is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 24, 17-03-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De nieuwe periode van het Socialisme

11. Het eerste grote verschil tussen voor- en na-oorlogs socialisme is dus, dat na 1918 het socialisme een kultuurleer moest worden.

Dit is echter van vele kanten bestreden. Die bestrijding kwam allereerst van onze orthodox-Protestante en KathoUeke vrienden. Zij trachtten het socialisme te beperken tot een sociaal-ekonomies stelsel. Dat was begrijpelik.

Want de menselike geest, die zich op verschillende levensgebieden uit, is één en dezelfde. De mens heeft de neiging, als hij op een bepaald gebied diep gegrepen is door een nieuw princiep, dat princiep ook toe te passen op de andere levensgebieden. Zó alleen komt er weer harmonie tussen zijn verschillende levensuitingen. En het zoeken naar eigen levenshouding, naar een socialisties standpunt t.a.v. de kuituur als geheel, zal daarom ook noodwendig in verband staan met en gevoed worden uit een levensbeschouwing. Nu zal een socialistiese kultuurleer niet zelf ook levensbeschouwing zijn, maar zij zal waarschijnlijk wel elementen bevatten, die met sómmige levensbeschouwingen onverenigbaar zijn. Welke die levensbeschouwingen zullen zijn, hangt natuurlijk af van de nader te preciseren inhoud dezer kultuurleer. Maar het is wel zeer waarschijnlijk, dat de R.K. en orthodox-Protestante levensbeschouwingen tot hen zullen blijken te behoren.

Dat wil dus zeggen, dat wij bij de strijd voor een socialistiese kuituur op hen niet zullen kunnen rekenen, dat dus een omvattende strijdgemeenschap met hen onmogelijk is. En waar deze toch geprobeerd is, is die gespletenheid, die disharmonie ontstaan, die bijv. aan het duitse

Katholiek-socialisme zo iets onrustigs en onzekers heeft gegeven. De praktiese eenheid met hen zou alleen mogelik zijn, als het socialisme inderdaad slechts een produksiestelsel was. En als bijv. onze orthodox-Protestante socialistiese vrienden juist dat met zoveel nadruk betogen, moeten we dat zien als een poging de praktiese eenheid toch nog mogelik te maken. Het zal na het bovenstaande duidelik zijn, dat naar onze mening die poging geen sukses zal kunnen, zelfs niet mógen, hebben. Al blijft een bepaalde vorm van samenwerking op ekonomies gebied niet alleen wenselik, maar zelfs dringend geboden.

Tegen een opvatting, die het socialisme normatief wilde stellen op alle kultuurgebieden, bestond echter ook bezwaar in andere kringen en wel in de oude socialistiese beweging zelf. Hier had het verzet minder eerbiedwaardige gronden: sleur, konservatisme, en vooral ook angst voor de nieuwe eisen, speelden hier een rol. En in het „ouderen-jongeren-probleem” is zeker de strijd om het socialisme als kultuurbeweging de voornaamste faktor. Dit verband blijkt duidelik, als wij bijv. even letten op Frankrijk en Rusland. Geen van beide landen schijnt die diepe tegenstelling tussen ouderen en jongeren te kennen, maar door tegengestelde oorzaken: Frankrijk niet, omdat ook de jongeren er geen behoefte aan een eigen socialisties waardensysteem blijken te hebben, nog volkomen burgerlik zijn en dus gemakkelik de leiding der ouderen kunnen aanvaarden op de oorzaken daarvan kunnen wij hier niet ingaan, Rusland niet, omdat de revolutie de zaken daar zó fundamenteel heeft omgewenteld, dat óók de ouderen

de noodzakelikheid van een wijziging in levenshouding hebben beseft. Zo is het kommunisme daar tot kultuurleer uitgebouwd. Dat blijkt uit alles. Buitengewoon merkwaardig bijv. is nog steeds Alexandra Kollontay’s „Wege der Liebe”, waarin de mannelike hoofdpersoon t.a.v. allerlei gedragingen op zeer verschillend gebied, bijv. t.a.v. zijn sexuele moraal, het verwijt toegeworpen krijgt: „Du, bist du ein Kommunist?”

Sinds Hendrik de Man’s „Psychologie van het Socialisme” spreekt men veel van de „verburgerliking” van de socialistiese arbeidersbeweging. Wij hebben echter gezien, dat de beweging, wat haar kulturele positie betrof, in wezen steeds burgerlik is geweest en zich sinds de oorlog pas langzaam, daarvan bewust begint te worden. Wij zouden dus beter kunnen spreken van „ontburgerliking” in geestelik en kultureel opzicht. Toch had Hendrik de Man gelijk: op politiek terrein en daar lagen voor de oorlog immers de voornaamste verschillen tussen socialistiese en burgerlike wereld kan men zeker spreken van een verburgerliking, in die zin, dat de beweging meer en meer haar strijdmiddelen aanpaste aan de burgerlike, zich instelde op hervormingen binnen het kapitalisme en het doel uit het oog verloor. Laten wij hopen, dat het beginnende proses van geestelik-kulturele ontburgerliking de politiek-sociale vèrburgerliking zal kunnen stoppen, korrigeren en daardoor aan de gehele beweging nieuwe kracht en nieuwe inhoud zal toevoeren.

