is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 39, 30-06-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BELIJDENIS

(Gedacht voor samenzang.)

Anders in veel trachten, streve’; in ’t diepste eensgezind;

laat de woorde’ in tastend beven, brekend uit het binnenst leven, zeggen wat ons bindt.

O, de wereld, o de menschheid! 't Willen vliegt haar toe;

strijden wil het hart, wil werken; leven brengen, waar zijn zerken .

Maar de hand wordt moe.

Mat het hart; in waangestalten bijt ’t verstand zich vast; het volbrachte viel in scherven. Wie zich dacht rechtmaatge erve, doolt weer, vreemde gast.

In verduistring, in omnachting, wordt het hart bereid.

Hoe bezweken sterke beugen! Is die eeuwge drang dan leugen naar gerechtigheid?

Rust het hoogste menschlijk streven, in een leege waan?

Grijnst uit eeuwge eeuwigheden enkel geestloos toeval, wreede zinloosheid ons aan?

Hard de dagen, wrang de nachten . . Ziet: zoo smelt de wand, die ’t hart uit zijn hoogmoed bouwde en zijn huiverende koude streelt een warme hand.

’t Leert: de drang, die het doet beven i s geen leugenwaan;

Gij hebt hem in ’t hart geschreven: vuurschrift, dat bestuurt ons leven en der sterren baan.

Allen mochten wij ervaren glimp van Uwe kracht; zij doet de gebrokenheden

schiete’ aan één, kristal van vrede, waar Uw gloed door lacht.

H. ROLAND HOLST.

Ceestelik leven

Heilige geest

Wie handelt over geestelijk leven, kan moeilijk aan het begrip heilige geest voorbijgaan. Wanneer wij in het menschelijk zijn verschillende „lagen” onderscheiden, dan zijn wij hiermee bij de hoogste aangekomen. De mensch is een natuurlijk wezen, hij heeft geestelijk leven, wat met de cultuur samenhangt, en in hem kan heilige geest worden ~uitgestort”. Daarmee is reeds aangeduid, dat het een apart soort geestelijk leven is, waarmee wij hier te maken krijgen. Het is niet een vast bezit, waarover de mensch ten allen tijde beschikken kan, het moet van buiten af in hem gebracht worden en wel uit een andere, „hoogere”, heilige, d.i. goddelijke sfeer. Wat er eigenlijk mee bedoeld wordt, kan misschien het best duidelijk gemaakt worden aan de hand van gedachten uit den bijbel. Het begrip heilige geest stamt n.l. uit den bijbel. Daar neemt het een belangrijke plaats in. Het kan daar verschillende beteekenissen hebben. Het duidt soms het algemeene levensbeginsel in den mensch aan (onze „levensgeesten”), maar meestal

een bijzonder beginsel, dat van buitenaf in den mensch komt en hem tot bijzondere daden in staat stelt. Dat kunnen goede en slechte zijn, tegenover den geest Gods staan de booze geesten. De daden zelf kunnen van verschillenden aard zijn. In het algemeen wordt alles waartoe men den mensch uit zichzelf niet in staat acht, aan de werking van den geest toegeschreven, b.v. de daden van Simson, de sterke man. In het bijzonder zijn het de extatische toestanden van de profeten en hun gedragingen, die de geest heet te werken. Wanneer dit profetisme een uitsluitend zedelijkgodsdienstig karakter krijgt, veroorzaakt hij ook vooral zedelijk-godsdienstige eigenschappen en daden. De profeten spreken, gedreven door den geest Gods en men bidt om den heiligen geest. Zoowel het extatisch-visionaire als het zuiver zedelijkgodsdienstige vindt men in het Pinksterverhaal en in het oudste christendom in het algemeen, maar het laatste overweegt toch. In het beroemde 1 Kor. 13 is de heilige geest de oorzaak van het geloof, de hoop en de liefde, waarvan de liefde de meeste is. Zijn uitwerking is dan in één woord gezegd vernieuwing, van enkeling èn gemeenschap, want het is vooral in de gemeenschap dat de heilige geest werkt.

Wanneer derhalve de eerste christenen spreken van hun geloof in den heiligen geest, dan doen zij dat op grond van hun ervaring van de onmiddellijke werking Gods in hun persoonlijk en gemeenschapsleven. Daardoor worden zij de zedelijkgodsdienstige goederen deelachtig, zij worden er andere, nieuwe, beter en gelukkiger menschen door. Het is, hoewel voor hun besef gebonden aan Jezus Christus, een persooniijke, geestelijke werking, die door God op de menschen wordt uitgeoefend. Zij zijn passief, hoewel voorwaarde en gevolg groote activiteit zijn.

