is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 15, 13-01-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buitenland

Een jaar pauze in het Pjatiietka

Het Russische officieele orgaan, de „Prawda”, viert in een artikel ter inleiding van het 17e congres der communistische partij als volgt de afsluiting van het eerste en de inluiding van het tweede Pjatiietka of Vijfjarenplan: „De partij nadert den eindstreep... Waarvan de beste leden der menschheid droomden, waarvoor vooraanstaande proletariërs in gevangenissen en op de barricaden omkwamen, dat zal verwezenlijkt worden: de Sowjetunie wordt het eerste land van de klassenlooze socialistische gemeenschap”. Toch bevatten deze woorden allerminst een overwinningskreet, maar wel een aansporing tot „verhoogde klassewaakzaamheid”, een waarschuwing dat „verscherping van den klassenstrijd” verwacht moet worden en wanneer men deze en andere officieele uitingen uit de U.S.S.R. wat meer op den keper beschouwt, zoo b.v. de richtlijnen, die de tweede secretaris der partij Kaganowitsj, voor hetzelfde congres heeft uitgegeven , dan kan men duidelijk de onrust béluisteren over verschillende tegenvallers op hoofdpunten van het groote experiment, die niet nagelaten hebben in West-Europa sterk de aandacht te trekken.

Door de „politieke afdeelingen” is reeds de „leiding dichter bij het dorp” gebracht, zoo orakelt Kaganowitsj, datzelfde moet nu ook gebeuren met de bedrijven, waarvan vooral steenkoolindustrie en spoorwegen te lijden hebben van bureaucratie en verregaande decentralisatie der bestuursfuncties. Nu is een tekortschieten zoowel van het een als het ander uiterst bedenkelijk voor het geheel. Hoe voortreffelijk het b.v. de machinenij verheid ook moge gaan, wanneer er bij de steenkooldelving die tot de z.g. „sleutelbedrijven” behoort

iets hapert, dan staat de machinenij verheid stil. Hetzelfde is te zeggen van het transportwezen, waarover geklaagd wordt dat de capaciteit in 1933 sterk is teruggeloopen, doordat „sommige onbekwame leiders hun benoeming meer aan politieke overtuiging dan aan technische bekwaamheid danken”. Erger is echter de toestand naar nu langzamerhand wel voldoende is doorgesijpeld in de landbouw en het ergst in de veeiteelt. Na de aanvankelijke goede resultaten der collectivisatie in 1930 heeft de regeering de boeren veel te veel graan af geperst ten bate voornamelijk van den invoer deze gingen daarop de zaak „saboteeren”, wiedden hun velden niet meer en slachtten hun vee af.

Geweld was het antwoord: massale deportaties, „politieke afdeelingen” bij de colchozen om de boeren te nekken. In 1932 en 1933 woedde in den Kaukasus en in het Woigagebied hongersnood. Kortgeleden werd de Unie-regeering bedreigd door een separatistischen opstand in de Oekraïne. Het ergste was, dat de woeste energie, die tot nog toe de bevolking en de partij doortriide, voor het eerst even plaats maakte voor een gevoel van twijfel. In het tijdschrift „Ost-Europa” haalt de voortreffelijke kenner van het moderne Rusland Otto Hoetzsch met instemimng de volgende karakteristiek aan: ~De situatie in Rusland is nu met die van een man te vergelijken, die al zijn krachten in reusachtige inspanning gewijd heeft aan een niet zeer goed doordachte taak. Sidderend van oververmoeidheid en voor het eerst twijfelend of hij wel verstandig heeft gedaan, deinst hij even terug. Met grooter onverbiddelijkheid dan ooit onderdrukt de partij wei

iedere principieele kritiek, maar tegelijkertijd remt men, waar geremd kan worden, corrigeert men zich zelf dag aan dag”.

Nu volgt hieruit allerminst, dat het Groote Plan mislukt. Indien dat trouwens zoo was, zou het een nieuwe groote ramp voor de menschheid beteekenen. Maurice Hindus geeft in zijn nieuwste boek wel toe: „Het Vijfjarenplan heeft het Russische volk niet het hoogere levenspeil gegeven, dat het beloofd had. Dat is zelfs lager gezakt dan aan het begin ervan”, maar ter anderer zij vertelt het boek op bijna iedere bladzij: „De Revolutie gaat in ieder geval d00r... zij beteekent van de eene moeilijkheid naar de andere springen: het komt er maar op aan, om niet in een doodloopend slop te geraken”. Het is wel weergaloos prachtig, het gigantisch streven van deze in hun anti-religieusheid volkomen toegewijde fanatici. Waarom wordt de bewonderenswaardige geslaagdheid van het sowjetexperiment in onze kringen toch zoo zelden toegegeven? Waarom moeten wij altijd peuterig en verzuurd mislukkingen en ineenstortingen profeteeren, die toch nooit komen? Want dat hier socialisme verwezenlijkt is socialisme in een rijk, dat één zesde deel van onze aarde omvat met een bevolking van 150 millioen inwoners I wie zal het kunnen ontkennen? Ook hebben de afgeloopen zeventien jaar bewezen, dat de bekende reformistische stelling, dat slechts door kapitalisme en demokratie heen een socialistische maatschappij te bereiken viel, een dwaling behelsde. Hier is een socialistische maatschappij, bereikt door wil, zelfopoffering en... geweld. De vraag blijft echter nog over, of de grondslag waarop al dat succes rust en die er een blijft van onderdrukking, huichelarij en barbaarschheid zoodanig is, dat verwacht mag worden, dat het maatschappeiijk gebouw, hetwelk daar bezig is te verrijzen, ook al is het dan een socialistische, op den duur meer sociale gerechtigheid zal blijken te bevatten dan een van de andere, die tot nu toe in de geschiedenis menschen woonstee hebben geboden.