Het spreekt vanzelf, dat met de kwalifisering der oude beweging als kultureel burgerlik geen enkele persoonlike diskwalifikatie van onze oude strijders bedoeld is. Integendeel: de eerste socialisten hebben een persoonlike offerbereidheid getoond, die hen boven elke persoonlike diskwalifi-

Clérambault (slot)

Naar de roman van Romain Rolland, bewerkt door Wilha. Snellen.

Bij die jonge menschen vond Clérambault óf een verheerlijking van het meesterschap óf van het dienen; het ideaal van gelijk zijn bestond voor hen niet. Die jongeren helden over naar materieele vrijheid voor allen bij een geestelijke slavernij en dit achtte Clérambault de ergste onvrijheid. Clérambault kon niet meegaan in hun gevoel van haat. „U zult toch ook sommige menschen wel haten,” zeiden ze.

Daarop kwam juist een van hen met een krant in de hand binnenloopen, en schreeuwde Clérambault toe:

„Nu ik mag u gelukwenschen, uw vijand is dood.” Bertin, de prikkelbare journalist, had een plotselinge longontsteking gekregen, die in enkele uren met den dood was beslist. Al zes maanden lang goot Bertin zijn toorn uit over allen, die het heilige vaderland en zelfs den „heiligen” oorlog wilden aanranden. Clérambault moest er zeer in het bijzonder van lusten. De jongeren wonden zich op minder fijne wijze over den doode op.

„Nou, en doet dat u dan geen plezier?” Clérambault vloog op: „plezier, plezier”, zei hij, nam zijn hoed af en ging weg. Daar stond hij in de donkere straat, en hij zag Bertin voor zich ,zooals hij was, zeventien jaar oud, ook droomende. Wat was toen de toekomst mooi voor hem! Och en wat maakt het leven later van ons? Clérambault mijmerde voort.

Toen hoorde hij een luchtgevecht en met welk doel? Waarvoor dit? Alles werd zoo zwart om hem heen. „Ook zij dienen, die enkel staan en wachten” (Milton). Deze woorden drukten Clérambault’s stemming volkomen uit. Hij voelde zich weer rustig in de eenzaamheid en er kwam een sterk gevoel over hem van eenheid met zijn zoon, met zijne vrouw, met zijne dochter, met allen.

Eens kwam een dame (Mevr. Froment) aan de deur en bracht een brief met een bos viooltjes erbij. Hij ziet haar later in den tuin van het Luxembourg; zij maken kennis en hij komt te weten, dat zij een zoon heeft, die hem vereert. Daarna ontmoeten zij elkaar meermalen. Hij gaat een keer met Mevr. Froment mee naar haar zoon. Daar ligt een blonde jonge man van 25 jaar; een paar intelligente, klare oogen verhelderen zijn gezicht. Hij leek zoo gezond, zoo kalm, dat men niet dadelijk aan een zieke zou denken.

„Bent u daar?” zei hij verrast. Clérambault buigt zich over Edme heen. Hij bemerkt, dat de jongen onbewegelijk is. „Er zit geen leven meer in”, fluistert de jonge man en zegt dan met een grapje, dat hij zich gevoelt, alsof hij in een Egyptische mummie huist. „Maar jij leeft meer dan wij een van allen”, zei zij vriend Chastenay met warmte.

Ze praten niet meer over zijn lijden en Edme vertelt dan hoe Clérambault de jonge menschen uit de loopgraven heeft wakkergeschud. Hij had geen oogenblik iets moois aan den oorlog gevonden; hij had direct doorzien, dat het niets was. Edme’s vader was een man geweest met een breeden kijk

op de dingen. Hij had zijn kinderen sterk gemaakt tegenover het leven zelf. Het beeld van den vader was als een afgod voor zijne vrouw. Toen de oorlog uitbrak, waren moeder en zoon kalm; zij trachtten zich niet te verzetten tegen het onvermijdelijke.

Zij trachtten te redden wat te redden was: hun trouw aan het geloof. Mevr. Froment was niet van oordeel, dat het ter wille van de internationale verhouding goed zou zijn, zich geheel buiten den oorlog te houden, zooals twee of drie Fransche, Engelsche en Duitsche schrijvers deden. Zij bracht niettemin, waar zij kwam, een zuivere sfeer van vrede en door het verspreiden van de artikelen van Clérambault had zij tot haar grootste voldoening haar zoon van stemming doen veranderen.

Bij het begin van den oorlog had hij geen ander oordeel dan dat de oorlog een dwaasheid was; maar hij dacht er niet over anderen te overtuigen. Clérambault’s artikelen hadden hem tot het inzicht gebracht, dat hij er wel wat tegen kon doen. Alleen ging de jonge leerling verder dan zijn meester. Hij zag in de persoonlijkheid, die boven anderen uitblonk, het hoogste. Dit trotsche individualisme staalde Clérambault.

Froment bewees hem nog een dienst. Hij leerde hem de strijders voor de waarheid en de vrijheid in andere landen kennen. Als Clérambault bij Froment kwam, zag hij er altijd den een of anderen vriend, die er hulp zocht. Hoe anders ook, ze kwamen bij hem, die de verschillende kanten van de zich kruisende wegen overzag. Froment was niet altijd geweest degeen die vereenigen kon. Alles in hem was geest-