is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 19, 10-02-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mensentypen

Heeft de schilder opzettelik, om ons te beproeven op onze geestelike gevoeligheid, de wratten op de neus van den ouden man wat aangedikt? Vluchtig, oppervlakkig als we dikwijls zijn, vallen we aan op, blijven we staan bij een ietwat vreemd bijkomstigheidje ... om dan in ’t geheel niet meer om te kijken naar het wezenlike.

De kleine jongen is dan dieper dan menig volwassene. Hem treffen niet allereerst de bijkomstigheden. Hij kent de toegangen tot het wijze warme hart van den grootvader. Hij heeft deze toegangen misschien gevonden in de stille uren, als de oude vertelde in boeiende verhalen van het wondere grote leven met z’n avonturen en romantiek. Eigenlik zie ik vooral in de houding van het kind nog iets meer: het weet bij grootvader bescherming en veiligheid. Wie weet hoe vaak hier jongensverdriet werd gestild, hoe dikwels plooien in een kinderziel tot zuiverheid werden wegge-

streken. Er is hier iets van de religieuze overgave van het vertrouwen.

En de oude? Ligt er op zijn gezicht niet iets van de vrome verwondering om de opgroei van nieuw leven? Hij zelf nadert de grens; hij weet van het verglijden van de levensdagen naar de geheimzinnige diepte van de dood. Maar aan de stam van zijn leven ontlook nieuw leven: ligt er niet in zijn ogen iets als een vraag naar wat ontluiken gaat in de ziel van dit kind. Zijn leven in dit kind maar ook hèt leven, het eeuwige wonder; en dus Gods leven.

CHIRLANDAJO

Grootvader en kleinkind

En het alles overstraald, verinnigd door een diepe vertrouwelikheid, die geluk is. Men kan dit kind benijden, dat het iemand heeft die zóveel voor hem betekent, dat hij zó overgegeven kan opzien. Zooals men grootvader benijden kan, dat hij een zo aanhankelike liefde zo eerbiedig leerde ontvangen. Dit is een waarlik vroom hart.

De boerenbonden en de sociaal-democratie

De verhooging van het agrarisch inkomen

111.

In een vorige statistiek toonden we de catastrofale daling van het agrarisch inkomen aan. De landbouwproductie daalde van een gemiddelde over de jaren 1923— 1928 van ruim één milliard gulden tot 621 millioen in het oogstjaar 1931—’32. En daar de onkosten als meststoffen, veevoer, landbouwmachines verhoudingsgewijze veel minder daaiden (van + 480 miilioen tot 335 miiiioen) ging het zuiver agrarische inkomen terug van + 550 millioen tot 285 miilioen.

De oorzaak van deze teruggang ligt in de daling der landbouwproducten op de wereldmarkt. Het gemiddelde uitvoercijfer van landbouwproducten in de jaren 1923 1928 was 492.9 millioen gulden, in 1932 was dit nog siechts 241.6 millioen; een teruggang dus van 251.3 millioen gulden. Die is er dus alvast minder te „verdeelen”. Doch de prijsdaling geldt ook voor de binnenlandsche markt. Ons land is met zijn 8 millioen inwoners zelf een belangrijke afnemer. Het streven nu is:

le. om de inlandsche afzet tegen een behooriijke prijs te verkrijgen; 2e. om van de buitenlandsche markt te maken, wat er van te maken is. De daiing van de prijzen der landbouwproducten beteekende een prijsverlaging

van de eerste levensbehoeften. Aldus profiteerde het niet-agrarisch deel van de bevolking van de landbouwcrisis.

Het doel van de steunwetten is nu echter, om de prijs in overeenstemming te brengen met de productiekosten. Sedert de z.g. machtigingswet kan de regeering buiten de Kamers om, regelend optreden. Het bezwaar van deze steunwetten is, dat ze aanvankelijk geheel zonder systeem werkten. Als de heer Smid in „Landbouw en Maatschappij” schrijft, dat de moderne arbeidersbeweging met de industrieele werkgevers samenspant om de steunwetten en daarmee de prijsstijging van de landbouwproducten te verhinderen, dan is dit pertinent onwaar. Bij slechts drie producten stemde de S.D.A.P. tegen en dat nog wel, omdat zij vreesde, dat de prijsstijging onevenredig zou zijn aan het voordeel, dat de landbouw er van had. Daar komt nog bij, dat ook in de industrie telkens loonsverlagingen plaats vinden, die gerechtvaardigd heeten te zijn uit het iagere prijsniveau.

