is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 35, 02-06-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

) denk ook niet, dat hun daad de thuis• blijvers veel zelfbeheersching heeft ge■- kost.

Natuurlijk is nu het recht in geen enkele zaak nu geheel aan een kant; daarvoor is die strijd te blind en te verward. Maar toch wel soms meen ik voor 99 I pCt.

I Wanneer bij de 1 Mei-gebeurtenissen te I Laren die weer wortelden in den bekenden overval der Larensche politie op de ■ konferentie van jonge revolutionnaire I socialisten en in de uitlevering van vier I hunner aan Hitler Van Praag bijna vermoord werd door de sabeldragers van het gezag, dan begroet en eer ik hem als : een martelaar in den strijd voor de ge- É rechtigheid. En het raakt mij niet of hij I misschien zijn strijd tegen den burgef meester in een vorm gevoerd heeft, die mij niet geheel voldoet. Want dat zijn bijzaken. Het essentiëele is: dat hij hem gevoerd heeft, dat in den gemeenteraad van dat kleine dorp, een man den drager van het gezag duidelijk heeft gemaakt, dat zijn handelwijze onmenschelijk is geweest, en niet vroeg wat zijn optreden hem zelf misschien zou kosten. H. ROLAND HOLST.

Over de taak van den kunstrecensent

Toen in „Tijd en Taak” van 24 Januarij.l. Hammacher een inleiding gaf op de reeks : van korte artikelen die hij over beeldende ' kunstwerken zou schrijven, rees aanstonds een aantal vragen die ik ten slotte toch niet op schrift stelde omdat misschien de K komende artikelen het antwoord zouden H bevatten. Nu echter die artikelen en dus de antwoorden op zich wachten laten en de dingen waarom het gaat mijn belang- stelling hebben, waag ik het toch maar de vragen te stellen. Met de beantwoording daarvan zal Hammacher mij en wellicht ’y,, ook anderen zeer van dienst zijn. De inieiding ving aan met er op te wijzen dat er onderscheid is tusschen de wijsgeerig-psychologische en de historisch-aesthetische of cultureele waardeering van een werk van beeldende kunst. Dat is ongetwijfeld juist. Maar de vraag waarom het voor Tijd en Taak-lezers gaat is meen ik deze: Weike is voor ons de belangrijkste? Begrijp ik de inleiding goed dan is Hammacher’s antwoord op deze vraag: de historisch-aesthetische. Wel zijn er gedeelten in zijn betoog die hieraan twijfel doen rijzen. Als b.v. in de slotzin wordt gezegd: „De cosmische verbondenheid is beslissend” dan is dacht ik de schrijver meer aan de wijsgeerig-psychologische dan aan de historisch-aesthetische waardeering toe. Maar zijn betoog moet ten slotte toch als ik het wel zie, dienen om aan te toonen, dat een bespreking van een kunstwerk vanuit de historisch-aesthetische gezichtshoek moet geschieden.

Dit nu is wat ik niet begrijp. ; De waardeering van een kunstwerk heeft ( voor niet-„deskundigen” naar mijne meè- ' ning slechts zin en doel wanneer ze iets ( opiicht van den sluier waarachter voor ] zoovelen de beteekenis van een kunstwerk ( verborgen blijft. Een historisch-aestheti- 5 sche beschouwing, op zichzelf overigens £ stellig niet zonder belang, vermag dat niet. Zij kan in bepaalde gevallen ongetwijfeld i ter toelichting dienen, maar ten slotte c I‘aakt zij toch slechts den buitenkant, die, i hoe belangrijk ook, de werkelijke waarde g van het kunstwerk niet bepaalt en daarom c onze waardeering niet beheerscht.

