is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 36, 09-06-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buitenland 111111111111111111111 iiiiiiiiiiiiiiiiLiiil

Frankrijks schuld

Uit de definitieve mislukking der Euro- r peesche conferentie, die nog altijd ver- 2 keerdelijk die der „ontwapening” genoemd 1 werd, is in verschillende belanghebbende 1 milieu’s dezer dagen getracht politieke 1 munt tegen Frankrijk te slaan. Mussolini i en Von Papen hebben hun krokodillen- 1 tranen geschreid. ~Frankrijk offert niet i alleen het welzijn van twee volken, maar < ook de rust van het gekwelde Europa op”, ' heet het uit die monden. Maar men vraagt 1 zich af, sedert wanneer „de rust van gekweld Europa” belangstelling inboezemt aan lieden, die in ander verband schetteren, dat „een man pas man wordt, als hij moordt, zooals een vrouw vrouw, wanneer zij baart”. Zou het niet veel begrijpelijker wezen, wanneer het dezen zwetsers nu pas goed naar den zin ging, nu hun volkeren immers een redelijke kans beginnen te krijgen, eerstdaags „dien vuurdoop der manbaarheid” te ondergaan? Het gejammer der dictatoren is niets dan een poging om naieve zielen te winnen: die zielen, die als oorsprong van den wilden bewapeningswedloop-van-morgen slechts vermogen te zien... het mislukken der conferentie.

We moeten heel wat verder terug om de oorzaak van het huidige oorlogsgevaar te vinden. Verder ook dan de Hitlerstaatsgreep van 1933, al was dat wel degelijk het moment om te constateeren, dat geen „ontwapenings”-conferentie meer eenigen zin had. De geweldvrede van Versailles? Ja en neen. Door de scheppers der na-oorlogsche internationale verhoudingen zijn ontzettende technische en constructieve fouten gemaakt, vooral echter deze eene, dat zij geloofden in de „illusie van het geweld”, zonder die toch ook weer op radicale wijze te durven of te kunnen najagen. Versailles was een compromis, waaruit reeds volgt dat van de fouten ervan niet Frankrijk alleen de schuld mag worden gegeven. Achteraf moet men zelfs bekennen, dat Frankrijk van Versailles betrekkelijk weinig heeft geprofiteerd. Was het denkbaar geweest, dat het afgemartelde Fransche volk in 1918 Duitschland behandeld had op een wijze, die geheel beantwoordde aan de eischen van ons, ethisch-gezinde neutralen? Waarschijnlijk is Versailles nog ver onder de strafmaat gebleven, waarmee Frankrijk zelf getuchtigd zou wezen, indien het even afgemartelde Duitschland gewonnen had. In dat geval of indien Foch zijn zin gekregen had, zou de Europeesche vrede stabieler, maar het geweld ontzettender geweest zijn. Zoo hebben zoowel diegenen gelijk gekregen, die betoogden, dat geweld slechts erger geweld zou veroorzaken, als dezulken die op lager maar aardscher plan waarschuwden, dat Duitschland spoedig weer de rust in Europa zou verstoren en dat de demokratische en pacifistische kater daarvan'in werkelijkheid niets anders beteekende dan de zelfvermomming van een verslagen soldatenvolk.

Maar de dingen eenmaal loopende, zooals zij sinds 1919 in ons werelddeel geloopen waren: wat had nü anno 1933 moeten geschieden? Litwinof, waarschijnlijk de schranderste politieke kop van alle te Genève aanwezige hoofden, heeft de oplossing gewezen, die inderdaad practisch dien naam verdiende. Laten zooveel mogelijk van ons, zeide hij, elkaar hun gebied garandeeren en laten er onder ons zooveel

mogelijk wederzijdsche bijstandsverdragen zijn met sancties voor overtreding van het Kellogpakt. Een militair verbond met Frankrijk dus, voor het geval dit in de toekomst door Duitschland zou worden aangevallen, maar ook een met Duitschland, indien Frankrijk nu zou willen opmarcheeren naar den Rijn. Het ei van Columbus? De herrezen Plichtenleer van Grotius? Maar het staat te vreezen, dat de mogendheden wél een defensieve alliantie met zich zelf maar niet tegelijkertijd een met hun tegenstanders begeeren. * * *

Moeilijker nog dan het vraagstuk van de ethische instelling van het individu tegenover de al of niet geoorloofdheid van het geweld is dat van de practische organisatie van den statenvrede. Even gemakkelijk als het is om Frankrijk de schuld te geven van het mislukken der ontwapening, even eenvoudig is het om Engeland aan te klagen als de mogendheid, die weigert zich eenige verplichting op te leggen ten bate van de algemeene veiligheid. Er was juistheid in de bittere ironie van Barthou, die zijn collega Simon deed opmerken: „Gij verontrust u hevig, zoodra er tegen u op zee en in de lucht bewapend wordt, doch wat hebt gij anders dan boetpredikaties voor ons, terwijl er tegen ons én op zee, én in de lucht, én te land bewapend wordt?” En toch is men ook weer onbillijk tegenover Engeland, wanneer men zooals een schrijver in „Das neue Tagebuch” doet, uitvalt: van Engeland hing de Europeesche vrede af; wanneer Engeland nu duidelijk naast Frankrijk en Rusland was gaan staan, had Hitler moeten inbinden, zooals in 1914 de oorlog waarschijnlijk vermeden was, indien Groot-Brittannië s houding van den- aanvang af duidelijker was geweest.

