is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 31, 05-05-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IjCI II y l

Zou men het wagen, zo op het eerste gezicht psychologies te typeren, dan zou men zeggen: een melancholicus, een zwaarmoedig mens. Hij heeft ergens in zijn ziel het knagende, ondermijnende besef dat het leven te veel leed legt op mensenschouders en geen geluk duurzaam laat draagt niet alle geluk de doodskiem in zich? Misschien lijdt hij ook wel onder het besef van een berg van leed en onrecht, die op het mensengeslacht drukt maar hij heeft niet de kracht om er zich in te storten en een heilige strijd te aanvaarden. In de woelige, worstelende wereld met haar rauwheid en bruutheid hoort hij niet tuis, hij kan in haar felle bewogenheid ook geen zin vinden, hij graaft zich in het eigen gemoedsleven met gevoelige graagte in.

Of is het misschien het type van verfijnde zelfkultuur? Wenkbrauwen, snor en baard zijn keurig verzorgd, en de schitterende ring om de wijsvinger wordt niet

zonder opzet naar voren geschoven; de gouden ketting om de hals, de hele kledy, niet het minst de artistieke hoed verraden een zelfbewustzijn en een kulturele verfijning van de man uit de voorname kringen. Voor wat er woelt in de diepe donkere kolken van het massa-bestaan heeft hij geen aandacht. Of algemener is hij misschien de mens uit alle tijden, die het raadsel van zijn wezen maskeert achter een gesloten gelaat en met misleidende pronk? Want raadselachtigs blijft er in deze man met de brede lippen en matte ogen. Heeft niet de kultuurmens het in de kunst der maskerade zo ontstellend ver gebracht? en is dit niet de eeuwige vraag: wat is de mens den mens? Staan wij naar de ziel gesproken, misschien even onbeschut in het leven als wij naar het uiterlik gezien ons gewichtig maken? en is dit raadselachtige portret niet dan de naar binnengekeerde vraag van een zeer gevoelige ziel?

LUCAS CRANACH DE OUDE Mannenprotret

Aanleg of opvoeding?

leder onzer is zelf het levende bewijs voor de stelling, dat sedert menschenheugenis de mensch de gewoonte gehad heeft, zich voort te planten. Niet ieder voelt zich een even overtuigend bewijs voor de andere stelling, dat de ouders eveneens sedert menschenheugenis de gewoonte gehad hebben, hun kinderen op te voeden. Velen zien in zichzelf allelei gevolgen van een „verkeerde opvoeding”, van „verkeerde omstandigheden” en nog talrijker zijn wel degenen, die over dit alles zich in het geheel geen zorgen maken en voortgaan, zich al of niet voort te planten en maar te zien wat er van hun eventueele kinderen terecht komt.

Toch wil het spraakgebruik, dat we hetgeen deze lieden met hun kinderen uitvoeren, evengoed „opvoeding” noemen als de weloverwogen, gewetensvolle zorgzaamheid, waarmede anderen zich aan hun kinderen wijden. Kunnen we zoo nu en dan niet vaststellen, dat die menschen. welke zoo weinig filosofeeren over de opvoeding hunner kinderen, een allergelukkigst gezinsleven weten te vormen en alleraardigste jongemenschen weten af te leveren? „Dat gaat daar zoo allemaal vanzelf”, zegt een al of niet welmeenende benijder. „Och”, zegt een ander, „dat zit ’m in den gelukkigen aanleg van die kinderen. Daar word je

mee geboren; daar kan niemand wat aan doen.” Gewoonlijk is de laatste spreker zelf niet zoo gelukkig geboren, ja vertoont hij wel eens iets van een zeker pessimisme, een zekere vermoeidheid of de bruuskheid van iemand, die liever niet redetwist over de houdbaarheid zijner beweringen. Indien deze laatste immers ernst maakte met zijn meening, dan zou hij bij de vraag, hoe hij zich de ideale opvoeding van een mensch dacht, voor onoverkomelijke moeilijkheden komen te staan. Een kind wordt met die en die „eigenschappen” geboren, zoo redeneert hij en, zoo gaat hij door, nu gaat het er in het leven maar om die eigenschappen door de opvoeding niet te bederven, liever nog, ze door haar tot den besten vorm te ontwikkelen.

