is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 32, 12-05-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mensentypen

Raadsman aan het Koninklik Hof in het Engeland van de eerste helft der 16e eeuw: ge ziet de gewichtigheid van het hoge ambt aan de zware gouden halsketting; de zegelring aan de wijsvinger, het deftige fluweel, de strenge muts, ze markeren de hele figuur als een gezagdrager. Men heeft wel eens twee grondkrachten in het mensenleven genoemd: heersen en liefhebben hier zeker de heerser.

Daarom heeft hij vermoedelik ook in zijn jonge jaren volop willen genieten, de zware vlezige kop is waarlik niet van een asceet, die zich aardse genoegens ontzegde en de hartstochtelike driften van lichaam en ziel wantrouwde: heerser geboren zijn, wil ook zeggen: nemen wat de wereld bieden kan aan zinnengenot en levensweelde. En toch zit er iets van aristokratie in deze kop; ware hij niet zo opdringerig zwaar, waren de lippen niet

zo breed en de kin niet zo zinnelik, hij zou tuis kunnen horen bij de fijne geestesaristokraten dier zelfde eeuw: de humanisten.

Nu, hij het klimmen der jaren, is hij ook een ongenaakbaar, wantrouwig, misschien bokkig mens geworden. Genieten en heersen niemand geeft zich daaraan ongestraft geheel over. Beide zijn gevaarlik. Het met alle hartstocht indrinken van wat het leven aan genot brengt, het met ongebroken wil aan zich onderwerven van al wat dienstbaar te maken is het laat bittere nasmaak. Daarom hier niets van die mildheid, die een oud gelaat kan sieren; niets van die innerlike straling, die wij in ouderen als een teken van hun overwinnaar zijn, bewonderen. Hij kent z’n wereld en veracht haar; hij heeft mensenkennis opgastoken en wantrouwt ieder; en zo staat hij sterk: de heerser aie tot liefhebben niet komen kon.

HANS HOLBEIN Jr. Portret van Henry Wyat

... I Lektuur voor religieuze zoekers

Geen wonder, dat er telkens weer mensen zich zetten tot het schrijven van grotere of kleinere geschriften, waarin getracht wordt religie nader te brengen tot wie van haar vervreemdden. „De stroom rijst al meer en meer” van hen, die niet slechts met de kerken, maar ook m.et de traditioneel christelike denkwijze hebben gebroken. Bovendien gaat de kuituur haar eigen gang, zonder zich veel aan de gedachtenwereld der religie te storen. En ten slotte leeft onze wereld in een zo felle maatschappelike en geestelike krisis, wordt er zoveel onderstboven geworpen, wankelen er oude inzichten, breken er idealen, dat men, om te blijven staan, zoekt naar grond. Overal, waar mensen in oprechtheid zoeken naar grond, heeft religie belijdenis van de geestelike grond van al het zijnde haar kans. En dus gaan religieuze mensen op hun wijze daarvan spreken.

Ik noem van dit soort literatuur in de eerste plaats een boekje in de vorm van brieven, „Het nooit uitgedachte” van ds. J. C. Fischer. ‘) De schrijver begint heel eenvoudig, ontleedt eerst wat mensen denken en denken kunnen bij het woord „Leven”, om dan aannemelik te maken dat de reden er van buiten de wereld ligt, in God, die verderop omschreven wordt als „de electriese kracht in deze wereld, de drijfkracht, de onzichtbaar werkende en stuwende”. Geloof wordt dan toegelicht als een geestelike handeling, gericht op en evenzeer gesproten uit Geest, die God is en die zich in de stoffelike wereld open-

baart, in het bizonder in de Jezusfiguur. Heeft de schrijver ons zover voortgeleid, dan volgt een aantal brieven, die een bepaalde opvatting omtrent het mysterie der geschiedenis populariseren. „Van Geschiedenis spreken wij dan, als in het aardse leven zich een geest verwerkelikt”. Geschiedenis is door God gewild, is gericht op het Koninkrijk Gods, en haar inhoud wordt openbaar in het simbolies verstane leven van Jezus.

Het is ietwat gevaarlik om met een schrijver, die slechts probeert religie nader te brengen, een zware boom op te zetten over geschiedenisfilosofie, die uiteraard nog al wat wijsgerige bezinning vraagt. Ik hoop ds. Fischer daarbij geen onrecht te doen maar ik meen, dat hier toch ernstige bezwaren rijzen. Men kan terecht ik doe het graag mee aan de gang van het Jezusleven de gang van het goddelik leven in de geschiedenis duidelik maken. De samenhang van Kerstmis (de geboorte van het goddelike). Goede Vrijdag (de weg van offer, trouw en dood), Pasen (God heeft het laatste woord, dat der overwinning) is uitermate zinrijk. Maar het kan ook gevaarlik zijn en in elk geval onvolledig, omdat het vaak te formeel blijft. De gang van het goddelik leven duidt men zo wel aan, maar niet zijn inhoud. Anders gezegd: het is een grote en diepe waarheid, dat het goddelik leven door de dood heen voortgaat tot overwinning. Maar hetzelfde kan misschien ook van waan en leugen worden gezegd: want ook die staan telkens weer uit een graf op. En geschiedenis blijft vooral martelen om de vervlechting van waarheid en waan, van goedheid en brutale eigenwilligheid. Daar-

