is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 38, 23-06-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenland g llliltlllllllllllllll M

Taal en wedstrijd

Prijzen is iets anders dan een prijs toekennen. Men kan een prijs ontvangen, zonder er naar gestreefd of er zelfs maar aan gedacht te hebben; maar meestal richt zich alle verlangen en inspanning op het veroveren van den prijs. Dat geldt van eiken wedstrijd, vaak in de malste en misselijkste prestaties. Men had vroeger den held, die de meeste eieren, pannekoeken of glazen bier achter elkaar naar binnen wist te werken. Er worden nu wedstrijden gehouden in langzaam rooken, in den langsten tijd dansen of pianospelen, in Amerika ook het langst in een vliegtuig in de lucht blijven of boven in een telefoonpaal zitten, zelfs het langst preeken en misschien ook wel het langst daarbij wakker blijven. Vooral in de sport is een ware wedstrijdwaanzin, waarbij menigeen om den prijs te winnen het leven verliest; we denken aan autorennen, luchtacrobatiek, die men deftig hoogeschoolvliegen noemt, luchtraces als die tusschen Londen en Melbourne, volgens Fokker voor de lichtere vliegtuigen waaghalzerij. Het kapitalisme bedient zich van het wedstrijdwezen om zaken te doen. De prijsraadsels zijn een vorm van reclame die pakt. De stoombooten, die het snelst den oceaan oversteken, mogen den blauwen wimpel dragen.

Ook op het gebied van geestelijk leven, kunst en wetenschap werkt men tegenwoordig met prijzen. Bouwmeesters worden opgeroepen tot een race voor het mooiste ontwerp van een stadhuis, beeldhouwers dingen naar den prijs voor het mooiste standbeeld, schrijvers pogen zoo de mooiste roman of het beste jongensboek te schrijven, geleerden schrijven een boek als antwoord op een prijsvraag over een of andere wetenschappelijke kwestie.

Of die voorliefde voor wedstrijden in verband staat met het kapitalisme dat heel het maatschappelijk leven tot één wilden en vaak dwazen wedstrijd maakt? Er is zeker verband tusschen de jacht naar winst en de jacht naar prijzen. Men kan echter ook een prijs toekennen zonder dat er naar gedongen behoeft te worden; dan is de prijs niets dan een vorm van waardeering en eerbetoon. Zoo deelt onze Maatschappij der Ned. Letteren ook prijzen uit. Zij hield de vorige week haar jaarvergadering. De voorzitter, de heer Bothenius Brouwer gaf een uitstekend pleidooi, om onze taal ook in het dagelijksch leven zuiver en goed te gebruiken; de taal is een kostbaar bezit en met kostbaarheden moet men voorzichtig, zelfs eerbiedig omgaan en dat doen wij met onze taal dikwijls niet. De meesten zien niet den schat en schoonheid der taal als Gezelle, die eens sprak van „Het Woord waarmede eerst onze Moeder ons leerde, wien ’t Heelal behoort, het Woord van Vader, Zuster, Broeder, ons eigen dierbaar Vlaamsche Woord”. Men behoeft ook geen nationalist te zijn, om eigen taal lief te hebben en te eeren. Er is ook een taalnationalisme, dat alle vreemdelingen, ook al zijn ze bij ons geheel thuis, wil bannen; woorden van vreemde afkomst, maar die ons tot eigen woorden geworden zijn. Wij moeten niets hebben van deze autarkie op taalgebied; ook hier hangt iedere natie van anderen af. Zelfs het Duitsch is niet van vreemde smetten te zuiveren en heeft vele woorden aan het Latijn ontleend, die niet gemist kunnen worden.

In deze vergadering der Mij. der Ned.

Letteren werden ook prijzen toegekend. Mevr. Roland Holst kreeg den prijs van meesterschap wegens haar leidende beteekenis op menig gebied der schoone letteren. Verder werd een prijs van ƒ 1000 in tweeën gedeeld en aan een prozaschrijver en een dichter ieder ƒ 500 toegekend, wat aanleiding gaf tot een onverkwikkelijk incident, omdat de eerste alles of niets wilde. Dat deze Mij. de groote woordkunstenaars, die hun rijke gedachten in schoone taal, eert, is goed en die eer mag ook wel in een titel bestaan. Terecht merkte echter A. B. K. in een van zijn Krabbels op, dat op het gebied der kunst geen maat van waardeering is aan te geven; we hebben hier met grootheden te doen, die men niet vergelijken kan. Men kan Beethoven niet boven Mozart of Goethe boven Shakespeare stellen; men kan ook niet uitmaken, of een lelie schoener is dan een roos, een vlinder mooier dan een meeuw; z;e hebben allen immers hun eigen schoonheid. Maar zeker deugt het niet, waar men op kunstgebied prijst en een eerste aan wijst, daaraan ook geld te verbinden. Men kan een kunstenaar van beteekenis die in nood verkeert of een jong talent, dat zich uit armoe niet ontvouwen kan, geld geven als steun. Maar geld moet hier niet dienen, om te eeren. Dan maakt men van de kunst een sportterrein, waar men niet recht kan uitmaken, wie de eerste is en omdat de jury een „kamprit” constateert, den prijs onder de twee eerstaankomenden verdeelt. De klank van den titel meesterschap is vrij wat edeler en schoener dan van het goud, dat Mevr. Roland Holst als prijs ontving. Meer waarde ook dan de titel meesterschap heeft „de eerezuil in het hart des volks”, voor Mevr. Roland Holst opgericht om haar beste dichtwerk, haar leven.

