is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 17, 27-01-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beeldende Kunst

D e afbeeldingen die tot nu toe in dit weekblad de beeldende kunst tot den lezer brachten, hebben in den regel tot begeleidende tekst een wijsgeerig-psychologische verklaring. Het spreekt van zelf, dat de eigenlijke kunstwaarde daarbij niet in het geding is. In een reeks van korte artikelen hoop ik eenige voorbeelden van beeldende kunst nader te bespreken meer van den historisch aesthetischen gezichtshoek uit. Maar alvorens dat te doen is eenige bekendheid met de begrippen op dit gebied wellicht tot steun, al moet de lezer zich dan eenige ietwat abstracte uiteenzettingen getroosten.

Is er inderdaad wel een kenmerkend verschil tusschen de wijsgeerig-psychologische verklaring en de historisch-aestetische of cultureele waardeering van een werk van beeldende kunst?

Wie getroffen wordt door een bepaalde smartelijke gelaatsuitdrukking verdiept zich in de gesteldheid van den voorgestelden mensch, in de wijze waarop deze het leven heeft geleefd, in z’n vreugden, z’n verdriet of zijn onmachtige leegten. Kortom, hij leest er een bepaalde levenshouding in af, die al dan niet samenklinkt met de wijze waarop de beschouwer zelf zich in het leven houdt of niet houdt. En de overdenking aan het slot keert dan in den regel tot den kunstenaar terug en concludeert op logische gronden, dat het voorgestelde feitelijk de kunstenaar zelf is, tenminste zijn bezit wel moet zijn, anders was het voorgestelde levensbeeld op deze wijze niet tot ons gekomen. Het gevaar van deze manier van kunstbeschouwing is in het verkeerde uitgangspunt besloten. Het levensbeeld in het kunstwerk wordt als voorstelling benut om er een levenshouding aan te verbinden of er een levenshouding in terug te vinden, die ons al dan niet aangenaam is, naar de mate wij de onze er in bevestigd of ontkend zien.

De wijze waarop de kunstenaar het leven beeldt (kortaf het levensbeeld) is echter niet gelijk aan de voorstelling in het kunstwerk. De periode van het cubisme in de kunst in het begin van deze eeuw begonnen, heeft in ruime mate het kunstwerk doen kennen zonder (of in beperkte mate met) voorstelling. Daarin ontbreekt dus het gebruikelijke aanknoopingspunt voor den beschouwer. Hij vindt er niets of heel weinig in terug van de natuurlijke verschijningen der wereld, die hem omgeeft en vertrouwd is. En daarom keert hij zich dan ook in den regel spoedig van dergelijke voorstellingslooze kunstwerken af. Hij weet niet wat hij er mee moet aanvangen, kan er geen levenshouding in aflezen of een natuurbeeld in terugvinden. Zelfs als de beschouwer reeds zoover is, dat hij weet dat de kunstenaar niet in alle tijden in gelijke mate er naar gestreefd heeft om de natuur zoo getrouw mogelijk af te beelden of na te volgen, dan nog staat hij bij gebrek aan een psychologisch- of wijsgeerig-houvast, vreemd of liever blind tegenover dergelijke kunstwerken.

Het is een andere vraag of men het een verlies of een winst, een verarming of een verrijking, een laagtepunt, een crisis of een hoogte vindt, waarin de kunst verkeert, die de levensvormen, de voorstellingswijzen van het levensbeeld, heeft ten onder zien gaan, vergruizelen, uiteenvallen. Maar wie zich rekenschap geeft van het geziene, zal toch moeten komen tot het inzicht, dat ook in het voorstellingslooze kunst-

werk een levenshouding tot uitdrukking kan komen op beeldende wijze. Alleen ontbreken dan de termen van de psychologie of de wijsgeerigheid om deze via de herkenbare natuurvormen te vertalen. Deze wijze van uitleggen loopt hier dus vast. Ze is te veel toegespitst op den literairen kant van de beeldende kunst. Het verhaal ontbreekt, het drama is niet te zien. De levenshouding, die op de wijze der beeldende kunst tot uitdrukking komt, moet dan ook niet met de voorstelling vereenzelvigd worden. De wijze waarop de beeldende kunstenaar zich tot het leven verhoudt, uit zich in zijn manier van zien, in de wijze waarop en wat hij van de wereld en het leven ervaren heeft. Hij kan dat beelden in eenvoudige dingen en naar de mate van zijn innerlijke gesteldheid, naar de mate van zijn ruimte en diepte, zal hij zijn instrumentatie uitbreiden, versterken of vereenvoudigen, stiller maken. Anders dan de wijsgeer of de man van wetenschap, anders ook dan de dichter, langs andere wegen, ervaart hij van het leven iets essentieels. Dat wezenlijke is in laatste instantie onnoembaar, benaderbaar, niet bereikbaar. Het is nooit bezit. Want bezit is altijd het mindere ten opzichte van hetgeen niet bezeten kan worden. Het bezit ons; wij zijn er van bezeten, gedreven; wij kunnen het in onze beste oogenblikken zijn.

De openbaring, die het kunstwerk kan geven, is altijd middellijk. Het is een medium, dat langs beeldenden weg toegang mogelijk maakt tot de essentie der dingen, die beeld-loos is. De behoefte, de drang naar beelden is daarom eindeloos in de menschen. In het beeld tracht hij de verwarrende veelheid van de levensindrukken te vangen, te boven te komen. In het beeld krijgt hij macht over de dingen, verovert hij zich inzicht.

Zijn beeldende levensverovering heeft daarom ook alleen maar waarde als ze levend verkregen is. De levende drang daarin is de waarborg.

