is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 35, 02-06-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mensentypen

Er is wel eens gesproken van transparante mensen: mensen wier lichaam tot niets anders dient dan om een innerlike gloed door te laten, wier gehele uiterlik schoon wordt door de schone vlam die inwendig brandt. Hier wordt de zuiverheid van het innerlïk versterkt door de witte kap met sluier; het is alsof een blanke bloem omhoog rijst.

De schilder heeft daarvoor niet op de wijze der sentimentelen en romantici, een jong meisje genomen —■ bij de jeugd hoort een andere dan de transparante schoonheid. De jeugd is spontaan, bruisend, onstuimig; zij breidt vol verwachting armen en ziel uit naar wat het leven bieden kan. Een andere dan de schoonheid van voortstormende levensdrang is dit van de resignatie, van de deemoedige overgave. Eens heeft ook in de ziel van deze nu

bejaarde vrouw het vuur gelaaid smalle t gesloten lippen verraden steeds hartstocht j —en ook toen was zij schoon. Nu is het : vuur verstild, maar niet gedoofd. De ietwat ■ weemoedige ogen verraden leed dat gedral gen werd wie die zonder pijn en wonden : zijn vurig hart door de wereld draagt? Leed ! heeft de vlam niet geblust, wel gelouterd.

Nu heeft zij hereid, deemoedig de handen gevouwen, als had zij het leven verder overgegeven. Verwachtingen en verlangens zullen haar niet meer verleiden; het avontuur haar niet meer lokken. Zij is gerijpt tot de overgave, die steeds het deel wordt van wie weten louter te moeten "branden. Zij heeft gestraald, dat is genoeg. En juist omdat zij zeggen kon: het is genoeg, daarom wordt alles om haar in milde zegening verstild.

HANS MEMLINC Portret van een bejaarde vrouw

Aansluiting in dubbele zin

( Spelling-Mar chant) Ook het aderwerk der plant van het geestelijk volksleven is fijn vertakt, en uit de diepte der eeuwen wordt voedsel opgezogen, dat in deze tijd nauwelijks in zijn afzettingen wordt herkend. In die diepte liggen de voedingsterreinen, zowel van lage als van hoge geestelijke waarde. Beide elkaar vijandige stromingen, fascisme en socialisme, zijn aangesloten bij eeuwenoude reservaten. Om bij het laatste te blijven, het moge uit de in ons land vrij jonge, immers nauwelijks een eeuw oude, kapitalistische bovenlaag opgezogen hebben de grondstof, die zijn twintigst’ eeuwse vorm in hoofdzaak vaststelt, uit oudere bodemformatié’s stijgen de sappen op, die van dat socialisme de wezenlijke aard bepalen. Dat zijn de geestelijke grondlagen van het godsdienstig en zedelijk leven. Men hoeft geen theoloog te wezen om verband te zien tussen christendom en humanisme: wie God vereert, eert de mens. Dit zal wel wat al te beknopt zijn uitgedrukt, hier, om geheel waar te wezen, maar de christelijke Gods ver eering sluit in zich de erkenning van de mens als voorwerp van Gods liefde en Zijn aanhoudende zorg, en dus als schepsel van oneindige waarde. Rondom deze erkenning is het socialisme opgebouwd ook het tegenwoordig In de sfeer der vervloeking staande socialisme van Marx. Een der medewerkers van Tijd en Taak, dr. H. de Vos, herinnert er ons aan in een artikel in de Mei-aflevering van Barchem-bladen: Anthropologische Uit-

gangspunten. De schrijver citeert Marx’ instemming met het gebod „alle verhoudingen om te werpen, waarin de mens een vernederd, een geknecht, een verlaten, een verachtelijk wezen is.” En hij vermeldt, dat Marx in hetzelfde geschrift als waaruit deze zinsnede is genomen, spreekt van het proletariaat als een kring der maatschappij, „die, in één woord, het volkomen verlies van de mens betekent, en dus slechts weer zich zelf kan worden door het volkomen terugwinnen van de mens.”