Zeer wel, maar als die kleuter op de wereld komt, weet je toch maar niet dadelijk hoe hij uitgevallen is. Dat duurt zelfs jaren, voor men weet, waartoe een mensch speciaal erfelijk is aangelegd. Vaak heeft hij dan al allerlei eigenschappen ontwikkeld, die minder direkt met dien aanleg samenhangen. Het is dus mirakel moeilijk om dien aanleg niet van den beginne af in den weg te zitten.

„Nu goed dan schaffen we de opvoeding af!” Dat is een radicale conclusie door sommige kultuurpessimisten in theorie wel eens getrokken. De kuituur en wat is duidelijker een kultureele handeling dan „opvoeden” heeft den mensch, die „oor-

spronkelijk goed” is, bedorven. Kuituur, oftewel opvoeding is: menschenverknoeien. Aldus overleggende komt men voor het bezwaar te staan van op een kwade dag of nacht, zélf kinderen te krijgen en — den aanleg niet tijdig kunnende vaststellen, besluit men de opvoeding of voor goed of tot nader orde af te schaffen. Men voedt het kind en als geen bijvoeding noodig is, haalt dit paedagogisch experiment, zonder luiers en andere kultureeie middelen, de zes weken wel. Daarna wordt het alle dagen bedenkelijker voor pa’s of ma’s theorieën, want allerlei kultureeie opvoedingsmiddelen komen meer en meer in het geding en — voor de ouders het weten, zitten ze midden in de opvoeding. Rousseau, die van deze soort ideeën er op na hield, dacht dat ie konsekwent was en legde z’n kinderen maar te vondeling, om vervolgens — men zou het in geen tienen raden — dikke boeken te schrijven over... de opvoeding, hoe die nu eigenlijk zijn moest.

Sedertdien zijn de tijden er niet op vooruitgegaan voor de afschaffers. Toch kan men nog altijd duidelijk accentverschillen waarnemen in de verschillende theorieën over de opvoeding. Nog altijd overweegt in de gedachtengang van sommigen de beteekenis van het aangeborene, in die van anderen de beteekenis van hetgeen door opvoeding verworven wordt.

Natuurlijk, men kan de zaak altijd nog zoo draaien, dat men zegt: „de ergste erfenis, die je bij je geboorte krijgt, dat zijn je ouders”. In dat geval heeft men echter het begrip „erfelijkheid” zoodanig uitgerekt, dat het gesprongen en niet meer te gebruiken is. Omgekeerd kan men ook de beteekenis van den erfelijken aanleg miskennen door te zeggen, dat van ieder betrekkelijk normaal mensch eigenlijk ailes te maken is. „Muzikaal” en „onmuzikaal” bestaan niet, „wiskundig” en „onwiskundig” bestaan niet, enz. Beide opvattingen zijn verdedigd en... we hebben er van geprofiteerd, want in den ijver om een te ver volgehouden standpunt te verdedigen tegen een even eenzijdige bestrijder heeft men enorm veel voor den dag gebracht.

In de laatste jaren is op een sterke strooming voor de overschatting van wat allemaal door opvoedingsinvloeden veroorzaakt zou kunnen worden, een tegenstrooming gekomen, die in herinnering bracht, dat men in demenschelijke persoonlijkheid toch niet alles kon toeschrijven aan groeiverschijnselen, weike door opvoeding en omgeving veroorzaakt zouden zijn. Toch moet men niet vergeten, welk een bevrijding er voor den mensch in ligt, te bedenken dat hij veranderen kan, dat hij niet noodzakelijk gebonden is aan zijn manieren van zijn en doen van dit oogenblik. En de vele feiten, die den aan zichzelf twijfelende werden voorgehouden, bewezen inderdaad veel. Zoo vatten degenen, die met zichzelf nog niet klaar en tevens al te ontevreden waren, moed en het is wel zeker, dat velen van hen, mannen als Freud, Adler, Künkel e.a. dankbaar zijn voor de moed, die zij hun gegeven hebben, te gelooven dat ze konden veranderen.

En nu... nu komt er een voorzichtige waarschuwing: „Denk erom heeren, een mensch is geen stuk was, dat tot elke figuur gekneed kan worden! Er zijn grenzen aan de kneedbaarheid. Er zijn grenzen ook aan de vormen die ieder aan kan nemen.” Gelukkig, die grenzen zijn ruim en men hoeft zich niet veilig te voelen bij de wetenschap „ik ben nu eenmaal zoo”, want dat blijft voorloopig nog een vies uitvluchtje. M. J. LANGEVELD.