is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 40, 07-07-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beeldende Kunsteng

I Ciotto (1267-1337)

Beter dan alle getheoretiseer over kunst is het om raad te gaan bij de menschen van groote gaven. Zoo is er wellicht geen sterkender voorbeeld in de geschiedenis der schilderkunst voor den zoekenden mensch van dezen tijd, dan het voorbeeld van Giotto, de groote vernieuwer der monumentale schilderkunst, die tot in dezen tijd toe vat heeft op de eenheidzoekende bouwende geesten. |

De werkzaamheid van Giotto behoort tot verschillende belangrijke Italiaansche centra uit de 13de en 14de eeuw. Hij heeft in zijn jeugd gewerkt in het gezegende oord in de bergen van Umbrie, waar de heilige Franciscus de straling van zijn leven had gegeven in de bezielde beleving van de scheppingskracht der wereld. Franciscus verstond de stemmen van hemel en aarde. Voor dezen mysticus was er geen wezenlijke scheiding tusschen de dingen.

Wat in de dogma’s en formules van de kerk aan schatten van wijsheid verzegeld en begraven was, werd vloeiend en ontbloeide in Franciscus met al de helderheid en de glans, die het menschelijk hart en gemoed aan de dingen schenkt, als de zachte liefdekracht het beweegt. In de mystiek van Franciscus breken de zegelen der dogma’s en vloeit de buitenmenschelijke goddelijke majesteit over ’en in de menschelijke innerlijkheid. Object en subject raken dan elkaar. In de geboorte van het God-zingende hart vernieuwde zich de christelijke leer en in de bezielde aanvaarding van de natuur klonk een bijna heidensche verrukking.

Wat een voorrecht voor den jongen Giotto, de opdracht van de Franciscaners te kunnen aanvaarden, het leven van Franciscus te schilderen in tafereelen op de wanden van de basiliek, die in 1252 in Assisi ter eere van den heilige werd gewijd. Giotto, die van Cavallini en van Cimabu had geleerd, vond ook in Assisi nog het voorbeeld van laatstgenoemde. Cimabu staat nog onder Byzantijnsche invloeden. Deze schilderkunst geeft het goddelijk ontzag weer, het ontzag voor een buiten- en bovenmenschelijke Macht, zonder dat in de vereenigingsdaad iets komt van het innigste van den vereerder. Zijn menschelijk hart spreekt niet mee. Hij getuigt, indrukwekkend en sacraal. Het levende van het getuigenis van Cimabu spreekt uit de strakheid en uit de span-

ning van de vormen, die in laatste instantie de strakheid en de spanning zijn van den geest. Daarom is een werk van Cimabu, hoewel het de subjectieve accenten mist, niet Byzantijnsch vormelijk, maar geestelijk levend. Het is in hoogsten zin dienend, maar zoo ver-gaard objectiveerend en absoluut, dat het menschelijk Ik er in wegvalt. Zoo herinner ik mij in de bovenkerk van Assisi onder arcaden van die transept drie engelen te hebben gezien, die van Cimabu of van zijn leerlingen zijn. Nooit ben ik zoo getroffen geweest door de uitdrukking van kracht en majesteit. Hier was vorm gegeven aan een bovenaardsche blik van doordringende straling, waarin het zelfgevoel geheel werd opgeheven en weggezogen. Innig was dit niet; hartelijk evenmin. Het was niet teeder, niet zacht. Het was groot en dwingend. Dit was de Wet en de Wetgever, in al de hevigheid van een buitenmenschelijke kracht.

Aan Giotto nu was het gegeven dezel

macht in zijn abstracte en absolute verschijningsvorm te breken. Wij weten niet door welk wonder de krachten van het menschelijk hart in hem waren losgekomen. Maar het lijkt niet toevallig, dat het juist in Assisi was en in een tijd die nog trilde van de stralingen van Franciscus, dat Giotto in beelden van diens leven moest verhalen. Zeker is, dat hij als beeldend kunstenaar iets van de genade en van de gave van Franciscus heeft ontvangen, die de kracht en de majesteit van het goddelijk levensbeginsel deed overgaan in het geheim van de menschelijke bewogenheid.

Giotto is voor het eerst de menschelijke bezieler in schilderkunst van goddelijk gebeuren. Het koele, abstracte, het Byzantijnsche formalisme breekt in hem en de nieuwe vurigheid is de beweging van den menschelijken geest en de warmte van de menschelijke emotie .

