is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 26, 31-03-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook het vraagstuk van den woningbouw en andere stedenbouwkundige vraagstukken onde> den loupe zal nemen.

Er blijkt, dat het werk van verschillende com nissies ernstig wordt bemoeilijkt door het ontbreken van goed statistisch materiaal. De statistiek is in België stiefmoederlijk bedeeld; de regeering heeft er nooit veel geld voor over gehad.

„En statistische gegevens” klaagt Herman Vos, „vormen toch eigenlijk de noodzakelijkste en meest onontbeerlijke grondslag voor een goede plan-huishouding”. Er is dus een Commissie voor de Statistiek aan het werk gezet, die een overzicht heeft samengesteld, van statistisch materiaal dat in België voorhanden is en van de gegevens, die ontbreken.

Aanvulling en uitbreiding van het Bureau voor de Statistiek zal in België dringend noodzakelijk zijn. De Vos, die van deze commissie deel uitmaakt, heeft een rapport uitgebracht en daarbij op de Hollandsche Statistiek als voorbeeld gewezen. Ik geef een tip in de richting van de Hollandsche Statistiek; mijn gastheer maakt een aanteekening. In Scheveningen hoort men er later allicht meer van van. Daarop passeeren allerlei commissies de revue: landbouw-vraagstuk, socialisatie van het hypotheekbedrijf, transport-, verzekeringsbedrijf etc. tot wij beland zijn aan de Commissie voor den Buitenlandschen Handel.

Nu zit ik op mijn praatstoel en maak vergelijkingen tusschen het Belgische plan en het plan, dat voor Nederland zou kunnen dienen. Het spreekt, vanzelf, dat België naast socialisatie van het crediet, de sleutelindustrieën aanpakt. België heeft

een zware industrie, uitgebreide steenkolenmijnen, ijzererts, hoogovens, walswerken en alles wat verder met de industrie van ijzer en staal verband houdt. |

Een dergelijke industrie ontbreekt in Holland geheel. Erts wordt bij ons niet gevonden, steenkolen slechts in een beperkt gebied. Van sleutelindustrieën is in Holland geen sprake. Bij ons zal de aanpak dus anders moeten zijn en waarschijnlijk

zal een Hollandsch Plan groote aandacht besteden aan socialisatie van den Buitenlandschen Handel.

Daarover vertel ik nog wat in een volgend artikel. En natuurlijk krijgt de lezer nog een verder overzicht van de werkzaamheden van het Bureau voor Sociaal Onderzoek, waarover ik nog heel wat te zeggen heb. VAN DE KIEPT.

NOG GEEN PLAATS?

Aan houten kruis, hangt ’t af gestreden lijf van ’s werelds Koning En langs zijn voeten trekt het krijgsheir voort.

De stille landweg dreunt! En zonnestralen flitsen Op ’t koude staal, dat straks een broeder moordt

Van ’t houten kruis, staart zacht en droef. Hij, ’s werelds Koning Hij, Gods Beminde, Codes welbeminde Zoon,

Een enk’le ziet Hem aan, èn, door dien blik getroffen. Smeekt stil,,vergeef o Heer, vegeef deez’ hoon”.

Maar toch, zij trekken voort, het wreede doel volvoerend. Hun harten sluitend voor Zijn teedre liefdestem

Opnieuw gesmaad, gekruist. Wèèr blijft Hij eenzaam achter Vol onbegrepen leed! Nóg steeds geen plaats voor Hem?

G. J. HEROMA—ENNEN.

S De nieuwe periode van hef socialisme

(Slot).

De tweede grote opgave, waarvoor de socialistiese beweging zich gesteld ziet, is aldus te formuleren, dat onze praktiese politiek zich allereerst zal moeten richten op: planhuishouding en alles wat daarheen voert.

De planhuishouding is voor het socialisme en voor West-Europa een vraag van leven of dood. Niet alleen moet een maatschappij, die één kwart van haar leden geen arbeid meer kan geven, ten gronde gaan door zelfvernietiging, maar de produksiechaos en de kollektieve bestaansonzekerheid versterken de agressieve driften, de krachten die toch al naar oorlog drijven, op zo’n ongelooflike wijze, dat er momenten kunnen komen, waarop de menselike vernielingsdrift niet meer is te beheersen en alle maatschappelike wrok losbreekt tot een orgie van beestachtigheid.