Er is wel eens en m.i. niet ten onrecht smalend gesproken van het notariaat t de kunst. Ligt bij de historisch-aesthetl sche beschouwingswijze dit gevaar nie vlak voor de deur? Hammacher stelt voorts, dat het om d voorstelling, het voorgestelde in het kunst werk niet gaat. Ik val hem ook hierin bt] Maar sluit dit in dat derhalve de voorstel ling ontbreken kan en mag? Mondriaan’ lijnen-en-stippel-spel, juister eigenlijk no| Mondriaan’s lijnen en stippels zijn zeke: historisch-aesthetisch te benaderen. Al; uiting van een bepaalden tijd zelfs te vaarden en te waardeeren. Maar of zt daarom kunstwaarde hebben? Ik betwijfe dit niet, ik zou het willen ontkennen Zeker, ook zij zijn uiting van een levenshouding. Maar niet elke levenshoudinf heeft inhoud en waarde. De waarde var het kunstwerk is m.i. afhankelijk van de vraag of het iets aan den dag draagt var dat eeuwig mysterie, dat nooit verwoord nooit verbeeld toch in woord en beeld en klank tot ons komen kan.

„Ik dank u voor de schoonheid. Ge haar, opdat door de zinnen worde opel" baar hoe in ’t wonder van vorm en kleij van maat en klank, zich een heilig gehel verraadt.” Aldus Henriëtte Roland Hol in haar „Tusschen Tijd en Eeuwigheid.”' Is in het voorstellingslooze iets van dj heilig geheim? Waar geen „tijd” is, is gM „eeuwigheid”. Zonder voorstelling nie| van het mysterie dat daarin en daarachtj I dringt. Al het vergankelijke is een g| 'lijkenis.

Het Is meen Ik In Mahler’s Tweede da van de muziek wordt gezegd: Zij zingt va: het verre paradijs dat toch zoo nabij 1; Ook de beeldende kunst zegt lets tot on van dat verre paradijs. Het waarachtig kunstwerk, of het ons de moeder beeld dan wel de deerne, openbaart In den tlj( lets van de eeuwigheid. Dat te doen zien ziedaar m.l. de taak van den kunst recensent. En Ik kan niet zien hoe die taal langs den hlstorlsch-aesthetlschen weg t( vervullen zou zijn. Het Is voorts stellig waar dat de fototechnlek het „feltelljkf van de gegeven voorstelling” beter gever kan dan een kunstwerk. Maar In het kunstwerk gaat het toch niet om de feitelijkheid? De feitelijkheid, de vorm Is slecht; van waarde voor zoover zij dient om hel waarachtig werkelijke, dat Is de Inhoud dat Is de geest, dat Is lets van het verre paradijs, te openbaren. Waarom Is Kathe Kollwltz’ arbeid van zoo groote beteekenls? Omdat zij ook In het meest schrijnende spreekt van het llefdevolle. Omdat zij ons zelfs het slagveld toont In het licht der eeuwigheid. De naar haar gesneuvelden zoon zoekende moeder Is de menschheld hunkerend naar liefde.

„Anders dan de wijsgeer of de man van wetenschap, anders ook dan de dichter, langs andere wegen ervaart hij (de beeldende kunstenaar) van het leven lets sssentleels” zegt Hammacher. Inderdaad. Maar allereerst hierbij de opmerking: het gaat bij den kunstenaar niet am de ervaring maar om de genade lets /an dat essentleele te kunnen beelden. En 3an, dat „essentleele” heeft dat lets met ilstorlsch-aesthetlsche waardeerlng van ioen? Of Is Hammacher hier, ondanks zich lelf, op wljsgeerlg-psychologlsch terrein langeland?

Romaln Roland citeert van Mlchel Ingelo het woord: De waarachtige schllierkunst nadert tot God en vereenlgt zich net Hem. Zij Is niet anders dan een spiegeling van zijn volmaaktheden, een schaluw van zijn penseel

Wat kan de hlstorlsch-aesthetlsche weg-

3 wijzer ons daarvan verhalen? Wat kan hij 1 hen die niet aanstonds zelve „zien”, en voor hen toch doet hij zijn werk, van dit t alles doen verstaan? Ziedaar dan mijn vragen.

