is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 35, 02-06-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenland B 111111111111111111111 M iiliiiiiiiiiiiiiliiil

Wetenschap en oorlog

Als een zware, zwarte onweersbui komt al meer het gevaar van een nieuwen wereldoorlog opzetten. Bij de massa is onrust en angst om de nadering van het groote onafwendbare onheil. Men hoort en leest vele profetenwoorden, dreigende en bestraffende woorden in den geest van Jeremia, die zijn volk ook verloren achtte. Men kan te luchthartig zijn en blind voor naderend gevaar; dat waren de meesten, voordat de oorlogsverklaringen in ’l4 losbarstten. Men kan zich echter ook te bang en machteloos voor een ramp, die niet te keeren schijnt, gevoelen. Het geloof in den vrede is in den laatsten tijd aanmerkelijk verzwakt. „Nooit weer oorlog!” zeiden wij in ’lB en thans zeggen we: „Er komt zeker weer oorlog!” Men vergeet, dat een oorlog dikwijls zeer nabij leek en toch uitbleef. Dat is de laatste jaren eenige malen gebeurd. Wij hebben thans meer klagend en aanklagend dan strijdend pacifisme. Zonder strijd geen overwinning. Daarom moet er vuriger dan ooit voor den vrede gevochten worden, nu het gevaar van oorlog inderdaad groot is.

De wereldoorlog was een vólkerenfuïje, maar een nieuwe oorlog zal de gevaarlijkste waanzin wezen, waaronder de wereld ooit geleden heeft. Wij kunnen ons geen voorstelling maken en geen woorden vinden, om de verwoestingen van dien nieuwen oorlog weer te geven. Het zal een oorlog zijn meer van werktuigkundige en scheikundige wapenen, meer van dood materiaal dan van „levend materiaal”. Het levend materiaal zal er meer zijn om lijden en te sterven dan om te strijden. Een: aantal hoogleeraren en studenten heeft, verklaard, dat zij de wetenschap niet In; dienst van den oorlog willen stellen. De wetenschap Is voor ons In vele opzichten een weldoende tooverfee. De scheikunde verlost van ziekten en pijn; ze dwingt de: aarde, om nog ruimer haar gaven te schen-; ken; zij schenkt ons een rijkdom van de schitterendste kleuren; zij bewijst aan bijna eiken tak van Industrie goede dlen-‘ sten. Maar diezelfde wetenschap zal ook zorgen voor de meest gevaarlijke brandstof In het hellevuur van den komenden oorlog. Zij, die de scheikunde als wetenschap beoefenen en onderwijzen, die werkzaam zijn In laboratoria en fabrieken, geven hun beste krachten aan den oorlog. Wij zijn zoo gewoon bij allen arbeid In de eerstß plaats en zelfs alleen aan het geld te denken, dat men ervoor krijgt, dat scheikundigen en werktuigkundigen weinig rust en geplaagd worden door de gedachte; dat zij feitelijk In dienst van dood en duivel zijn. Maar het geweten tikt toch bJJ sommigen bescheiden en waarschuwenij aan. Wij hebben onlangs een wetenschappelijk congres gehad over allerlei „springstoffenkwesties”, heel Ingewikkeld en geleerd. Wij hebben In geen enkel woord vM het verslag lets gemerkt van afkeer et huivering bij de gedachte aan het doel waarvoor deze stoffen In de voornaamst! plaats moeten dienen.

De vorige week heeft de Ned. Chemische Vereeniging haar jaarvergadering gehouden. Daar sprak de voorzitter, de heer Smit een persoonlijk woord over het aandeel, dal de chemicus neemt of nemen kan in eer nieuwen oorlog, waarvoor hij wellicht een; voor den rechterstoel der historie rekenschap zal moeten afleggen. Hij stelde d< angstige vraag: Wat doe ik met mijn vakgenooten ter bevordering van het oorlogs-

gevaar? Men vreest in den komenden oor- I log vooral de projectielen van bovenmatige, I vernielende kracht, doodelijke gassen van j vernielende werking, alles vernielende I brandbommen. De heer Smit stelde de ! vraag, of de scheikundigen zich wel bewust ' zijn, een schakel te vormen in den worgen- i den ketting van den oorlog. De verfoeilijke ! oorlogsindustrie heeft ook de scheikunde met haar stinkenden adem besmet. Daarom eischte de voorzitter van de vergadering een klaar besef van haar handelingen en nauwgezette beantwoording der vraag: Waarheen gaan wij? |

Heeft zulke gewetenskreet en oproep tot de gewetens der vakgenooten eenige waarde? Is het niet als het angstige roepen van een kind, dat de storm toch niet zoo razen en het stil worden zal? Wij onderschatten tegenwoordig ook de krachten van het geweten. Zij moeten gewekt en in werking gesteld worden, thans algemeener en vuriger dan ooit. Zij zijn als de lentekrachten, die een nieuwe wereld uit de donkere aarde naar boven stuwen. Laat het geweten spreken uit de wereld der arbeiders en der vrouwen, der kerk en der wetenschap, der jeugd en der school, niet aarzelend en zwak, maar bewogen en krachtig als in de rede van den heer Smit, in eiken kring, in ieder land en wellicht is het nog niet te laat, om den oorlog te voorkomen.

De natuur en de arbeiders

Wanneer komt de lente voor ons, proletaren? vraagt in het vrouwenblad, bijblad van De Transportarbeider, Riek de Metz, die daarbij de dichtregels van Adama van Scheltema aanhaalt:

Hoe vaak keert nog de lente voor ons, proletaren, Hoe vaak gaat zij voorbij aan ons zonneloos hart?

