is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 23, 10-03-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buitenland

Hoe één zij zijn

Laat nog, schijnbaar achteloos, kwam Minister Goering op de conferentie met de buitenlandsche pers. Het was om tegen te spreken, dat de vrijlating der drie Bulgaren aanleiding had gegeven tot meeningsverschillen tusschen hem en Hitler. Zelfs is hij een gek, die eenige tegenstrijdigheid bespeurt tusschen deze vrijlating en ’smans bulderende dreigementen indertijd tijdens het Leipziger proces. Had hij iets kwaads tegen Dimitroff c.s. in den zin? Zijn voornemen was slechts geweest de vrijlating te doen geschieden op het oogenblik, „toen de gedeeltelijk onvriendelijke buitenlandsche persstemmen eenigszins waren weggestorven.” Hij, Goering, laat zich nu eenmaal door het buitenland de wet niet stellen. Wèl natuurlijk door den „Leider”; echter weer niet in dien zin, dat hij zijn eventueel afwijkende meening aan dezen ondergeschikt zou behoeven te maken: „Goering stelde vast, dat er nooit verschillen bestaan tusschen den Leider en zijn onderleiders” Zij zijn ongescheiden en ononderscheiden één.

Langzamerhand leeren wij het de taal der nationaal-socialisten te verstaan. Wij vermoeden dan ook, dat de correspondent van de „Times”, ofschoon het hem natuurlijk niet onbekend was, dat juist zijn conservatieve blad, evenals de andere Engelsche organen, de laatste weken een krachtige campagne voor de vrijlating had gevoerd een campagne, welke ten slotte geculmineerd had in de woorden: „eerlang zal blijken, of Duitschland nog wel onder de beschaafde naties mag worden gerekend” en die op het moment zelve met succes bekroond was —, dat bedoelde correspondent, een fijne glimlach om de lippen, onder dezulken geweest is, die naar de woorden van het Duitsche Nieuwsbureau, „veel begrip toonden” voor het standpunt van den Pruisischen minister-president. Natuurlijk, zoo zal hij gedacht hebben: deze man liegt evenmin ais onze staatslui, alleen staat hem zijn ongelikte-berenkarakter in den weg bij het formuleeren van „officieele waarheden”. Wij zéggen die dingen alleen maar een beetje anders.

Toch heeft de loslippigheid van zoo menig tegenwoordig „Leider” ten minste dit voor, dat het ondanks het ontbreken van democratische organen niet zoo heel lasis daaruit af te lezen, wat er zich achter de schermen der dictatuur afspeeit. En dan merkt men al heel gauw, dat het alles behalve bewierookte eenheid is, die zich daar achter verbergt. Duitschland zou op weg naar de volledige rijks- en volkseenheid zijn? Wat door Bismarck en Weimar zou zijn verzuimd, wordt door Hitler ingehaald? Maar wanneer enthousiasten de grenspalen tusschen het voormalige vorstendommetje Hohenzollern-Sigmaringen en Baden willen wegruimen, komt van uit Berlijn het bericht: Laten staan. Zoo heeft de machtige Pruisische minister-president het niet bedoeld. Als Pruisen geheel in het Rijk opgaat, is hij zijn positie kwijt en daar is hij voorloopig nog niet aan toe. Wie de kunst van deduceeren en combineeren verstaat, zooals de redacteur van Das Neue Tagehuch, Leopold Schwarzschild, heeft zelfs de komische noot kunnen ontwaren in den griezeligen achterbakschen partijstrijd tusschen Goering en Goebbels achter de coulissen van het Derde Rijk. De laatste zou in zijn kwaliteit van „veroveraar van

Berlijn” door het gemeentebestuur der hoofdstad tot „eeretaurger” benoemd zijn, wat echter Goerings berserkerwoede bijna zou hebben gewekt: althans de goede Berlijners wisten niet hoe gauw nóg een eereburgerschap klaar te stoomen, dat vervolgens zelfs telegrafisch het ongemakkelijke heerschap zou zijn aangeboden.

Zouden het intusschen enkel persoonlijke tegenstellingen zijn, die hoe langer hoe duidelijker onder het maskeradepakje der nationale eenheid te voorschijn komen? Allerminst; wij ontdekken in den nationaal-socialistischen staat merkwaardigerwijze dezelfde controversen tusschen „revolutionnairen” en „opportunisten”, die vanzelfsprekend tot nu toe iedere massabeweging kenmerkten. Ja zelfs, wij treffen er reeds dezelfde karakterlooze pogingen aan, om de ronkende fraze en het femelend gedaas aan te wenden ter overbrugging van deze in zich zelf onoverbrugbare tegenstellingen. Stellig, nu men aan de macht gekomen is, ontwaken „verantwoordelijkheidsbesef” en „grootmoedigheid”, maar daar is ook „naïeve bevredigdheid in het louter bezit van de macht”. De cuituurgeschiedenis van de XXste eeuw zal het walgelijk type van den „verzadigden fascist” kennen, zooals de XlXde dat van den „bourgeois satisfait” opgeleverd heeft en dat van den socialist, die het „heerlijk ver” gebracht had.

