is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 37, 16-06-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geerig denken over een kunstwerk niet afgezworen noch In den ban gedaan. Nog altijd (en Elffers bewijst dat opnieuw) wordt de wljsgeerlg-psychologlsche verklaring van de voorstelling In het kunstwerk aangezien voor wljsgeerlg denken over een kunstwerk. Het denken over de beperkingen voor den beschouwer en de grenzen van het kunstwerk brengt er juist toe om „op de wijze der betrekkelijkheid” of —• anders gezegd slechts In betrekkingen en verhoudingen te gewagen van het absolute, essentleele, wijl dit slechts In verhoudingen en betrekkingen aan ons geopenbaard wordt.

Tot die verhoudingen en betrekkingen behoort o.a. kennis van het feitelijke ontstaan van kunstwerken, de verhouding In een bepaalden tijd, de verhouding tot het verleden en tot het heden. Daartoe behoort veel „vormelijke kennis”, die erg hinderlijk lijkt voor de haastigen en buitenkant voor hen, die te weinig In de eenheid van vorm en geest gelooven. Maar toch Is deze historische en aesthetlsche kennis van zaken een uitstekende oefening van het zien en een uitmuntende beproeving voor het bewust maken, het zich rekenschap geven van het zien. Het Is Inderdaad niet meer dan een voorbereiding, een voorportaal.

Maar de taak van den schrijver over kunst zie Ik ook niet veel verder dan een opwekking en een voorbereiding tot het zelf zich rekenschap geven. Niets Is hinder lijker en onjuister dan het trachten het „wezenlijke” voor anderen ergens uit te halen en het op te dienen en In te gieten. Het wezenlijke contact met een kunstwerk Is een gemeenschap, een communie, een twee-spraak, waar geen derde zich zonder schade tusschen kan voegen.

Dlt wezenlijke contact ontstaat of het ontstaat niet; maar het ontstaat nooit volgens het recept van de woorden van den kunstrecensent.

Elffers ziet dus goed als hij de historisch-aesthetische beschouwing niet capabel acht iets te verhalen van de „nadering tot God en de spiegeling van zijn volmaaktheden”. Maar hij overvraagt en verwacht van de wijsgeerig-psychologische beschouwing wat deze al te vaak, bij een uit het oog verliezen van haar grenzen en een overschatten van de voorstelling, wel meent te kunnen geven, maar in werkelijkheid „hinein interpretiert”.

Naar mijn overtuiging is het vooral noodig de grenzen te kennen en vooral niet één systeem als alleenzaligmakend te aanvaarden. Wat ik bestrijd is het altijd weer teruggrijpen naar de interpretatie van de voorstelling en de onmisbaarheid van de voorstelling. Als wij Mondriaan nu eens even buiten het geding laten, zou men dan in gemoede kunstwaarde willen ontzeggen aan die tallooze werken van beeldende kunstenaars, die zijn ontstaan met eerbiediging van het Oud-Testamentische beeldenverbod van Mozes? En wat te zeggen van de gebrandschilderde ramen zonder voorstelling in de ornamentale motieven? Wat te zeggen van de kunstwaarde van tapijten, vazen, enz. enz.? Wie zou in ernst durven volhouden, dat deze kunstenaars minder bezield, minder „cosmisch bezield” gewerkt hebben en dat deze werkstukken den beschouwer toch nooit die eeuwigheidsbeleving kunnen schenken van het kunstwerk voorzien van een voorstelling? Het weven van een mantel werd in oude tijden gezien als het weven van een „verkleind heelal”. Het gewaad van den hoogepriester der Joden gold ten tijde van Philo als het beeld van den sterrenhemel (kosmos). Assyrische koningen droegen een „hemelkleed”.

Ornaat kan een cosmische functie vervullen. De diepere zin van ornamentale kunst ligt in haar dienend, in haar ritueel, liturgisch karakter verborgen. De cosmische dienst geeft hier in plaats van voorstellingen, voorsteilings-vrije ordening, die op haar beurt de cosmische orde weerspiegelt.