Zoo staat Giotto den modernen mensch zeer nabij. Hij leeft aan de grens van twee tijden. De historici zijn het niet eens waar de middeleeuwen ophouden en de nieuwe tijden (Renaissance, wedergeboorte) beginnen. Het is niet eenvoudig de term renaissance te omschrijven en het begrip middeleeuwen zuiver onder woorden te brengen. Dit is hier ook niet noodig. Maar wel is het mogelijk, buiten deze formuleeringen om, te doen zien wat in het beeldend dichterschap van Giotto veranderde; hoe in hem een menschelijke bezieling de

wereld van de kunsten een nieuwe stem, de stem van het innerlijke gaf en hoe hij dus het menschelijk zelf bracht, met al zijn rijkdommen aan warmte en glans en al zijn gevaren van tribulatie en kleine ik-zucht.

De tijd voor Giotto was groot geweest in structuur en absolute vormen. Giotto erft die grootheid. Zijn wandschilderingen zijn gebouwd. Maar inplaats van de absolute vormen van de geloofsobjecten doordringt hij ze met de menschelijke bezieling en beweging. Hij tast dus in zekeren zin het oude aan. De indrukken die hij teweeg brengt verleenen echter zoowel aan het oude als aan het nieuwe hun kracht. Zijn bezieling is geen planlooze expressie, geen wilde uitstorting van een groote emotie. Giotto construeert, hij heeft een duidelijk pian. Hij kent de waarde van grondlijnen; hij weegt de groepen tegenover elkander af. Hij stelt zijn werk inderdaad te zamen, dat is: vormt een gemeenschap van levende deelen. Het is een structureele, een bouwende geest, die niet alleen ziet, maar ook nadenkt. Hij weet hoe te handelen en is geen avonturier. Zoo krijgt de oude grootheid der godsgemeenschap menschelijke stem en ziel. In Giotto krijgt het edelste dat ooit de kunsten droeg en dragen kan, de menschelijke gemeenschap der innerlijkheid, een beeldenden vorm.

De afbeelding, die bij deze beschouwing behoort, geeft een muurschildering van Giotto, uit zijn iateren tijd, in de kerk der Franciscanerorde Santa Croce (Heilige Kruis) te Florence. Giotto heeft veel voor de Franciscaners gewerkt. Ook dit fresco beeldt uit een tafereel van Franciscus: zijn doodsbed. De monnikken zien de stigmata, de iijdensteekenen van Christus, op zijn gelaat. Met groote terughouding beeldt Giotto het dramatisch oogenblik van het zien van het wonder. De rechter en de linkergroep, die het doodsbed flankeeren, staan in strakke sacrale houdingen. Een enkele heft de hand. Meesterlijk is de groepeering der figuren om het bed, in zuiver gekozen bewegingslijnen voert het geheele samenstel naar het hoofdmoment: het gestigmatiseerde gelaat. Strak en streng lijkt het geheel. Buitengewoon rustig ook door de werking der prachtige horizontalen van de architectuur van het vertrek en de horizontalen van het bed en de gestalte. Met de vertikalen als tegenbeweging wordt de indruk van evenwicht veroorzaakt. Daarbinnen is het spel der bewegingslijnen. Het is onnoodig, na deze enkle aanduidingen, de rijkdom aan details uit te spreken, die eik op zich zelf tot de bezielde kunst van samenstellen, de compositorische gave behooren. Geen dor schema is hier grondslag, maar een bezield plan. Nergens een te veel, nergens een overdrijving in de gebaren. Alles is noodzaak en uit noodzaak geboren. De expressie heeft hier zijn binding in de structuur. Hoe hevig en indringend, hoe recht op den man af en kernachtig is daardoor de expressieve werking geworden. Hoeveel inniger en waarachtiger dan het vaak wilde en bandeloos overgegeven expressionisme van dezen tijd, dat zich overigens reeds overieefd heefi

F Dat zulk een figuur van structureele geestelijke grootheid en indringende menschenkennis de vriend was van Dante kan niet verbazen.

Met reden staat Giotto aan den ingang van deze beschouwingen over beeldende kunsten. Zes eeuwen liggen tusschen ons en zijn werkzaamheid. Maar de eenvoud van geestelijke grootheid en dienende bezieling kent afstand noch tijd. A. M. HAMMACHER.