; Ik weet dat het woord „ethisch” in de kunstwereld en wat daar zoo om heen leeft . In onzen tijd zijn bepaalden Inhoud heeft. Ik weet dus ook dat er zijn zullen die mijn j vragen met dat voor hen afdoende woord ; zullen kenmerken. Ik meen te mogen ver■ moeden dat Hammacher, anders schreef I hij dunkt mij niet In „Tijd en Taak”, ze desondanks zal willen beantwoorden. A. ELFFERS.

Kinderboeken

Benjaminnetje op Sonnevanck, naar Else Ury, bewerkt door Stella Mare. 276 blz., ing. ƒ1.75; geb. ƒ2.50. Witte Dirk, door J. E. Hoving. 208 blz Ing. ƒ1.10; geb. ƒ1.75. Liesbeth, door J. Riemens-Reurslag. 162 blz., ing. ƒ1.20; geb. ƒ1.90. Alle drie uitgegeven bij Van Holkema & Waren- dorf’s U.M., Amsterdam.

r, Drie kinderboeken tegelijk met de laatste post op een Zaterdagavond en hoe kan het! ’s Zondags na veel warme dagen was ’t koud en guur, zodat ons drietal de hele dag met de neus in de boeken zat, ■g waarvan de jongste alleen Benjaminnetje ,j. op Sonnevanck in handen kreeg. Ze vond _ het bij voorbaat prachtig: een nieuw boek, èn zo’n dik en dan die fleurige voorplaat van Freddie Langeler. Na lezing vond zij, de achtjarige, de tienjarige Benjaminnetje . toch wel wat erg kinderachtig. Geen wong der: ’t is een echt „schattig kindje”, al g heeft ze natuurlik haar kuurtjes en hebbe- likheidjes, het „mooie” (dat moet er vooral j telkens bij gezegd worden!) verwende jongste poppetje uit het Amsterdamse doktersgezin, dat na een hevige roodvonk j naar een kinderpension in Noordwijk ge-3 stuurd wordt. Alles is eigenlik even onecht r in dit boek: de beverigheid van de grote j mensen, de braafheid van ’t heldinnetje, I de gesprekken tussen de ouders, de onmo. gelike verdwaalpartij op het strand (zit . em dat in de vertaling?); de toon maakt ; je wee. Maar als uw kinderen geweldige ; leeswolven zijn, zullen ze ook dit boek, als , zovele, nog wel met smaak verslinden en ; nadelige gevolgen zullen ze er niet door ondervinden: er is geen haar kwaad bij.

Hetzelfde is te zeggen van „Witte Dirk”; wel is dit van stijl en verteltrant veel en veel beter en jongens en meisjes van 10 tot 12 jaar zullen er wel van smullen; Dirk haalt allerlei grappige gedurfde streken uit, maar natuurlik nooit „gemene”, en in de beoordeling van z’n dikwels zeer onredelike vader bezit hij de wijsheid van een grijsaard. Verder krijgen we naast de kwajongensstreken: een wonderbaarlike redding, een weldadige dame, de ontdekking van een juwelendiefstal en als slotapotheose het ongeluk, dat Dirk „bijna” voor z’n leven verlamt. Dus me dunkt: wó.ó,r voor uw geld, en de kinderen vinden ’t prachtig. Kwaad zullen ze er alweer niet van leren, maar enige werkelike waarde heeft het boek niet.

Op veel hoger peil staat „Liesbeth”, ’t verhaal van ’t Oostenrijkse kind uit de bergen, dat na de oorlog met de Weense kinderen naar Holland komt, om daar wat opgefokt te worden. Haar mooie stem wordt „ontdekt” en de hollandse vrienden zorgen er voor, dat ze in haar vaderland verder kan studeren in de muziek. Later komt de vader, die in de oorlog als „vermist” was opgegeven, als een gebroken mens terug, maar Liesbeth weet hem, door