Als Elffers vraagt „is in het voorstellingslooze iets van dat heilig geheim? Zonder voorstelling niets van het mysterie, dat daarin en daarachter dringt”, dan hoop ik, dat deze noodwendig korte verwijzing naar de beteekenis van de ornamentale kunsten, toereikend is om aandacht te wekken voor het mysterie van voorstellingslooze kunstmogelijkheden en toereikend om de overschatting van de voorstelling te corrigeeren. Met opzet heb ik het ethische niet in het geding gebracht, omdat dit de verwarring nog slechts zou vergrooten en omdat de vragen van Elffers een andere afdoening vragen dan gekibbel over het ethische in kunst, waarover iater.

Tot slot nog deze opmerking, dat wij goed doen ons vrij te maken van vooropgestelde .speciaal voor Tijd-en-Taak-lezers belangrijke zienswijzen. Dit moet noodwendig tot vernauwing van den gezichtskring voeren en tot beperking van de waardeering. De wereld van de kunst is wijd en wij dienen deze te naderen, bevrijd van bijzondere verlangens en eischen en vol overgave en stilte. Alle kunstbeschouwing eischt arbeid van binnen, zelfoverwinning, stilte en ruimte. Aileen wie zich stil weet te houden en ruimte heeft van binnen, heeft kans dat hij volstroomt. Ook de gids gedrage zich daarnaar en treedt terug waar zijn gerucht slechts stoornis brengt. A. M. HAMMACHER.

Vereenigings- leven 11111111 l lil 'EVCII

Bentveldnieuws

De eerstkomende weekeinde kursus op 23 en 24 Jum is vooral bedoeld om aan het socialisties willen van jongeren een konkrete richting en inhoud te geven. P. Kuin spreekt over socialistiese ordening, dr. Kruyt over het Nederlandse volkskarakter waarbij het socialisme moet aanknopen. Banning over Gezag en Vrijheid. Zien wij er bezoekers van Jongeren-weekeinden terug?

A. C. groep Sneek

Tijd en Taak-lezers! Abonnementskosten 3e kw. 1934 (ƒ0.90), kunnen betaald worden bij H. Sikkes—Hartelust, Emmastraat 2, vóór 28 Juni.

Weer voorwaarts

maar dit wordt niet vergeten . . . ! !

Vermant in ’t diepst beleven. Bezield door één gevoel. Gaan we langs vele wegen Naar ’t zelfde grootsche doel.

Ja, ik moet dan maar beginnen. Beloften zijn gegeven om ingelost te worden, al zie ik er deze keer eerlijk gezegd wel een beetje tegenop.

Als mede-genoodigde ben ik de vorige week met een 50-tal werkloozen een week te gast geweest in Bentveld. En de A.G. was gastvrouw.

En daar heb ik de taak op mij genomen om van deze week een soort verslag te schrijven voor T. en T.

Een ..verslag” ? Neen dat wordt het niet. Want hoe is het mogelijk een verslag te maken van een week, waarin zoovele grootere en kleinere momenten voorkwamen, die als een warme herinnering bij vele van ons lang, ja zeer lang zullen blijven naleven.

Blijven naleven ja, maar niet in de allereerste plaats om hunne belangrijkheid of actualiteit, maar in de voornaamste plaats omdat ze „warm” waren en daardoor ons, zij het voor een oogenblik, veel deden vergeten, veel eens anders lieten zien, en ons voor langen tijd, erg veel leerden.

Geen verslag dus een getuigenis dan ? Zoo men wil. Ik zelf heb een hekel aan dat woord. Het roept veel jeugdherinneringen bij mij wakker waar ik een hekel aan gekregen heb. Daarom misschien.

Maar bovendien, lezer, wat „zeggen” u de woorden waarin ik zoo’n getuigenis zou kunnen vervatten, als ik u den toon niet kan laten hooren, waardoor men al sprekende de luisteraar beter kan doordringen van de echte, warme bedoeling? Het is daarom, dat ik er wel even tegenop zie nu, om mijn belofte in te lossen, maar het moet gebeuren weshalve ik de lezer verzoek meer te luisteren dan te lezen, en ik zal trachten meer te spreken dan te schrijven.

Ik heb al een aantal jaren van actieve arbeid in de arbeidersbeweging achter den rug. En daardoor al heel wat hooren spreken en zelf gesproken over kameraadschap. En, o, ja op verschillende momenten ook wel eens kameraadschap beleefd en zien beleven, momenten, die ik niet graag kwijt zou zijn, maar niet zoo !

