is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 40, 07-07-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE STERREN

Zie naar de sterren, mijn lieveling, hun schijn vangt aan in de schemering,

stralend uit diepste duisternis.

tot weer het licht geboren is

Zie naar de sterren, mijn lieveling.

hun licht komt van ver voor den sterveling, hun zijn is geheven in tijdloosheid.

hun glans is geweven uit eeuwigheid.

Zie naar de sterren, mijn lieveling, het leven verzinkt in herinnering,

en alle aardsóhe vergankelijkheid onder het licht der onsterfelijkheid.

R. T.

Kritiese Kroniek

, Pio MICUVYC I I lai

De sensationele weigering van de halve bekroning door Den Doolaard op de jaarvergadering van de Maatschappij voor Letterkunde, heeft de wezenlike betekenis van de gedane keuze geheel uit de aandacht gedrongen. De pers, hoewel zij zeker in déze zomer geen klagen heeft over slapte en komkommertijd, heeft zich gretig geworpen op de incidentele weigering, zonder verder een principiële bespreking te geven van de uitverkoren kunstenaars zelf. De weigering immers is een strikt persoonlike zaak van één auteur en een volstrekte slag in de lucht; het mogen eerbiedwekkende of belachelike reden zijn geweest, die tot deze daad voerden, hij kan er het feit van zijn halve bekroning niet ongedaan mee maken, zo min als iemand, die het gezegende familiefestijn van zijn zilveren bruiloft ontvlucht, daarmee het feit van zijn vijfentwintigjarig huwelik te niet kan doen. Publieke personen, zoals kunstenaars nu eenmaal zijn, zijn weerloos overgeleverd aan de goedkeuring van meer of vooral minder bevoegde beoordelaars, aan de opeenhoping van misverstanden, die men „roem” noemt zoals Rilke zegt in zijn beschouwing over Rodin —, aan de hachelike kans ener officiële bekroning met een al dan niet volledige enveloppemet-inhoud, en wat dies meer zij. Zoals een mijninstorting voor de steenkoolhouwers en een moordaanslag voor de vroegere russiese czaren, is dit voor hen het beroepsgevaar, dat zij eenvoudig hebben te aanvaarden. En zo zijn dus „bekroond”: Henriëtte Roland Holst, Slauerhoff, Den Doolaard en Engelman; en als men Den Doolaard’s vijfhonderd gulden nogmaals uitlooft, wordt dit viertal tot vijftal, zonder dat Den Doolaard zich dan aan deze kring kan hebben onttrokken. Hij blijft bekroond tegen wil en dank.

Over de meesterschapsprijs voor mevrouw

Roland Holst kan ik kort zijn. Sinds 1902, sinds de verschijning van de Nieuwe Geboort, kan men aan het meesterschap dezer grootste levende dichteres niet in redelikheid meer twijfelen en met de enkele uitzondering van een eigenwijs of ijdel criticus hééft men er ook niet aan getwijfeld. Een jury, die in 1934 Henriëtte Roland Holst bekroont, of Houtens bekronen zou, heeft daarvoor even weinig persoonlik inzicht nodig en loopt net zo veel risico zich in z’n oordeel te vergissen, als de literair-historicus, die na ernstige overwegingen tot de conclusie komt, dat Dante, Shakespeare en Goethe z.i. toch eigenlik wel geniale kunstenaars zijn. Zal het toekenen van de meesterschapsprijs enige zin hebben, dan moet de jury de verantwoordelikheid dragen voor een keuze, die discutabeler is dan de huidige; zij moet iemand durven bekronen, wiens meesterschap een omstreden zaak is, zodat haar beslissing een daad wordt, gelijk het indertijd een daad was toen de Nieuwe-Gidsprijs werd toegekend aan W. L. Penning Jr. De bekroning van Henriëtte Roland Holst is dan ook in geen enkel opzicht karakteristiek voor de huidige stand onzer letterkunde; de andere bekroningen zijn dat te meer.