Er spreekt een edel gevoelssocialisme uit de klacht van Riek de Metz, dat over al de schitterende schoonheid der natuur een schaduw ligt van menschelijk leed. Men kan in de natuur de menschenwereld niet ontvluchten en zeker niet de herinnering aan zooveel leed.

Men ziet de weelde en het pretleven aan het strand en denkt aan de armoede In de luxe-stad dichtbij. Men ziet een verrukke: lijk hoekje van gras en struiken aan den zoom van een bosch, maar men ziet daar ook een woonwagen staan met verwilderde en vervuilde kinderen. De gevoelige vrouw merkt dit meer dan de man. Het hindert 1 ons soms In het geheel niet. Men krijgt 1 niet alleen eelt In de handen en onder de 5 voeten, maar ook de zachtheid van gemoed – gaat In het leven voor een deel verloren. – Ook kan men thans niet meer In het algemeen zeggen als Multatuil In zijn dagen, dat het schoon der lente voor den arme 1 niets Is. De arme heeft lang geleefd voor j vele gesloten poorten; ook de poort tot de i rijke en wonderschoone natuur was, al– thans voor den stadsarbelder, eens gesloten. Daarin Is toch wel een groote verandering gekomen. In het algemeen Is de liefde tot Cl de natuur zeer toegenomen. De school heeft Cl hier veel goeds gedaan. Dan hebben de 1. moderne verkeersmiddelen ook de arbeiders e dichter bij de natuur gebracht. Wij mogen hier ook wijzen op de arbeidersbeweging, In e het bijzonder haar belangrijk onderdeel de jeugdbeweging; helde en bosch en strand it zijn voor de jongeren geen onbekende it wereld meer. Op de arbeldersfeesten ontn breekt ook niet de bloem; In menig arbel-

dersgezin vindt men ook wat bioemen op tafel. De mannen zitten niet meer een groot deel van den Zondag met hun makkers in den kroeg, maar ze trekken met hun vrouw en kinderen de wijde, blijde wereld buiten de huizen en straten in. Park en plantsoen brengen de natuur dichter bij huis.

Verrukt toont vaak de vrouw of het kind uit het arbeidersgezin u de bloem, die zelf gekweekt werd en in haar ontwikkeling van eerste blaadje en knopje en de langzame ontvouwing ervan tot volle schoonheid met liefdevolle aandacht gevolgd werd. Te vaak loopen we door de natuur als door het Rijksmuseum van zaal tot zaal, zonder eigenlijk ontroerd te worden en we gaan heen met geen anderen indruk dan geestelijke moeheid en hoofdpijn. In elk geval is de poort tot de natuur thans voor veel meer arbeiders geopend dan vroeger en zij legt verkwikkend en vertroostend haar hand eens op het hoofd van man en vrouw, dat zwaar is door de zorgen en onzekerheid der toekomst.

Maar Riek de Metz heeft gelijk, dat het maatschappelijke contrast ons ook hindert en kwelt midden in het schoon der natuur. Zelfs de vrije zee, die geen grenzen kent, krijgt toch gereserveerde plekken voor de deftigen en rijken. En ook bij den uittocht van dagjesmenschen ziet men de armoede. En er is ook danig bezuinigd op de uitgaven voor schoolreizen en vacantiefeesten en voor de werklooze gezinnen zullen de uitstapjes zich wel tot de naaste omgeving moeten beperken. Tot de verheffing der arbeidende klasse, waaraan het socialisme werkt, behoort ook de geesteiijke verrijking door de heerlijkheid van het natuurleven, die naar een schoon woord, de zoom is van het kleed van den onzichtbaren Koning. Bij de bekoring en vrede, die van de natuur uitgaan, zoeken de gedachten en gevoelens dieper dan gewoonlijk en wordt licht een religieuze stemming gewekt. Daarom moeten wij werken, dat de poort van het natuurleven wijder en voor allen geopend wordt.

Verkeersmisdaden en de justitie

Een groot deel der verkeersongelukken kan men verkeersmisdaden noemen. De vorige minister van justitie heeft den rechters een wenk gegeven, om tegenover deze misdadigers streng op tè treden. Het moet wel heel bar zijn, als een minister zich bemoeit met de mate van straffen der onafhankelijke rechters! Men heeft dan ook wel sarcastisch gezegd, dat men zijn vijand tegen de minste straf kan vermoorden, door hem kapot te rijden. De vorige week stond een heer terecht voor het Haagsche kantongerecht, die onder invloed van alcohol een andere auto met de zijne aanreed, zoodat ze kantelde en de inzittende werd verwond. Deze heer had bij de lunch een flesch wijn gebruikt en daarna in den loop van den middag nog drie glaasjes cognac. Zijn huisdokter verklaarde, dat hij veel alcohol gebruikt en ook veel kan verdragen. Hij staat als een woeste rijder bekend en reed bij het ongeluk ook bijzonder hard; sommige getuigen meenen meer dan 100 K.M. De eisch was drie maanden hechtenis en verlies van rijbewijs voor twee jaar. Het vonnis een maand en intrekking van het rijbewijs voor een jaar. Wij willen niet oordeelen over de gevangenisstraf. Maar waarom is hier niet toegepast den langsten duur van intrekking van het rijbewijs, dien de wet voorschrijft? Na een jaar wordt de ■ man weer op het publiek losgelaten en een nieuw ongeluk kan niet uitblijven. Waarom : beschermt de justitie niet beter de publieke I veiligheid? J- A. BRUINS Jr.

[; Werft abonné’s voor „Tijd en Taak” :- Gebru kt daarom Uw tijd; kent Uw taak