Dat de S.D.A.P. stemde tegen de tarwewet, de oudste steunwet, (alleen Hiemstra stemde, naar ik meen, voor) kwam, omdat men vreesde dat de steun enkel ten goede zou komen aan de groote kleiboeren. Bovendien beteekende uitbreiding van de tarwewet minder werkgelegenheid, omdat tarwe door de machines weinig arbeiders vraagt, en tevens beteekent het duurder

brood. Dat het met de broodprijs nog al is meegevallen, komt van de verdergegane daling van de buitenlandsche tarwe.

Het bezwaar van het margarine-menggebod was, dat juist de allerarmsten werden getroffen.

Het is een onzettend moeilijk vraagstuk om met uitschakeling van de vrije prijsbepaling en met behoud van de vrijheid van het bedrijf een systeem te vinden, waarbij althans het binnenlandsch verbruik een prijs voor de landbouwproducten betaalt, die een loonende productie waarborgt. De boerenbonden zijn uit den aard der zaak zeer gesteld op de vrijheid in het bedrijf. Hooge invoerrechten en contigenteering van veevoerproducten zou b.v. graanbouw iets loonender kunnen maken, maar ’t gevolg is dadelijk, dat de onkossten voor ’t veehoudersbedrijf zouden stijgen, waardoor alle voordeel weer opgeslokt wordt. Uitbreiding van de graanbouw beteekent tevens meer werkloosheid onder de landarbeiders, dus weer lagere loonen en meer steuntrekkenden. Mogelijk wordt het akkerbedrijf als bedrijf er loonender door, mogelijk kan zeifs de pacht er door stijgen, maar de arbeidersklasse zoowel in de stad, als op het platteland, moet de last dragen. Is het verschil tusschen door de regeering bepaalde prijs en de kleinhandelsprijs te groot, zooals bij de aardappelen dan tiert de smokkelhandel welig. Krachtige centralisatie van in- en uitvoer stuit op verzet van den handel; daardoor heeft b.v. de organisatie van de graaninvoer weinig beteekenis. Een centraal lichaam, dat ultvoervoorraden kan aanbieden in ruil tegen invoerartikelen, ontbreekt. We zien een regeeringsbemoeiïng, die door haar halfslachtigheid alier ontevredenheid opwekt, en daardoor het verlangen doet opkomen naar een krachtige arm.

De geest van de vrije kapitalistische maatschappij verlangt vrijheid, maar ’t is juist deze vrijheid, die een oplossing onmogelijk maakt. De gebonden maatschappijvorm neemt een deel dezer vrijheid weg. Velen zoeken het tooverwoord, dat de chaos van de vrije maatschappij tot orde kan brengen. Ook de boerenbonden zoeken er naar en daardoor zoeken ze naar het onmogelijke. De volkomen vrije maatschappij, ideaal van het liberalisme, had nog de kracht om, zij het dan door het leed der arbeiders, zich zelf door de crisis heen te herstellen. Dat stadium is voorbij, en daarom herstelt de crisis zich zoo moeilijk; ’t is geen conjunctuur-, maar een structuurcrisis Voor die gewijzigde structuur ontbreken ons ten eenenmale de organen. Mogelijk dat de tegenwoordige crisismaatregelen iets van die organen vóórtbrengen. Het landbouwrapport van de S.D.A.P. geeft een kort schema voor zulke nieuwe organen. Ik geloof niet, dat de boerenbonden daar veel benul van hebben. Ze verwachten veel van invoerrechten, contigenteeringen, regeeringstoeslagen, loonsverlagingen en ze zoeken naar het tooverwoord, dat het vrije bedrijf loonende prijzen waarborgt. En bovenal doet opgeld: het aanpassen van het levenspeil en het loonniveau in handel, industrie en regeeringsapparaat aan de veranderde omstandigheden in de landbouw.

Daarover een volgend artikel. De conclusie van dit artikel luidt dus: verhooging van de geldelijke opbrengst van de landbouwproductie is noodig; ze moet althans een behoorlijk loon der landbouwende bevolking waarborgen. Daarvoor zijn organen noodig, die de productie en de in- en uitvoer regelen en die er voor zorgen, dat het agrarische inkomen in de eerste plaats in handen komt van de werkers.

K. TERPSTRA.