Luschnat vert. David de Jong.

Kritiese Kroniek m lIIUIIIIIIIIIIIIIIII s 11111111111111111111 l =

Het Eeuwige Vuur. N.V. „De Arbeiderspers”, 1933: ƒ 4.—; geb. ƒ4.90.

Ik moet bekennen, dat ik al zeer jong een antipathie had tegen bloemlezingen. Intuïtief heb ik waarschijnlik de levende mens als het enig belangwekkende gevoeld, en mij leek een bloemlezing dan een kuriositeiten-kollektie, van een half hoofd, een paar andere voeten, een plokje baardhaar van een derde, en een bosje beenderen uit nog weer een volgend lichaam. Maar allengs heb ik begrepen, dat volledige uitgaven van verzamelde werken een weinig geschikt materiaal vormen om liefde voor de literatuur te doen ontstaan, en ik heb de bloemlezing aanvaard als een noodzakelik kwaad met heilzame paedagogiese gevolgen. Als het altans een goede bloemlezing betreft...

Naar zijn aard is de bloemlezing steeds een onvermijdelik en didakties werk: het betoogt, het bewijst, het wil iets met de lezer. Het wil hem simpelweg de schoonheid suggerèren van de gekozen verzen, of hem de niet vermoede rijkdom aantonen van een slecht gekend tijdvak der letterkunde, of het wil een bepaalde visie opdringen betreffende een auteur of een gehele periode. De waarde van een bloem-

lezing is direkt afhankelik van de kracht die deze wil-tot-overtuigen bezit, en van de mate waarin die overtuiging zelf wetenschappelik verantwoord is. Niet het toegevoegde, inleidende of verklarende woord vormt de waarde, maar de loutere ordening van het gekozen materiaal. Die ordening is het persoonlike element dat door de bewerker is toegevoegd, en de aparte kunstwerken onderling verbindt, niet slechts als een snoer de kralen, maar veeleer als de scheppende fantasie de blokjes mozaïek. Wie de enkele goede bloemlezingen, die wij rijk zijn, naast elkander legt, merkt onmiddellik dit persoonlike cachet van elk, en de onderlinge sterk verschillende karakters van Leopold, Herman Poort, Dirk Coster en Greshoff staan ons duidelik voor de geest.

Het spijt mij te moeten zeggen, dat de grote bloemlezing van revolutionaire poëzie, die door I. van der Velde is verzameld en door Henriëtte Roland Holst werd ingeleid, deze karakteristieke eigenheid niet heeft. Uit de veelheid van het verzamelde is niet, door scheppend ordenen, een organiese eenheid ontstaan. Het werk overtuigt mij niet, ja: ik weet eigenlik niet eens, waarvan het mij zou willen overtuigen. Twee principes strijden om de voorrang, en hun strijd is de innerlike tweestrijd van deze bloemlezing; de wil om aan socialisten te tonen de schoonheid der literatuur, en: de wil om door literatuur

te tonen de schoonheid van het socialisme. Blijkens het voorwoord is het eerste de bedoeling van de samensteller; maar de titel kan enkel betekenen het eeuwige vuur der opstandigheid, niet der schoonheid. Op grond van het eerste principe is de opname te verdedigen van het Kerelslied, dat terecht door Mevrouw Roland Holst anti-demokraties en kontra-revolutionair wordt genoemd. Die opname is niet te verdedigen met de mededeling, dat het als schaduw moet dienen om de glans van het revolutionaire gevoel te sterker te doen uitkomen. Ik vermoed, dat Mevrouw Holst hier de argumentatie van de verzamelaar tot de hare maakt. Ten onrechte. Want het Kerelslied geheel anders dan de groep „Medelijden” is in het minst niet voor schaduw geschikt, omdat het integendeel veel andere verzen in de schaduw stelt. Het is een lied van haat en verachting en wraak, maar een prachtig lied. Zijn schoonheid suggereert ons deze haat, deze verachting, deze wraak als sympathieke gevoelens. leder goed kunstwerk verheerlikt qua talis het sentiment waaruit het ontstond, omdat het dit sentiment toont als een scheppend, bezielend gevoel.

Op grond van het tweede principe moet men de aanwezigheid verklaren van een aantal verzen, welker kunstwaarde miniem is, maar waaruit een sterk sociaal bewustzijn spreekt. Het is jammer, dat hieronder bijna geen enkele verrassing wordt aangetroffen. Ik ben overtuigd, dat er uit de 16e, 17e en 18e eeuw heel wat sociale poëzie is bewaard gebleven, die in jaarboeken en vergeten uitgaafjes wacht om te worden ontdekt, zoals Anton van Duinkerken de katholieke poëzie van de Contra-Reformatie ontdekt heeft.

Indien één der beide principes konsekwent was doorgevoerd, zou de omvang van de bloemlezing denkelik iets kleiner zijn geworden, maar zeker was haar karakter duideliker gebleken. De mogelikheid van een konsekwente doorvoering van beide principes gelijktijdig bestaat ook: dan echter was dit boek tot de halve omvang beperkt gebleven, maar het zou daardoor m.i. gewonnen hebben.

net is een gewaagd experiment een inleiding te laten schrijven door een ander dan degene, die de keuze heeft gedaan. De inleiding van Mevrouw Roland Holst en de bloemlezing van Van der Velde dekken elkaar dan ook niet geheel. De gebondenheid aan een bepaalde voorkeur en volgorde geeft aan het belangrijke betoog van Mevrouw Holst soms plotselinge wendingen en abrupte afbrekingen, die niet logies uit haar argumentatie volgen.

De aanwezigheid te bekritisèren van verscheidene jongeren, wier werk naar aard en omvang m.i. geen reden tot opname vormen, is onnodig; verschillen van persoonlike waardering spelen hier een rol, en enkel door de tijd wordt tenslotte beslist. Maar tegen twee feiten moet ik protest aantekenen: I°. tegen het plaatsen van fragmenten zonder de mededeling dat het fragmenten zijn: 2°. tegen de onbegrijpelike volgorde der moderne namen, die noch chronologies, noch alfabeties, noch volgens welk ander sisteem dan ook gerangschikt zijn. De plaatsing van Vosmaer na Gorter, Holst, Adama van Scheltema en Van Collem is werkelik è.l te erg.

Hoe zeer voor mij al deze bezwaren ook wegen, ik wil met nadruk zeggen, dat ze niet overwegend zijn. Want in ieder geval is dit boek toch een verzameling goede, deels voortreffelike verzen, en de enige omvangrijke verzameling sociale en socialistiese poëzie in Nederland.

G. STUIVELING.