om zal religie mij ook iets moeten zeggen over de waarden, waarom in de geschiedenis wordt gestreden of waarvoor behóórt gestreden te worden. Anders gezegd: men kan van religie tot een bepaalde opvatting der geschiedenis alleen komen langs de weg van een waardenleer wie deze laatste overspringt, komt in een leegte terecht.

Men beschouwe deze kritiese opmerking als niet meer dan zij is bedoeld. Het boekje van Fischer laat zich vlot lezen en zal zeker menigeen kunnen voorthelpen; het worde daarom gaarne aanbevolen.

lets breder van opzet is het boekje van mej. C. Boerlage, „Wij, Zoekers”.") Hier is een religie aan het woord, die vrijer staat tegenover de traditie van het christendom, al kan men er de gedachte in aantreffen, dat Christus de verborgen zin der werkelikheid openbaart. Het boekje is meer een getuigenis dan een beredenering, meer een aaneensluitend geheel van momenten der levenshouding dan betoog. Telkens treffen zinnen als deze; „Al wat wij krampachtig bezitten, verarmt ons; slechts wat wij innerlik bezitten, verrijkt ons.” „Juist de angst voor het verlies bederft de vreugde van het bezit.”

Of waar is wat er staat op blz. 20: „Er is in wezen niets nieuws onder de zon, nieuw is slechts de vorm, die telkens wisselt.”? Dan zou daarmee een geschiedenisopvatting als ik boven aanduidde, onmogelik zijn. Ik betwist deze uitspraak. Er is in de geschiedenis wèl wezenlik nieuws, omdat geschiedenis voortgaande waardeverwerkeliking is. Griekenland is, na Egypte, in de oudheid wèl iets nieuws, het christendom na het joodse profetisme dito, omdat nieuwe geestelike waarden aan het bestaande worden toegevoegd. Er is in de geschiedenis, behalve wisseling van vorm, ook vermeerdering van waarden en daardoor verrijking. En juist daarom kan er op onze menselike aktiviteit een beroep worden gedaan. Trouwens: in de geschiedenis zijn vormen en inhouden veel sterker aan elkaar verbonden dan wij denken. Christendom en kerk, socialisme en partij zijn veel meer één dan vooral intellektuelen geneigd zijn toe te geven. En juist in deze hechte verbondenheid van vorm en inhoud ligt een van de hoofdmomenten der historiese tragiek: als vormen gebroken worden, gaan ook inhouden kapot. Al is daarnaast ook weer waar, dat, wat eeuwigheidswaarde heeft, herboren wordt.

Ook het boek] 6 van mej. Boerlage zal veel mensen kunnen helpen. Tegen beide geschriften heb ik eenzelfde bezwaar (dat tegen mijn eigen boek „Religieuze Opbouw” ook is aan te voeren): wij moeten dieper ingaan in de konkrete gemoedsgesteldheid van wie in geestelike nood zitten. Anders praten wij te veel voor ons zelf. W. B.

’) Uitg. Van Gorcum Co., Assen, 78 blz. Prijs 95 cent, bij 10 ex. 75 cent. Het is goed uitgegeven, maar had goedkoper gekund. ’) Uitg. Van Gorcum Go., Assen, 67 blz. Ing. ƒ 1.—, geb. ƒ 1.90.

A. Elnsteln, Mein Weltbild. Uitgave

Querldo, Amsterdam. 1934. 269 bldz. In dit boek, dat ook reeds in het Hollandsch vertaald werd, zijn een aantal opstellen, redevoeringen enz. van Elnsteln bijeengebracht, waarin hij zijn gedachten geeft over allerlei onderwerpen, verdeeld onder de volgende rubrieken: hoe Ik de wereld zie, van politiek en pacifisme, Dultschland 1933, Jodendom, wetenschap. Het zijn, zooals vanzelf spreekt, niet alle gloednieuwe gedachten, verschillende uitlatingen zijn van belang, omdat zij van Elnsteln afkomstig zijn. Maar ook dan lezen wij ze gaarne, omdat wij daardoor In aanraking komen met een nobelen geest. In de laatste 100 bladzijden toont Elnsteln zich een meester In de populair-wetenschappelijke uiteenzetting, al zal niet leder lezer alles begrijpen! Jammer dat niet tijd en plaats van de verschillende opstellen is aangegeven. Toch een boek dat wij dankbaar aanvaarden. H. d. V.