is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 30, 28-04-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenland m llllllllllillllllllll m 11111111111111111111 l M

Verlaging van steun en loon

N adat we de verslagen over de interpellatie-Kupers gelezen en gepoogd hadden eenig inzicht te krijgen in den wirwar van regels en cijfers met de eindconclusie, dat er aan steun en loon geknabbeld wordt, om daarop millioenen te besparen, spraken we met een vrouw, die het eten klaar maakt voor de kinderen der gemeentelijke schoolvoeding. Zij vertelde, hoe verbazend veel de kinderen de eerste dagen eten, als de school voeding begonnen is; daarna eten ze flink maar niet meer dan een normale portie voor kinderen van hun leeftijd. Een bewijs, dat deze kinderen uit de gezinnen van gesteunde werkloozen of arbeiders in werkverschaffing thuis niet genoeg eten krijgen. Er is onderscheid tusschen honger en honger. Hier wordt geen honger geleden, als eens in Rusland, toen uitgeputte, vermagerde kinderen bezweken, bij den weg neervielen en stierven van gebrek. Zoo ellendig is hier de toestand gelukkig niet. Maar wel krijgen vele arbeiderskinderen thans niet voldoende goed voedsel, dat zij juist in de jaren van opgroei noodig hebben. Er zijn onder arbeidersvrouwen finantieele genieën en met eerbied ziet men, hoe zuinig en wijs zij het inkomen van steun of loon in werkverschaffing voor hun gezin besteden. Maar zij kunnen ten slotte ook geen wonderen doen en van een gulden er geen twee maken. Ondanks hun inspanning versjofelt hun huishouden en verslonzen de kleeren; er is geen geld, om nieuw te koopen, noch om te laten opknappen. Dat bemerkt men niet in het eerste jaar, maar wel op den langen duur. Buitenkansjes hebben zij niet meer. Het gezin, dat in een eigen huisje woont, een eigendom dat na jarenlang sober leven en hard werken ontstaan is, wat men niet van allen eigendom kan zeggen, moet dat huisje eerst „opeten”, voordat het voor steun in aanmerking komt. De gesteunde gezinnen komen ook niet voor kostelooze behandeling door den armendokter in aanmerking; zij worden geacht van het steunbedrag ook nog wel een doktersrekening te kunnen betalen. Wanneer men een budget maakt van de noodzakelijke uitgaven van een arbeidersgezin en het inkomen van den wekelijk* schen steun of het loon, in de werkverschaffing verdiend, kan men met zijn pofr lood geen evenwicht maken tusschen beiden: er is en blijft tekort, ook al beperkt men de uitgaven nog zoozeer. Maar de arbeidersvrouw moet zorgen, dat er evenwicht is; zij kan niet uitgeven, als ze niet heeft. Borgen wil ze gewoonlijk niet en veel crediet geeft men haar ook niet. Zij moet rondkomen met het geld in haar beurs. Het in eigenlijk verwonderlijk, dat de geest van verbittering of moedeloosheid niet dieper in het gemoed der arbeiders is ingevreten; over het algemeen dragen zij hun nood flink en met waardigheid; zij hun levensmoed, zelfs nog wel hun levenS' lust, ook al hebben ze ook wel hun buiei van mismoedigheid en wrevel. Dit geld' van de meerderheid; er zijn natuurlijk wi uitzonderingen, die het niet schelen kal al komen ze nooit weer aan den slag el die liever trekken dan werken, al krijge] ze dan een paar gulden minder. Zoo zij] er wel, maar zoo zijn ze niet! De ministe en de regeering gaan nu steun en loon vel lagen. De druk der crisis zal op de gedß nen der arbeiders nog zwaarder worden. D regeering werkt de loonverlaging stelsel matig in de hand en verlaagt dan ook de steunnorm, omdat anders de neiging, ol

werk te zoeken en aan te pakken, bij velen n zou verzwakken of ophouden. Minister s Slotemaker de Bruine verklaart, dat rijk en a gemeenten de uitgaven voor de werkloos- d heid niet kunnen blijven betalen. Zij r moeten omlaag! Er zijn landen, waar de b werkloozen het veel slechter hebben; in k Italië verdienen de arbeiders in werkver- 1: schaffing slechts ƒ 2.40 per week en werk- E looze landarbeiders krijgen er in het geheel c geen steun. Het is een slechte zaak, die met r zulke argumenten verdedigd moet worden. Er werkt tegenwoordig een sterke loon- i druk, die de arbeidersbeweging wel kan r temperen maar niet geheel tegenhouden. £ Op een vergadering van het N.V.V. tegen de \ verlaging van de steunnormen zeide de inleider, H. Lindeman, dat de afbraak van ( het loon steeds grooter wordt en de bouwarbeiders reeds 45 pet. van hun loon heb- j ben moeten laten vallen. Die druk op de i loonen werkt door als druk op de steun- ] normen. i