De vraag, of misschien ook andere kunstenaars in aanmerking zouden komen dan Juist de drie gekozenen, blijve hier buiten beschouwing; ik wil alleen de betekenis bespreken van de gedane keuze, niet de keuze zelf aan een kritiese toets onderwerpen. Er is, natuurlik met individuële nuances, een sterke trek van gelijkheid in deze drie schrijvers, en wel hun onmiskenbaar romanties karakter. Slauerhoff, wiens poëzie in grote gedeelten een volkomen breuk betekent met een ook maar eenigszins regelmatige versbouw, wiens proza vol grillige stijl- en stemmingsvariaties is, en wiens motieven met gretigheid ontleend worden aan oer-stadia van leven, hetzij in een ver verleden, hetzij in verre landen Slauerhoff is een romanticus van zo duidelike aard, dat hij de literair-historiese vertegenwoordigers der eigenlike Romantiek geheel in de schaduw stelt. Zijn essentiële melancholie, zijn eenzaamheid, zijn

zelfspot, zijn zwerversnatuur, zijn anarchistiese, louter individuële vrijheidsdrift, zijn heldenverering, zijn schijnbare slordigheid in woordkeus en versbouw: het is alles van een in Nederland ongekende romantiese hevigheid, omdat het voor het eerst de kleinburgerlike zelfgenoegzaamheid mist.

De maatschappelike omstandigheden ontwortelden tijdens de Romantiek van het 19e eeuwse Nederland méér de artiest dan de mens; ja, terwijl zij de artiest ontwortelden, blijven zij de mens nog binden. Slauerhoff echter is èn als kunstenaar èn als mens een losgeslagene, hij heeft een bittere wrevel tegen het leven, maar men moet tot de conclusie komen, dat dit essentieel slechts het europese kultuurleven geldt. Zijn begeerte naar het avontuur is een vlucht uit de maatschappij, zijn verlangen naar ruimte is vrees voor de sociale bindingen. In de tijd van de revoluties (1917—1920 ongeveer) heeft hij avontuur en ruimte verwacht binnen de grenzen onzer horizonten; nu de „orde” is hersteld, de dwang is verhevigd, de crisis het leven vervaalt, volgt zijn hart de weg van de minste weerstand en wijkt naar gedroomd geluk; zodra de spanningen in West-Europa opnieuw aan de vrijheidsbegeerte van het proletariaat een kans geven op nabije verwezenliking, keert hij wellicht terug, niet om hen zelf maar om zichzelf. De moed om terug te keren nu, nu de gevaren het grootst en de avonturen het geringst zijn, zal hij niet hebben; hij zal misschien niet eens begrijpen, waarover ik hier spreek.

Minder verbitterd en eenzaam, iets gemoedeliker en fleuriger, maar in wezen zeer duidelik met hen verwant, is Den Doolaard, die in zijn pseudoniem (volgens de Burgerlike Stand heet hij Spoelstra) zijn zwalklust en rusteloosheid openlik bekent. Van al zijn werk speelt niets binnen Nederlandse grenzen, zijn beste verhalen „De Druivenplukkers” en „De herberg met het hoefijzer” verplaatsen ons in de wezenlike zin van het woord naar Zuid-Frankrijk in het getij van de druivenpluk, als het ongetemde veelkleurige leven der seizoenarbeiders de streek vervult, en naar de Balkan waar de woeste wraakinstinkten zich uitvieren in een eeuwige heftigheid: liefde, eer en dood.

Zijn sociale belangstelling is sterker dan die van Slauerhoff; hij schreef een antimilitaristiese brochure „Hooge hoeden en pantserplaten”. Zijn weigering van de „halve bekroning” en de pathetiese rede, die hij bij deze gelegenheid afstak, zouden echter voldoende zijn om zijn romanties karakter te bewijzen.

Ten laatste Jan Engelman. Ongetwijfeld is er een groot verschil tussen hem en de beide anderen, al was het enkel dit, dat zij als duidelike persoonlikheden uit hun werk te kennen zijn, terwijl hij vaag en vreemd achter zijn verzen schuil gaat. Misschien zal hij zich ontwikkelen op een onverwachte wijze, maar er is één trek in zijn werk, die mij de zekerheid geeft, dat ook hij in diepste wezen romanticus is: zijn „vocalises”, gedichten zonder begrijpbare betekenis, ritmiese klankenreeksen zonder logièse zin. Het is immer duidelik, dat Engelman in deze zéér melodieuze en dus wel zeker ook zeer poëtiese scheppingen het woord geheel heeft ontdaan van zijn sociale functie.

De bekroningen van de Maatschappij voor Letterkunde zijn de bevestiging van een nieuwe Romantiek in Nederland, die ook uit Schenders „Jan Compagnie”, De Vries’ „Rembrandt” e.a. reeds kon worden vastgesteld.

G. STUIVELING.