Waarom zou het tweede Vijfjarenplan mislukken? Slecht functionneeren der sleutelindustrieën en gebrek aan evenredigheid in het maatschappelijk geheel, onvoldoende arbeidsprestatie van hooger of lager „menschenmateriaal”, verschijnselen van beginnende inflatie zelfs, het is alles te verhelpen. Nieuwe fouten zullen worden begaan, maar de duldzaamheid van het Russische volk is oneindig en oneindig is ook de kil-berekenende hardheid der Russische heerschers, die trouwens niet meer terug kunnen. Millioenen „koelaki” nu geen groot- of zelfs klein-boeren meer, maar arme drommels, die omdat ze door ondervoeding versuft of onwillig zijn geworden, misschien ook enkel omdat ze mensch en geen machine-onderdeel zijn, het „Groote Offensief” niet meer mee kunnen maken zuilen ~sabotage” plegen en zullen sterven in een „klassenstrijd”, die steeds als „de laatste” wordt geproclameerd. Ja, wel een klassenstrijd, maar een met omgekeerde opstelling; waarin de „arbeiders” en de „communisten” de rol van uitbuiters zullen spelen en de „koelaki” niet eens die van proletariërs, maar eerder die van uitgeknepen Javaansche „orang tani” uit den tijd van het Cultuurstelsel.

Reeds lang waren in de U.S.S.R. teekenen merkbaar van differentiatie in het proletariaat, gevolg van civilisatie-opbouw. „Rusland heeft de geweldige machinerie van economische productie en distributie doen functionneeren voor het algemeen welzijn en niet voor particuliere winst.” Deze woorden van een Engelschman haalt Dr. J. Romein met instemming aan. Misschien is dat in het algemeen nu nog wel juist, maar er komen toch reeds duidelijker symptomen, dat er lieden zijn die méér en lieden die een allerbedroevendst klein beetje van de geweldige staats-socialistische machinerie profiteeren. Werkloosheid is lang geen onbekend verschijnsel meer in de Sowjet-Unie. Prostitutie neemt toe, al zal het aantal prophylactoria wel blijven af nemen: dat hoort er zoo bij. Ontelbaar is het aantal „overtolligen”, die terug moeten naar het platte land, waar men niet meer van ze hoort...

Onder deze uitgeworpenen zulien ze wel niet gezocht moeten worden, de neo-communisten, die prijs stellen op minder-tendentieus onderwijs voor hun kinderen, die de fraai gebonden en artistiek geïllustreerde boeken koopen, boeken ook zonder eenige communistische ideologie erin, „omdat men weder zonder problemen ieven wil” (Mehnert in „Ost-Europa”). Is het communisme in Nieuw-Rusland bezig zich van een zwaar-gepassioneerde leer te verstarren tot een fatsoens-ideologie? Hindus vertelt uitvoerig hoe allerlei groepen ook hun liefdeleven weer gevoelsinhoud gegeven hebben en aanstoot nemen aan de „ongeregelde verhoudingen” van hun buren. Wel gaan natuurlijk jonge mannen en vrouwen voort hun prachtige weldoorvoede en gebronsde lijven naakt ten toon te stellen: zonder ijdelheid en preutschheid. Zij wenschen van Sowj et-Rusland een soort „Nieuw-Griekenland” te maken.

Is het niet, alsof in de Sowjet-staat een categorie komt, niet afkeerig van nu eindelijk eens van de uitkomsten der revolutie te genieten? Genieten, ook al is het oogenblik nog lang niet daar, dat allen kunnen genieten. Men wil niet van de grondslagen der revolutie af. Maar dat wilde de Fransche bourgeoisie in het Directoire-tijdperk ook niet. In den iaatsten druk van Feller, die van 1931 is, vinden wij nog de vergelijking gemaakt, dat de communistische partij als een monniksorde is, die haar leden weinig rechten en ontzaglijk zware verplichtingen oplegt. De „spetsen”, dat waren toen nog de eenigen die genieten konden in Rusland. Nu lezen we al van de „eetzalen der bestuursambtenaren”, waar,, lederen dag vleesch te krijgen is”. Daartegenover groeit de massa der paria’s, maar dat is de ~massa” niet, waaraan het communistisch bestuur het dansen van de foxtrot toegestaan heeft. Waar moet dat naar toe? Indien het „pauzejaar” in het Pjatiletka wordt tot een soort verstijving van het communisme, waartegen ook Kaganowsitsj schijnt te wapen te roepen, dan zal de differentiatie in het Russische proletariaat nog ongehoorde vormen aannemen. Dan zal mevrouw Holst, die een belangrijk artikel in „Bevrijding” besloot met een aangrijpende beschuldiging van „perventeering” aan het adres van het bolsjewisme en „vermoddering” aan dat van de sociaai-demokratie, kunnen concludeeren tot de perventeering èn de vermoddering van het bolsjewisme.

J. S. BARTSTRA.