Het is, en ik ga nu nog een ogenblik door op het belangrijk artikel van Dr. De Vos, niet volkomen hetzelfde, wat christendom en (Marxisties) socialisme onder de mens verstaan, of liever, waarop ze hun opvatting van de mens grondvesten. Volgens de schrijver trekt het Marxisme een drietal konklusie’s, die in dat stelsel rusten op een in de grond mechanistische theorie van de mens: „verondersteld wordt, dat ieder mens tot een zinrijk leven in staat is ; eveneens, dat op deze wijze een zinrijke samenleving mogelijk is; en vervolgens dat de mensen zich zullen laten bewegen, naar een dergelijk leven en samenleven te streven.” En een tweetal gevolgtrekkingen maakt dan nog het Marxisme, die het als een vanzelfsprekendheid aanneemt n.1., dat ieder mens een dergelijk (d.i. zinrijk) leven waard is, en dat bekend wordt geacht, wat zin aan het leven kan geven. Hier schiet dus dit socialisme in mensenkennis en bewustmaking te kort. „Want dat iedere mens een zelfstandige waarde

vertegenwoordigt, en dat het leven zin heeft of kan hebben, spreekt niet vanzelf, en dat een mechanistische theorie van de mens niet houdbaar is, behoeft wel geen nader betoog ” „Slechts een christelijkhumanistische leer van de mens zal het socialisme kunnen dragen."

Tot zover onze schrijver, die gelukkig niet bang is voor het woord humanisme, dat tegenwoordig zijn oude recht in de morele sfeer zo moeilijk handhaaft. De fascisten spuwen er op, orthodoxe gelovigen laten het minachtend liggen. En het moderne socialisme heeft de edele klank ervan in zijn praktijk niet altijd recht gedaan. Maar in de harten van onze grote leiders we zagen het reeds bij Marx —, en niet minder in die van hun eenvoudige volgelingen is dat humanisme een kracht tot socialisme geweest. Wie, in politieke of geestelijke diktatuur de massa veracht, die heeft de mens uit oog en hart verloren, behalve misschien de mens die in hem zelf leeft. Alleen uit de wedergeboorte der enkelingen zal die der massa volgen. Prof. De Graaf schreef in Om het hoogste Goed (P. 31):

„Wanneer men de enkeling als zetel van goedheid en vrijheid, en de massa als traag en dom beschouwt, gelijk veel gebeurt, dan moeten wij dat willekeurig achten. De massa en haar wetten met haar zullen veranderen, wanneer over een aanmerkelijk gebied de enkelingen veranderen. De toestand der massa duidt niet aan, hoeveel verzet de individuen wel van haar ondervinden, maar hoeveel mensheid er op aarde verwezenlijkt is. Elke massa is veranderlijk. Dat zij eeuwig in de waan zou leven, is een beschuldiging, die terugvalt op de enkelingen. Het zou betekenen, dat de vrijheid nimmer kon doordringen dan in die enkele individuen, die wel zo goed zijn, zich niet tot de massa te rekenen.”

En later (p. 40): „Hoe meer de enkelingen door de geest van gerechtigheid worden geleid, des te meer zal de massa in haar samenstelling verwezenlijkte gerechtigheid bevatten.”

Deze waarheden omtrent het humanisme zijn het, die het socialisme in zich moet opnemen, en die juist het Nederlandse socialisme zo goed in zich kan opnemen, als het zich opent voor de schatten van zijn volksverleden. Uit de eeuwen der eerste stedelijke demokratie, der Hervorming in de „lagere” en middel-klassen, der Renaissance in de „hogere” standen, en van het Liberalisme uit Thorbecke’s tijd vloeien het krachten toe ter menswaardeering, die ongetwijfeld samenhangen en samenwerken met de aloude christelijke leringen omtrent de waarde van de mens als kind van God.

Door de mens op het schild te verheffen, niet natuurlijk zoals hij reilt en zeilt, wat in onze beweging reeds te veel is geschied —, maar de mens in zijn mogelijkheden, godsdienstige en sociale, worde het socialisme de toevlucht tegen diktatoriale strevingen als zich ook in ons land openbaren, en het middelpunt der krachten, die de mensheid willen verlossen uit de maatschappelijke nood!

De tijd van het isolement is verstreken, noodzakelijke periode wellicht in het opkomend en het bloeiend kapitalisme; het algemene karakter van het socialisme dient in het licht gesteld, nu het verval van het kapitalisme in aller oog duidelijk is geworden. Aansluiting is daarmee, in stede van afzondering, het wachtwoord geworden, en de kans op aanvaarding van de nieuwe leus zal groter zijn, naarmate die aansluiting ook met het hier aangeduid verleden zal worden tot stand gebracht.

K. GEERTSMA.