Waarachtig: met handhaving van werklozenzorg, sociale voorzieningen en demokratiese rechten alléén komen we er niet; er is meer nodig, veel meer: produksieregeling. Leuzen en algemene beschouwingen zijn daarbij van weinig belang. Konkrete plannen zijn noodzakelik. Stel, dat de laatste verkiezingen ons ongelukkigerwijs een grote overwinning hadden bezorgd, zodat wij ons stempel op het nieuwe kabinet hadden kunnen drukken: wij hadden niet geweten wat we hadden moeten doen en waar we zouden hebben moeten beginnen. In ons ingewikkeld produksieproses kan men niet ruw-weg ingrijpen. Daar is een hand voor nodig, die door konkrete plannen geleid wordt. En wij hébben geen plannen: het socialisatierapport

is zeer teoreties; en „Nieuwe Organen” bijv. getuigt van een merkwaardig gebrek aan vormkracht.

Nu moge de verwerkeliking van e.v. plannen in de huidige politieke situatie hopeloos schijnen: Ms wij goede plannen hadden, en als we die tot werkelike vragen van praktiese politiek wisten te maken, dan zouden we meer bereiken dan we nu doen.

Het socialisme staat dus voor twee opgaven: kulturele bewustwording, verdieping, „bezinning” deze begrippen geven zeer verwante zaken aan —, zowel om onze eigen aanhangers opnieuw het besef van de grootheid en heiligheid van hun zaak te geven, als om nog niet gewonnen volksgroepen te kunnen bereiken. En dan, als we zo onze innerlike kracht en onze invloed vergroot hebben, zullen onze uitgewerkte plannen gehoord moéten worden. Van het volbrengen dezer twee opgaven hangt het lot van het socialisme af. En dat van West-Europa. Want het is wél zeker, dat de west-europese kuituur een nieuwe periode ingaat, maar het is niet zeker, waarheen die periode leidt: naar de ondergang c.q. naar de uitschakeling als kultuursentrum, óf naar hernieuwd en voller leven. Wat werkelikheid worden zal, schijnt voor een groot deel van de kracht van het socialisme af te hangen. Want het fascisme bevat teveel kultuurvernietigende elementen, en wordt gevoed uit te sterke wrok- en haatgevoelens, dan dat ook maar enig vertrouwen in zijn scheppingskracht gerechtvaardigd zou zijn. Blijft dus slechts het socialisme. En blijft de vraag of het socialisme zijn taak: de redding der west-europese kuituur, zal kunnen volbrengen. Ons verstand zegt

daarop: ik weet het niet misschien Ms Maar onze wil, onze levenswil zegt: ja. Ja, nóg is het socialisme niet zóózeer gesmaad en verraden door wie zich socialisten noemen, dat het zijn prestige niet zou kunnen herwinnen. Nóg zit er in de socialistiese massa’s een grote kracht aan menselikheid en strijdbereidheid. Nóg is voor tallozen het woord socialisme de belichaming van veel wat warm en goed en groot is. Nóg is er dus de mogelikheid. Laat zij ons niet ontglippen.

Wat is daarbij de taak van het religieussocialisme?

Het antwoord is moeilik. Want voor een taak, speciaal rustende op het religieussocialisme schijnt geen plaats. Wel kan men zeggen, dat, in de huidige situatie der arbeidersbeweging, het religieus-socialisme in het proses van kulturele bewustwording en verdieping een belangrijke faktor kan en moet zijn.

Maar bovendien: om de konstruksieopgaven tot een socialisties einde te voeren, om dus de praktiese taak te volbrengen, zonder dat men afdwaalt van het doel of blijft steken, daarvoor zijn socialistiese maatstaven nodig en een sterk besef van socialisties moéten. Dat leidt ons tot de tweede taak van het religieus-socialisme, een taak, die men slechts met grote aarzeling kan noemen. Want het is een taak die in wezen aan alle religie toekomt, maar eigenlik door elke religie verraden is. Het is de taak bij de opbouw der samenleving te zijn het geweten der gemeenschap, te waarschuwen als de normen geschonden of essentiële elementen vergeten worden. Dè,t dat de taak van alle wezenlike religie is, spreekt van zelf. Want zij staat aan de bron van het leven zelf en in direkt kontakt met de eeuwigheid. En zij moét het daarom voelen, als eeuwigheidswaarden geschonden, levenseisen voorbijgezien worden. Maar wanneer is een rele-