Daar waren een 50-tal werkloozen vijftig mens Chen geslagen en gegeeseld door den tijd. Allen met hunne stukgeslagen illusies en toekomstverwachtingen. En hoevelen van hen hebben niet reeds alle hoop op eenig materieel herstel laten varen, en zien vóór zich niet anders dan zorg en leed? Vijftig menschen één in nood en lijden... maar ook en dit hebben we hier heel erg sterk gevoeld één in wil en strijd en streven naar een samenleving, die hooger en beter is dan deze, die hun de al te zware last oplegde. Daar buiten aan de stempellokalen e.d. mogen zij gescheiden zijn door de begrenzingen die „partijen” en „bewegingen” uiteraard moeten trekken... hier waren ze één. En daardoor werd er een week lang „kameraadschap” beleefd in den vollen zin van het woord. En deze ervaring is er eene, die niet licht vergeten wordt.

Was het de rust die de omgeving daar uitstraalt ? Was het, omdat we een korte poos weg waren van voor het aangezicht van onze groote zorgen ? Of was het doordat de leiding op de juiste toon was ingesteld ? Ik weet het niet!! Alleen dit weet ik, en zal het niet licht vergeten, dat, wat daar buiten, vaak als noodzakelijk gevoeld wordt soms mogelijk schijnt hier een week lang werkelijk was, n.l. dat 0.5.P.-ers, communisten en S.D.A.P.-ers beseften dat we wel gaan langs vele wegen, maar ten slotte toch streven naar een en het zelfde grootsche doel.

Mogen vragen van strijd en actie en hoe al die dingen meer mogen heeten, daarbuiten deze menschen fel tegen elkaar hebben opgejaagd hier voelden ze zich gebonden door één ideaal en dit gevoel, gastheeren der A.G., gaat niet snel voorbij en dat gij het een week lang hebt laten voelen, dat acht ik als uwe grootste verdienste... het heeft ons ongetwijfeld verdiept en wij zullen daar ongetwijfeld nog langen tijd de „verwarmende” invloed van ondergaan.

Heeft het nu in ■ dit verband nog zin om alle inleidingen met inleiders apart te noemen? Ik geloof het niet, en met het oog op de plaatsruimte doe ik het ook niet. Maar de geest, die alles beheerschte en overheerschte, was zooals ik dat boven heb getracht te vertellen.

En zoo kon het in deze geest en omgeving gebeuren, dat toen op een dier dagen minister Slotemaker de Bruine een bezoek aankondigde, de werkloozen hun grieven en klachten tegenover hem die zij daar „buiten” toch beschouwen als de verpersoonlijking van steunverlagingen e.d. zakelijk en nuchter naar voren brachten.

En dat de vragen en opmerkingen hem gesteld, juist door hun nuchterheid en. zakelijkheid, met vermijding van alle overbodige scherpte, pijnlijk waren voor (zooals hij het zelf noemde) de „mensch” Slotemaker, bewees zijn vlucht in de beantwoording der vragen achter den minister Slotemaker.

Ik geloof, dat ik het hier bij laten zal. Als de lezer goed „geluisterd” heeft, heeft hij althans een gedeelte van onze groote waardeering gehoord. Ik heb geen behoefte om een der leiders of inleiders apart te noemen. Zij hebben allen stuk voor stuk, elk op zijn wijze, bijgedragen tot welslagen van deze week. Maar een opmerking wil ik nog maken. Ik weet niet welke menschen deze internaten financieren. Het gaat mij trouwens ook niet aan. Dit wil ik hun alleen vertellen. Als er door hen ooit een gulden is uitgegeven, waarvoor zij zij het in niet persoonlijken vorm voor de volle honderd procent waardeering terugontvangen, dan zijn het deze guldens. En als er ooit een cent is uitgelegd, om werkloozen iets te doen vergeten van hun nood, maar tegelijkertijd, en dit is het allervoornaamste, iets mede te geven in den verderen harden strijd van het leven, dan gebeurt het met het op deze wijze uitgelegde geld.

Dit geld was goed besteed omdat het noodzakelijk is en deze uitgaven zijn noodzakelijk... juist omdat ze goed zijn. A.G. onze hartelijke dank!!

B. H. LEENHEER.