Ik meen dat voor ons in dit alles enkele gedachten van groote beteekenis zijn vervat, al zullen wij die anders uitspreken. Daar is de ervaring, dat geestelijk leven en zeker het waardevolle er in, ons geschonken wordt en moet worden. Wij spreken van een kunstenaar als van een begenadigde en een geïnspireerde en duiden daarmee aan, dat datgene, waar het in de kunst op aankomt, ingegeven, onverdiend geschonken wordt. Wel moet de droom van schoonheid, waar de kunstenaar iets van mocht zien, door harden arbeid in weerbarstige stof tot een kunstwerk worden omgezet, wei is ingespannen concentratie noodig, maar dat is secundair. lets dergelijks is het geval met een hervormer, een profeet, in zekeren zin ook met een uitvinder en ontdekker en in het algemeen met ieder die (nieuwe) waarden schouwt. Deze waarden brengt hij niet voort, zij zijn er, hij mocht in een begenadigd oogenblik van verlichting er iets van zien. Zoo is het zeker ook met het geluk, wat althans dien naam verdient, men kan het niet dwingen, het moet deemoedig ontvangen worden. Dit ailes geldt niet het minst van wat in het zedelijk-godsdienstig leven aan goederen aanwezig is. Heiliging en heil, d. w. z. levensrichting, zedelijk inzicht, kracht ten goede, geloof, liefde, vrede en dergelijke, kortom levensvernieuwing, zijn goederen, die men zich in laatsten aanleg niet kan verwerven, zij moeten geschonken worden.

Dat beteekent niet dat de mensch louter passief zou moeten zijn. Hij kan en moet zich voorbereiden en dit brengt groote inspanning mede. Het weren van alle storende gedachten, het geopend en ontvankelijk zijn, het geconcentreerd zijn op het eene vraagt niet weinig activiteit. leder die in Barchem of Bentveld of elders aan

een stille wijdingsdienst deelnam, weet dat. Maar ook het gevolg is activeering, van de hoogste vermogens van den menschelijken geest. Zooais de bekende Quaker Rufus M. Jones zegt, dat men ten slotte alles van de inwerking van den heiligen geest verwacht, beteekent niet, dat „God den mensch het best zou kunnen gebruiken, wanneer hij een holle buis was”. En deze activeering zal blijken in daden. Op Pinksteren werd de eerste gemeente gesticht, het Joodsche Pinksterfeest is een herinnering aan de ontvangst van de tien geboden. Heilige geest is ook heilige daadkracht, in den mensch.

Maar toch in den mensch uitgestort. Ook dat besef kan zeer levendig zijn, dat God onmiddellijk in den godsdienstigen mensch werkt, in het bijzonder in de godsdienstige gemeenschap, waarin en waaruit de enkeling leeft. Men denke weer aan Barchem. Een inwerking vanuit een hoogere sfeer wordt ervaren, geheimzinnig, doch zeer werkelijk, huiveringwekkend èn zaligend ineen. Het is een geestelijke inwerking, d.w.z. een onzienlijke, maar tevens een, die analoog te denken is aan die van den eenen persoon op den anderen: doelbewust, inzicht schenkend, den wil beïnvloedend, het beste wekkend en versterkend, (geestelijk) leven schenkend, — vernieuwend.

Dat deze inwerking onmiddellijk is, sluit niet uit, dat zij niet door bepaalde middelen heen kan gaan. Zij kan door een boek, een persoon, hoe ook worden uitgeoefend, maar steeds is dit een instrument, waarvan God zich bedient. Voor velen zal de goddelijke, heilige, heiligmakende en heilschenkende geest vooral uitgaan van den persoon van Jezus Christus.

Wij leven in een wereld, waarin van beneden af het instinctenleven, het beneden- en ongeestelijke, brutaal in het geestelijk leven binnendringt en heh v.err, nietigt. Wij gevoelen ons vaak machteloos tegenover deze waarden-vernietigende machten. Zoo hebben wij wel zeer noodig dat geloof in en de ontvankelijkheid voor den vernieuwenden, „herscheppenden” geest, die mensch en wereld anders zal maken. Maar wij kunnen er ~slechts” om bidden. Dat lijkt weinig, het is veel, alles. En wij bidden, juist ook wij als religieuze socialisten met het oude kerklied; „Veni creator spiritus” (Kom Schepper-Geest.) H. DE VOS.

Boekbespreking iiiiiiiiiiiiiiiiiiiii lIIUIIIIIIIIIIIIIIII

Vit het werk van dr. F. M. Wibaut, verzamelde herdrukken, ingeleid door E. Boekman, Arbeiderspers 1934. 205 bladz., ing. f 2.25, geb. f 2.90.

Hoe moet je nu iets verantwoords zeggen over dit boek? Men heeft het willen uitgeven als een hulde aan de great-old-man der sociaal-democratie. Welnu, bij die hulde sluiten we ons van harte aan; Wibaut heeft voor de arbeidersbeweging zeer belangrijk baanbrekend werk verricht. Of zijn belangrijkste blijvende werk in zijn geschriften ligt? Men kan daaraan op goede gronden twijfelen. Of wanneer men deze bundel op zichzelf neemt men hierin een beeld vindt van Wibaut? Ook dat kan men betwijfelen, en de al te korte inleiding van Boekman vult het tekort niet aan. Toch is het een merkwaardig boek, deze verzameling van veelsoortige artikelen. Men leert er Wibaut’s kennis van het ekonomies leven en liefde tot het socialisme uit kennen; men ziet er zijn zeer veelzijdige belangstelling uit, en vindt er ook wel zwakheden in terug. Stellig zal menigeen, die Wibaut met dankbare eerbied gedenkt, dit boek willen bezitten. Komt er dan later nog eens een bundel, waarin op grond van degelike studie, Wibaut’s werk naar verschillende kanten wordt belicht, dan kan men zonder schade aan de grootheid van deze figuur zijn filosofiese beschouwingen laten liggen. Gelukkig kan iemand een hoogstaand mens met een ruim hart, en een voortreffelik socialist zijn, zonder een groot filosoof te wezen. W. B.