Kupers wees er in zijn interpellatie op, dat men in Twente per gezin thans ƒ 12 aan steun uitkeert, daarvan gaat ƒ 3 aan woninghuur af; van de overblijvende ƒ 9 gaan verder af de uitgaven voor werkloozenfonds, gas, electriciteit enz. Wat blijft er dan over voor de eigenlijke levensbenoodigdheden, voedsel enz.! Toch heeft de minister ƒ 2 van dit bedrag afgenomen. De loonen omlaag, dus de steun omlaag; de werkgever vindt in dien lageren steun weer een aanleiding en een kans, om het loon verder te verlagen. Kupers noemde dit de werking van een schroef zonder einde. De minister heeft den rijkssteun aan de gemeenten met 29 millioen verlaagd; hij hoopte, dat de steunnormen daarbij niet verlaagd behoefden te zullen worden. Hij rekende op aanmerkelijke daling der werkloosheid; hij achtte verdere bezuiniging door de gemeenten wel mogelijk. Dat is anders uitgekomen; maar de minister houdt zich aan zijn bedrag van ƒ 46 mihoen als rijkssteun aan de gemeenten. De werkloozen moeten het bezuren; hun leven is anders waarlijk al-zuur genoeg! Kupers, de „Marxist” kwam met moreele argumenten; hij deed bovenal een beroep op het gevoel van menschelijkheid; de christelijk-sociale minister kwam echter vooral met economische en politieke argumenten. De overzichtschrijver van de Tweede Kamer der „N.R.Drt.” merkt naar aanleiding van de uitwerking van Kupers’ verzoek, dat de verlaging van loon en steun ongedaan zal worden gemaakt, op:

„Wie het gezicht van den minister bestudeerd heeft, kan omtrent zijn antwoord nauwelijks in twijfel verkeeren. Zijn hart zegt ja, zijn verstand zegt neen.”

Of het inderdaad naar het verstand is, om de loonen en den steun te verminderen? De arbeidende klasse vormt het belangrijkste deel der natie. Herstel van het volk in zijn geheel is niet mogelijk, als men een belangrijk deel steeds meer aan nood en verarming prijs geeft. De regeering steunt ook den landbouw en die steun is ook onvermijdelijk. Het I werkloozenvraagstuk kost per jaar in ; totaal ƒ 140 millioen; Kupers schat den l steun, in allerlei vormen aan den landbouw , toegekend, op ƒ 200 millioen. Dit bedrag i wordt grootendeels door vastgestelde prijsi verhooging gekregen, en dus niet door den 1 belastingbetaler maar den consument ber taald; de schatkist als tusschenstation – ontbreekt maar het komt op hetzelfde neer. – Bij deze steunverleening wordt echter geen 3 rekening gehouden met eigendom of met gezinsinkomen buiten het bedrijf. De ï werklooze arbeider moet eerst zijn huisje 1 „opeten” of een moeizaam bespaard som-

met je geld opmaken; de boer ontvangt 3teun, ook al is hij de rijkste van het dorp, al is een groote oppervlakte land zijn eigendom, ook al zou hij kunnen leven van de rente van zijn kapitaal, ook al is hij daarbij boekhouder van een leenbank, taxateur of koopman. Speciaal voor den arbeider geldt het: Niet meer dan het hoogst noodige. En die regel wordt zoo streng doorgevoerd, dat deze ten slotte ook het hoogst noodige niet meer ontvangt.

Maar de schatkist heeft een bodem! Kupers heeft in zijn interpeliatie daarmee rekening gehouden en ook de middelen aangewezen, om dien bodem liefst onzichtbaar te houden; hij heeft terecht ook gewezen op de groote finantieele kracht, die onze staat nog bezit, zooals blijkt uit de willigheid bij het leenen en de hooge koersen der staatseffecten. Wij zijn overtuigd, dat het geld er moet en ook kan komen, indien men tegenover de werkiooze arbeiders inderdaad christelijk-sociaal wil handelen.

Afbrokkeling der democratie

Minister De Wilde heeft bij den ministerraad een wetsontwerp aanhangig gemaakt, dat tot doel heeft, de vrijgestelden van organisaties van gemeentelijk en provinciaal personeel uit gemeenteraden en provinciale staten te weren. Het lidmaatschap van gemeenteraad of provinciale staten zal dus onvereenigtaaar verklaard worden met de betrekking van bezoldigde bestuurder in dienst van vereenigingen, die beoogen de belangen van het personeel der gemeente of provincie te behartigen. Hun aantal is gering; men vindt hen alleen in enkele raden der grootste gemeenten; in de provinciale staten komen ze al heel weinig op den voorgrond. Bovendien doen ze vaak veel en nuttig werk in deze colleges buiten de directe belangen van hun „lastgevers”. Zeker zullen zij in de eerste plaats voor die belangen opkomen, wanneer die aan de orde komen; zij zullen dat met beleid en voorzichtigheid moeten doen en zeker het algemeen belang stellen boven dat van de bepaalde groep, met welken zij nauw verbonden zijn. Wellicht dat zij wel eens nu en dan niet aan deze eischen beantwoorden. Is dat echter reden, om al deze vrijgestelden buiten deze colleges te houden? Er zijn er ook wel, die als scheepvaartspecialiteiten aanbevolen en gekozen zijn en in havenaangelegenheden het hoogste woord voeren en dan de scheepvaartbelangen dienen. Er zijn ook middenstanders, die wel niet bezoldigden zijn van een middenstandsvereeniging, maar voor hun stand altijd in de bres staan en ervoor strijden. Er zou bezwaar tegen zijn, indien zij den gemeenteraad beheerschten. Men zal toch niet beweren, dat de loonen van gemeentelijk en provinciaal personeel over het algemeen boven de loonen in het particulier bedrijf uitgaan, omdat er in de betreffende colleges een paar vrijgestelden als leden zitting hebben en voor hen ijveren. Zij vormen in elk geval toch een onbeduidende minderheid. Wij zien in dit voorstel van den minister den eersten stap in een richting, die al verder van de democratie zal afvoeren.. Straks gaat men dezelfde gedragslijn toepassen ten opzichte van het lidmaatschap van Tweede en Eerste Kamer en men gaat dan nog verder, wat reeds hier en daar is geëischt, men ontneemt het kiesrecht aan het geheele personeel in overheidsdienst. Zoo ontneemt men het recht op medezeggenschap aan tienduizenden en verzwakt daarmee onze nog steeds democratische staatsinrichting. J. A. BRUINS JR.