Er heerscht in Duitschland op ’t oogenblik een gruwelijke angst in arbeiderskringen, dat met 1 Mei opnieuw de toch al zoo uitgesmeerde loonen zullen worden verlaagd. Begrijpelijk, want het Derde Rijk is bezig op ontzettende wijze te verarmen. De handelsbalans was er in Januari met 31 millioen passief, terwijl die in Januari van het vorige jaar tenminste nog met 23 millioen actief was. In werkelijkheid is de achteruitgang veel en veel erger, omdat de uitvoer door het buitenland voor een goed deel met „scrips”, waardeloos papier, betaaid wordt. Maar nu zijn er onder de revolutionnaire fascisten, die zich vaaglijk nog een en ander herinneren van het programma der N.S.D.A.P.: afschaffing van inkomens, die niet uit arbeid verkregen waren; socialiseering van de trusts en warenhuizen. Waarom gebeurt nu niets van dat alles? De rijksminister van economische zaken Schmitt heeft het antwoord gegeven: het kapitaal moet zekerheid hebben, zegt hij, er moet vertrouwen wezen, opdat wederom kan worden gespaard. En dat: „opdat de nationaal-socialistische mensch gevormd worde, die het belang van de gemeenschap boven eigen belang stelt”. Bravo! Maar is er niet al eens eerder naar dien mensch gezocht, al noemde men hem dan niet „nationaal-socialist”? Bestaan heeft hij zelden, evenmin als de „homo sapiens” der biologen en de „homoeconomicus” der Manchester-liberalen. Zich versieren met het etiketje daarvan is echter wel altijd een vrij onfeilbaar middel gebleken om zijn eigenbelang het best te behartigen.

Ook zijn er op ’t oogenblik in Duitschland revolutionnaire nationaal-socialisten genoeg, die zich als Habicht in München afvragen, waarom het gewelddadig offensief tegen Oostenrijk juist op dit oogenblik moet worden stopgezet en men volstaan moest met middelen van „vreedzame propaganda, die er vooral op gericht zijn de

vroeger sociaal-democratisch gezinde arbeiders naar ons toe te trekken.” Zeker, Duitschlands internationale positie is uiterst bezwaarlijk. Polens vriendschap moe,st worden gekocht. Mussolini had er op gerekend, zijn nieuwe vrienden als stormram tegen Frankrijk te kunnen gebruiken. Maar Hitler is zoete broodjes gaan bakken bij Daiadier. En Daladier is in het politieke Nirwana teruggedeinsd: daar rijzen de fantomen van Barthou en Pétain uit den grooten oorlog omhoog. Zelfs de afschuwelijke mogelijkheid van een Italiaansch-Fransche entente inzake Duitschlands bewapening. Drie waarnemers berichten, dat Mussolini in particuliere gesprekken, als hij de namen van Hitler en Duitschland maar hoort, aan ware woedeuitbarstingen ten prooi is.

De vrijlating der Bulgaren is vermoedelijk geschied terwille van de Engelsche publieke opinie, de eenige dan ook inderdaad die tevreden te stellen is met een schijn-toenadering. Wat kon Hitler anders dan zijn kwade honden terugroepen van buurmans erf? In zijn rede op den „Heidenherdenkingsdag” beroemt hij zich tegenover het Oostenrij ksche en het Italiaansche fascisme op zijn populariteit: hij durft het aan, jaarlijks zijn volk om goedkeuring van zijn daden te vragen. „Een klein staatsman is hij, die vreest door het volk op zij geschoven te worden, die voor de verleiding bezwijkt, door buitenlandsche successen de ontbrekende binnenlandsche goed te maken.” Prachtig! Maar hoe zal het worden, als Frankrijk niet met een kluitje in ’t riet blijkt te sturen en deugdelijke sancties tegen herbewapening gaat eischen? Dan zullen wel zeer veel herdenkingsdagen en gigantische beëedigingen dienen te worden georganiseerd! Maar vroeg of laat komt de dag, waarop S.A. zich de vreeselijke vraag zal voorleggen: deden vroegere regeeringen eigenlijk niet desgelijks? * * *

Men meene niet, dat wij in het bovenstaande een spoedige ineenstorting van het nationaal-socialistisch bewind suggereeren. Trouwens zelfs indien die kwam, zou dat nog geen herstel van de demokratische beschaving in Midden-Europa beteekenen. Het is waarschijnlijk, dat ook in Duitschland eerlang de routine het gaat winnen van de extase. Gebeurt dat, dan zijn uitbarstingen van wanhoop zeker niet onmogelijk en daarna een soort wegzinken in nerveuze verslapping onafwendbaar. In beide gevallen: dieper leed voor een in het hart door en door ziek volk. Is de eenheids-kramp, waaraan de Duitschers sedert eenige jaren ten prooi zijn, op zich zelf niet al het bewijs van hun psychische aberratie? Begint men zich niet met „eenheid” te benevelen eenheid in het gezin, in de partij, in het volk —, wanneer de werkelijke eenheid zoek is, wanneer men haar niet meer levend in zich als iets vanzelfsprekends ervaart? Over de uiterlijke oorzaken der nationaal-socialistische verdwazing is veel en velerlei te zeggen. Maar de innerlijke oorzaak lijkt ons te liggen in het kennelijk failliet van het gevoels- en gedachteleven van een groot deel der huidige menschheid. Ook van het onze? Laat ons eerlijk wezen: leven menschelijke eenheid en broederlijkheid, anders dan als te vaak gebezigde woorden, in ons? Slechts wanneer wij onze eigen ontoereikendheid kunnen ontwaren, is er althans kans, dat woordeloos en gezuiverd verldngen naar broederschap in ons ontkiemt: het eenige misschien nog, waarvan genezing is te hopen.

J. S. BARTSTRA.