is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 23, 10-03-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mensentypen

Het beschouwende leven (Kathedraal van Chartres, dertiende eeuw)

Na wat wij de vorige week schreven over de beide figuren, die elk een fase van het beschouwende leven uitbeelden, tans naast dit verinnigde gezicht een paar woorden uit het boekje, dat misschien de beste wegwijzer naar het innerlik heiligdom is, de „Navolging van Christus”, op naam van Thomas d Kempis: Op twee vleugelen verheft zich de mens boven het aardse: door eenvoud namelik en door zuiverheid. Eenvoud moet er zijn in de richting van ons innerlik leven, zuiverheid in onze genegenheden. De eenvoud doelt en richt zich op God, de zuiverheid grijpt Hem aan en geniet Hem Ware uw hart gesteld, zoals het behoorde, dan zou elk schepsel een spiegel des levens en een boek vol heilige lering zijn. Geen schepsel is er zo klein of gering, of het

stelt u Gods goedheid voor ogen. Zo gij innerlik goed en zuiver waart, zoudt gij alle dingen zonder beletsel kunnen zien en recht verstaan. Een rein hart dringt door hemel en hel

Gelijk het ijzer, in het vuur gestoken, zijn roest verliest, en geheel en al gloeiend wordt, zo wordt een mens, die zich in oprechtheid tot God keert, van alle lauwheid ontdaan en in een nieuwen mens herschapen

Zalig de oren, die niet luisteren naar de stem die daarbuiten klinkt, maar naar de waarheid, die ons inwendig onderwijst. Zalig de ogen, die voor de uitwendige dingen gesloten, maar tot de inwendige aandachtig zijn. Zalig zij, die vurig begeren voor God te leven, en alle beletsel der wereld vermogen af te schudden.

Opvoeding j iiiiiiiiiiiiiiiiiiiii I iiiiiiiiiiiiiiiiiiiil =

Dr. Alfred Adler: De psychologie van het individueele op school en in het gezin. Vertaling van P. van Schilfgaarde. (Utrecht, Erve J. Bijleveld, 1933. 122 bladz., gebonden ƒ2.75, ingenaaid ƒ2.—).

Dit boek is, blijkens de voorrede van de vertaler, een bundel lezingen, door de auteur in 1928 te Weenen gehouden voor onderwijzers en leraren over het thema „moelike kinderen op school”. De tietel is een vertaling van de term „Individualpsychologie”, waarmee de wetenschap wordt aangeduid, die het tot haar praktiese taak rekent, „in elke konkrete opvoedingsmoelikheid van advies te (kunnen) dienen”. „Adler wilde een samenwerking tot stand brengen tussen psychiater (arts voor zielsziekten), leerkracht en ouders, op de wijze als ook ten onzent wordt nagestreefd door de adviesburo’s voor moeilike kinderen.”

In deze rubriek kunnen natuurlik niet alle lezingeri worden besproken; laat ik dus wat dieper op de eerste de beste ingaan, die waarmee het boek opent: De voorbereiding in het gezin. Hier gaat het over kinderen vóór ze op school zijn. En dan hindert mij allereerst, dat deze kinderen zo eenvoudig en zo schematies worden gezien. Het lijkt wel of we weer bij Rousseau zijn aangeland die hun ziel beschouwde als een blanko papier waarop de opvoeder maar te schrijven had: „Deze (d.i. de egocentriese, de zich rondom het eigen ilc

bewegende) neigingen zijn nooit aangeboren: zij ontstaan door de ervaringen der eerste levensjaren.” (pag. 13). Een kleine halve eeuw geleden, toen we Eline Vere lazen en de erfelikheid als een Noodlot drukte, leerden we presies het tegendeel. „Reeds de eerste indrukken (in het gezin) bepalen de richting der ontwikkeling (van het kind)” (pag. 10). Hier zou over het woord bepalen zijn te strijden, evenals in de bekende definitie van Marx omtrent het maatschappelik zijn en het bewustzijn. Maar indien de bedoeling is, dat de opvoeding na het zesde jaar geen grote invloed heeft op de mens, dan acht ik deze uitspraak onjuist. Ik heb op de kweekschool leren werken, schoorvoetend, weerbarstig zelfs, en later is mij de arbeid tot een levensgenot geworden. Nu mag het zijn, dat Adler in de opvoeding alle nadruk legt op sociale gezindheid en dan alle geestelike goederen daaronder rangschikt, zelfs de godsdienst (blz. 15), dit is mij te kunstig, te theoreties, te schematies. Het leven is oneindig rijker dan het in deze schema’s wordt afgebeeld, en de mens is oneindig samengestelder dan hij in deze pedagogie wordt gezien. „Wat is de. juiste verhouding tussen kind en moeder?” vraagt Adler. Antwoord: „Het kind moet belangstellen in zijn moeder, het moet in haar een medemens zien”. (Pag. 10). Och neen, sociale pedagoog. Het kind, vooral het jonge kind, moet in de moeder geen medemens zien; zij moet het een andersoortig wezen zijn, absoluut goed, absoluut liefdevol, absoluut zorgdragend. Het jonge kind zoekt bij haar toevlucht als de volwassene bij God. Wel moogt ge de zaak omkeren, omdat de moeder zelf beter weet: zij heeft het