Waarom onbillijk? Omdat het momenteel nog van geen enkele staatsgemeenschap te vergen is, dat zij anders dan door harden nood gedwongen, er toe overgaat zich op te offeren voor andere belangen dan haar eigen. Het zou voor Frankrijk en voor de Duitsche emigranten wel bijzonder gemakkelijk zijn geweest, wanneer Engeland er toe mee had willen werken, Hitler tot rede te brengen. Maar de werkelijkheid is nu eenmaal, dat Engeland zich door Hitler w.i.v/. gechoqueerd, maar nog niet bedreigd voelt. Terecht gaf Simon aan den interpelleerenden Cripps ten antwoord, die hem vroeg de Franschen toch de gevraagde garantie te geven, opdat dezen een zekere ontwapening konden toestaan: „Garanties, mijne heeren, beteekenen voor een groote mogendheid in de toekomst oorlog. Wilt gij dat, dan moet gij nu reeds erin bewilligen, dat wij Engeland belangrijk versterken, wat juist weer ... bewapening met zich zou brengen”. Dat Frankrijk en Rusland zich door de bewapening van Duitschland danig bedreigd

voelen, behoeft geen betoog: de Sovjetunie door de machtstoeneming in de laatste maanden van de fascistische strooming in de Oost-Zeerepublieken en door de Duitsch-Poolsche toenadering. Doch Engeland ziet in de herbewapening van Duitschland vooralsnog eerder het gewenschte herstel van het Europeesche evenwicht. De vernietiging van de Fransche hegemonie waarvan wij als recent symptoom het Saar-compromis zien schaadt Groot-Brittannië voorloopig niet. Eerder het tegendeel. Dat is de werkelijkheid en daar richten natuurlijk de Engel- . sche staatslui hun staatkunde op in.

* * * Het échec van een van de karakteristiekste idealen van de pas afgesloten periode de ontwapeningsgedachte is, naar het nij voorkomt, in laatsten aanleg niet cc wijten aan de schuld van deze of gene natie. De ware schuldige is de algemeenmenschelijke middelmatigheid. Wel is waar vormt de groep der fanatieke nationalisten in ieder land slechts een kleine minderheid, maar geringer, veel geringer is uiteraard de kracht der consequente geweldloozen. De vreeselijke wetten van wraak en weerwraak, waaraan de massa’s gehoorzamen, schijnen slechts voor en door het individu verbroken te kunnen worden. Want al overtuigt men ieder individu stuk voor stuk van zijn plicht, geen geweld te gebruiken, de massa’s, de gemeenschappen, bestaan volstrekt niet alleen uit de som van de verschillende individuen. Vormen individuen een staatsgemeenschap, dan verliezen blijkbaar op een gegeven oogenblik redelijkheid en menschelijkheid hun rechten en heerschen belangen en driften. Vandaar dan ook, dat m.i. van geen enkele regeering vooral niet van een groote mogendheid —, verwacht mag worden, dat zij haar politiek instelt op de ethische idealen der enkele geweldlooze individuen in haar land. Datzelfde geldt van de groote partijen. Men zou er zoodoende toe kunnen komen, om de oude paradox der twee gewetens weer aan te hangen: een slecht mensch, die tot geweld zijn toevlucht neemt, maar een slecht regeerder, 6xq er geen gebruik van maakt, waaruit dan weer volgen zou: een goed regeerder, een gewetenloos mensch.

En zoo heb ik er niet toe kunnen komen een vraagteeken achter mijn titel ■ te zetten. Er is een „schuldig” in dezen heelen verwarrenden knoop van tegen■ strijdigheden en paradoxen. Echter niet : een „schuldig” dat door één van ons menschen is uit te spreken, een „schuldig slechts van eeuwigheidsstandpunt uit. Het 1 is de schuld der ontzaglijke koloniën en t der geweldige kapitalen, de schuld der 1 verfijnde culturen, die opgetaloeid waren – uit de nooddruft der kleinen, de schuld 5 der verblindende schoonheid en der onj verbreeklijk er mee samenhangende afi stootende leelijkheid: kortom de schuld van het bestaan zelve. Wie van ons is t kinderachtig genoeg om te meenen, dat de wereld een stap dichter bij ~het Recht i zal wezen, wanneer Duitschland weer evenzeer tot de tanden gewapend zal zijn ï als het vóór 1914 was? Frankrijk heeft “ gelijk, dat het zich tegen die herbewapening verzet, zoo lang als het dat vermag, niet zoozeer ter wille van ~den Vrede , n alswel terwille van het eigen naakte, prachtige bestaan. Juist daardoor echter trekt het ook weer zijn isolement als een dreigende wolk over zijn kortgeleden nog A zoo schijnbaar onbezorgde internationaalpolitieke bestaan.

5 J. S. BARTSTRA.

Houdt uv/ opgaven van nieuwe abonné's ; niet vast, doch zendt ze nog heden ' aan de administratie:

! HEKELVELD 15, AMSTERDA/^/