Niet het feit dus van een levensbeeld is beslissend voor het kunstwerk, niet het feitelijke van de gegeven voorstelling. Deze kan de fototechniek beter leveren. Maar het levend verband waarin de kunstenaar zijn scheppende daad volbrengt beslist over het kunstwerk. Het kunstwerk staat dus nooit alleen of op zich zelf. Het maakt deel uit van een reeks van werken. Het is een schakel in een keten. Het kan dus naar zijn voorstellende waarde begrepen, nooit begrepen worden in zijn beteekenis van scheppende benadering van het essentieele. De beeldende levensdrang te zien in een werk; het te beschouwen niet ais een afgeronde daad, niet als een ding, maar als een etappe op een langen weg; de beeldende driften daarin te zien als de essentieele drijfveeren voor het totstandkomen, zoo het kunstwerk te beschouwen is het kunstwerk zien in zijn scheppend verband met de schepping. De beeldende driften daarin beteekenen de cosmische verbondenheid van het werk; hetzij deze zich uiten in iichamelijk hartstochtelijken brand, dan wel op mystisch schouwende wijze of in de talrijke schakeeringen van plan. De voorstelling wordt in dit verband van ondergeschikt belang. Dezelfde voorstelling kan door een dor schilder nauwkeurig op doek worden gebracht, volgens alle regelen der kunst en ons niets openbaren van een essentieel levensverband en in handen van een waarachtig kunstenaar zal deze voorstelling ons tot den grond van het leven voeren, essentieel, levend. De cosmische verbondenheid is beslissend.

A. M. HAMMACHER.

Ahasverus- Werkloze

Over heel de wereld ga ik, nimmer rust ik, nimmer sta ik, nimmer hoor ik, waar ik kom, een vertederend wellekom.

Ver van bidden en vervloeken, moet ik dulden en verzoeken, want mijn moede voeten gaan ver van het geluk vandaan.

Ik ben één en duizendtallen, ik ben niemand, ik ben allen, ik ben blank en geel en zwart en mijn doodgedragen hart

Weet niet meer in welke talen, al mijn monden leed verhalen, leed van leven en bestaan... En mijn moede voeten gaan...

JAC. VAN DER STER.

Boekbespreking

Hitler-regime en onderwijs, door E. J. van Det. N.V. De Arbeiderspers. Amsterdam 1933. (142 bladz. Prijs ƒ1.50).

Smaak en hoedanigheid van de nationaal-socialistiese pudding kunnen eigenlik alleen de Duitsers goed beoordelen die hem nu eten. Wij staan zo vreemd tegenover dit voedsel, dat een gevoel van afkeer ons het hoofd doet omwenden bij de gedachte reeds ervan te moeten proeven. En toch is dit nodig voor een juist oordeel. Maar Van Det helpt ons: hij laat ons altans de vorm zien, waarin de koek gebakken is, altans de onderwijskoek: het nationaal-socialistiese onderwijs-program. Ook de manier waarop het deeg is bereid: de propaganda der Duits-nationale gangmakers, de verkondiging van het nationaliteitsbegrip, van de eis tot weerbaarmaking der jeugd en van de opvatting van het onderrecht. Hij geeft ons een kijk op de koks die het gerecht te vmu- hebben gezet: Göring, Rust, dr. Prick en Schemm, en beschrijft ons het kookpunt in de dagen vóór de Rijksdagverkiezingen van 5 Maart 1933. Wat hij in ’t laatste hoofdstuk Ontwaking geeft, is nog geen samenstel van feiten, alleen slechts een voorspelling op grond van een inneriike verzekerdheid.

Is deze laatste opmerking mijn eenige aanmerking op het boek? Ik vind het niet ai te ordelik samengesteld, zodat ik nog al eens namen en feiten tegenkwam die ik verderop eerst in het juiste verband begreep. Dan trof mij deze tegenstelling in het oordeel van de schrijver: soms lijkt bij hem één man in Duitsland de hele ommekeer op zijn geweten te hebben (p. 63 en 137), dan weer ziet hij die verandering als gevolg van een gewijzigde volksovertuiging (109).

Maar hiermee eindigt mijn afkeurend oordeel. Van Det’s mooie werk als schrijver van dit boek Is geweest, ons het Duitse nationaal-socialisme konkreet voor te stellen, n.l. werkzaam in een belangrijk onderdeel van het volksleven, de opvoeding en het onderwijs van de jeugd. Hoe op de scholen van autoriteitswege tot spionnage onder kollega’s is aangemoedigd (108), hoe daar het Verdrag van Versailles moet worden behandeld (96—102), hoe ds lichamelijke straffen, zelfs de zware, het schoolleven weer naderen (92), wat er is overgebleven van de rechten der ouders (50—53 en 103), en vooral, hoe dapper de Duitse onderwijzers hebben gestreden tegen de naderende dreiging (106), zelfs nog toen Hitler reeds Rijkskanselier was (88, 122), ja even nog na „zijn” verkiezingen van 5 Maart (138) al deze uit officiële stukken getrokken beschrijvingen geven het boek een waarde van betekenis als verzameling van dokumenten die niet als gruwelsprookje is af te wijzen, maar die met dodelike ernst ons vlak voor de realiteit van het Duitse nationaal-socialisme plaatst.

Ik mag het dus overbodig achten, met zoveel woorden nog het boekje van mijn vroegere kollega, oud-direkteur van het Amsterdamse Buro van Beroepskeuze, de man die in de strijdgemeenschap onzer jeugd reeds om zijn Ijver, scherpzinnigheid en knapheid bekend stond, aan te bevelen. K. G.