Ordening in het maatschappelijke leven

Het socialisme wil niet alleen een broederlijke en rechtvaardige, maar ook een ordelijke en redelijke samenleving. Het wil de maatschappij van een wild en gevaarlijk water tot een stroom in de goede richting maken. In tijden van bijzonderen nood, zoo in den oorlog en thans in de crisis, poogt men in productie en distributie eenige orde te brengen, maar dat zijn maatregelen wegens de „bijzondere tijdsomstandigheden”, die men zoo spoedig mogelijk weer in trekt, opdat het vrije spel der maatschappelijke krachten weer kan beginnen. We beleven nu de gruwelijke dwaasheid, dat er door velen gebrek geleden wordt, terwijl de wereld lijkt op een magazijn, dat kraakt en scheurt zoo vol is het, en waarin men niet alles kan bergen en dus een deel der goederen maar vernietigt.

Het socialisme wil de productie en distributie niet richten op persoonlijke winst maar op algemeene behoefte en het algemeen belang. Dan bouwt men niet vijf groote kleerenmagazijnen naast elkaar, maar men zorgt, dat het publiek zich zonder moeite van kleeren kan voorzien; dan zal men veel tijd en geld en kracht besparen, want het concurrentiestelsel is zeer verkwistend. Men plaatst het postkantoor op de plaatsen, die in het belang van het publiek zijn; in de groote steden verdeelt men daarom bijkantoren in de verschillende wijken. Dat alles gebeurt met overleg. Maar men kan in een straat vijf bakkerswinkels en slagerijen vinden, soms huis aan huis. Vooral in het winkelbedrijf heerscht de grootst mogelijke willekeur. Volgens de opgave van het Centraal Bureau voor de Statistiek naar de bedrijfstelling van December ’3O zijn er totaal in ons land 152477 win-

kels van allerlei aard, warenhuizen en winkeltjes met centenegotie; daarin werken totaal 132.225 personen als personeel. De man zelf wordt niet meegeteld; gemiddeld is er dus in elke winkel nog niet een lid als personeel; dat wijst naar een zeer groot getal eenmanszaakjes. Hun leven is moeilijk, een hard vechten, meest zonder vooruit te komen en dikwijls met een volkomen nederlaag als einde. Ze maken de wanorde in de distributie nog grooter en deze ook duurder. Naar de leer van het vrije spel der maatschappelijke krachten, is hij, die zich niet staande kan houden in den maatschappelijken strijd, waard, dat hij ten onder gaat. Het socialisme wil ieder bestaanszekerheid geven in dienst van het gemeenschappelijk belang. Het liberalisme noemt dat een inbreuk in de particuliere vrijheid. Die vrijheid is echter voor duizenden in de practijk gelijk aan de vrijheid van de vlieg, die vast zit met haar vleugels aan den lijmstok, om weg te vliegen. Er is overal veel meer vrijheid bij orde dan bij wanorde. Wat hebben de millioenen werkioozen aan de vrijheid, om te werken, wanneer er voor hen geen werk te vinden is!

Loonsverlaging

Alleen bij uiterste noodzaak zal een sociaal-democraat aan loonsverlaging mogen meewerken. Wanneer een gemeentebestuur onder curateele zou worden gesteld en zijn laatste zelfstandigheid zou moeten verliezen, als het de loonen van het gemeentepersoneel niet verlaagde, zou men den bitteren pil moeten slikken, of wanneer dit personeel door vroegere loonsverhoogingen nu aanmerkelijke crisiswinst maakt en het verschil tusschen zijn loon en dat van geschoolde arbeiders in particulier bedrijf al te groot is, zou men des noods aan loonsverlaging moeten medewerken. Maar de loonsverlaging gaat nu reeds een paar jaar steeds verder bij particulieren en bij de overheid en de levensstandaard der arbeidende klasse is daardoor reeds niet weinig gedaald; een deel van hetgeen na jarenlangen strijd gewonnen is, ging reeds verloren. En nog blijft de drang naar loonsverlaging sterk. In de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer in zake het 60 millioen-werkfonds noemt de regeering het niet juist, dat de regeering zou tegenspreken, dat van hooger hand loonsverlaging zal worden bevorderd. Dwingend ingrijpen in het tegenwoordige loonpeil wil ze niet. Wel acht zij den geleidelijken weg naar lager loonpeil de meest verkieselijke. Zij wil door onderhandeling omtrent het loon tot overeenstemming komen en zal de kosten van het noodzakelijk levensonderhoud daarbij niet uit het oog verliezen. De regeering kan in het algemeen geen antwoord geven op de vraag, of de loonen reeds thans voldoende verlaagd zijn.

De begeerte, om de loonen te verlagen, moet bij de regeering wel groot zijn, dat ze door het Werkfonds zeker een indirecten drang wil uitoefenen tot loonsverlaging, terwijl ze toch erkent nog niet te weten, of deze wel noodig is. Het doet denken aan een dokter, die zijn instumenten al klaar legt, terwijl hij nog niet eens weet, of operatie noodig is. Het werkfonds heeft één groot voordeel; een aantal arbeiders zal er werk door krijgen; maar de organisaties, die over de arbeidsvoorwaarden geraadpleegd moeten worden, mogen wel op hun stuk staan en waken, dat de loonen niet dalen tot het bedrag, dat voor noodzakelijk levensonderhoud noodig is. Dat zal toch vrijwel gelijk zijn aan het steunbedrag voor de werkioozen, die ook niet meer krijgen dan wat noodig, om in leven te blijven. J. A. BRUINS Jr.