kind te beschouwen als medemens, evenals zij een schepsel Gods dat, door de moeder mede, tot Hem moet worden geleid. Miskend wordt hier in deze rede, dunkt mij, ook het geheel der persoonlikheid van de opvoeder. Als ik hier lees: „De kunst van het opvoeden nu kan door ieder worden geleerd en beoefend. Daartoe behoeft men slechts ... (pag. 14), dan wijs ik deze overschatting der wetenschap af, die tot een forceren van de pedagogie wordt, een pedagogisme.

Aan dit gebrek wijt ik ook de gemakkelike algemeenheden in deze rede, b.v.: „Kinderen met een onvoldoend ontwikkeld gemeenschapsgevoel hebben gewoonlik moeilikheiden met het spreken” (pag. 15). Och, hoeveel a-sociale kindertjes heb ik niet gekend met een radde, gladde tong! En dan deze uitspraak aangaande een vijfjarige jongen: „uit zijn gedrag kunnen we voorspellen, hoe het (lees: hij) zich op school zal gedragen” (pag. 15). Wij hebben aan ekonomies en geografies determinisme zeker nog niet genoeg; er bestaat nog net behoefte aan kleuterjaren-determinismel

Dergelijke „aforismen” zijn voor het grijpen in deze redevoering („straf is nooit een hulp” (pag. 17). Maar daarom is ze niet verwerpelik, en evenmin de hele bundel. Wat wij opvoeders, ouders vooral, nodig hebben is: prikkels tot nadenken over ons werk. En die geeft, zooals hiervoor blijkt, Adler in overvloed. Juist door de durf en de eenvoud der redenering werkt hij stimulerend op onze aandacht. En socialisten zullen hem daarbij nog deze goede noot geven, dat hij op de waarde der gemeenschap voor de opvoeding zozeer de klemtoon légt. De vertaling van het boek is geschied in goed Hollands. K. GEERTSMA.

Boekbespreking iiiiiiiiiiiiiiiiiiiii iiiiiiiiiiiiiiiiiiiil

C. P. Andrews, Wat ik aan Christus te danken heb. Uitgave Erven J. Bijleveld, Utrecht 1933.

De bekende vriend van Ghandi vertelt in deze autobiographie, wat Christus in zijn leven heeft beteekend. Het is moeilijk, tot een juist oordeel over dit boek te komen. Wij leeren er een zuiver, oprecht vroom, moedig mensch uit kennen. Aan den anderen kant zal de vroomheid die uit dit boek spreekt, vrij ver van de meeste lezers af staan, zij is daarvoor te zeer van een bepaald type, met bekeeringen, enz., te ongecompliceerd ook, toch ook te weinig sociaal. Van den maatschappelijken achtergrond van armoede en koloniale toestanden spreekt de schrijver niet. Typisch is ook, dat hij door ziekte verhinderd wordt met eenige vrienden Jezus geheel na te volgen. Kan men dat niet doen, als men ziek of zwak is? Het is een boek dat ons in aanraking brengt met een aantrekkelijk mensch en dat toch teleur stelt.

H. d. V.

G. J. Sirks, Het Onze Vader. Uitg. Lankamp en Brinkman, Amsterdam. 1934. 53 bladz. Prijs /1.75.

Drie preken over het oude gebed, waartoe de religieuze mens der verschillende eeuwen telkens terugkeert: heeft men niet steeds het gevoel dat hier schatten verborgen blijven? dat men slechts langzaam aan, door strijd en leed rijpende, leert verstaan? Sirks nadert het gebed met een eerbiedige schroom, en voert ons met grote behoedzaamheid binnen. Er staan prachtige zinnen op deze bladzijden; woorden, die blijven glanzen van innerlike wijsheid. Het Onze Vader wordt hier rot een schoon geordend geheel, bijna tot een kunstwerk. Ligt daar misschien de oorzaak van een eigenaardig gevoel, dat ik niet kwijt kon toen ik. de laatste bladzijden had gelezen en bleef voortpeinzen? Is een gebed wel zo geordend, zo gaaf,, zo harmonies schoon? Of ligt het alleen aan mijn eigen temperament, dat ook de dieps geslagenheid, de schreeuw der lege ziel, de gebrokenheid in alle bidden voelbaar weet? Toch; een zeer fijn en diep boekje, dat tegen de Paasdagen velen welkom zal zijn. w. B.