is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 43, 28-07-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tijd EN Taak

Aan God behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24:1

ZATERDAG 28 JULIE 1934 – No. 43

32ste JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

RELIGIEUS-SOCIALISTISCH WEEKBLAD

ONDER REDACTIE VAN DR. W. BANNING

ADRES DER REDACTIE; BENTVELDSWEG 5 • BENTVELD

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 32STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR F 3.40, PER HALFJAAR F 1.75, PER KWARTAAL F 0.90 PLUS 15 CTS INCASSO – LOSSE NUMMERS 8 CTS POSTGIRO 21876 – GEMEENTE GIRO V 4500 – ADMINISTRATIE GEBOUW N.V. DE ARBEIDERSPERS. HEKELVELD 15, AMSTERDAM-CENTRUM

GOD ALS LEUZE

E en van de verheugende dingen om -wat men de Amsterdamse relletjes noemt, was het telegram der Hervormde predikanten. Een paar dagen nadat het was verzonden, hebben twee der ondertekenaars daaraan een brief toegevoegd, die ook In de pers bekend Is gemaakt. Mij trof uit dit aan minister Colljn gericht epistel één zinnetje vooral: ons volk moest weer teruggevoerd worden tot God —wat de socialisten gedaan hadden zonder God, het opkomen voor de lijdenden en ontrechten In de samenleving, moest tans worden gedaan door wie geloven In God.

De leuze Is niet onbekend. Menigeen onder de oudere rellgleus-soclallsten herinnert zich nog wel het vlammende boek van Herman Kutter, de Zwitserse predikant die de eerste vertegenwoordiger van het rellgleus-soclallsme werd. Een van de hoofdgedachten van zijn boek („Zij moeten”) was deze: de socialisten die Gods naam niet willen noemen, doen nochtans zijn wil, doordat zij de strijd voeren voor sociale gerechtigheid; de vromen die In hun kerken Gods naam zo geregeld en gemakkellk noemen, gehoorzamen echter niet zijn wil, zij staan In de maatschappellke worsteling gewoonllk precies aan de verkeerde kant. Kutter heeft deze door hem met profetlese kracht uitgesproken overtuiging omgezet In een daad: hij Is toegetreden tot de soclallstlese partij.

Van Amsterdamse Hervormde predikanten verwacht men In het jaar 1934 zo iets niet. Ik zal om meer dan een reden mij dus niet verwonderen, wanneer Ik mijn broeders-collega’s niet als partijgenoten mag begroeten. Maar er Is toch één ding, dat wij dunkt mij wel van hen mogen verwachten, wanneer zij precies op dezelfde wijze als dat een goede dertig jaar geleden zede was In ons politieke leven, de scheiding maken: wij vromen mét God zij socialisten zonder God. Dat éne ding, dat wij onvoorwaardellk van hen eisen, Is dat zij aan hun leuze „wij met God” een kon-

krete sociale en zedellke Inhoud geven. Zij komen Immers boven de vrij gemakkellke sentimentaliteit niet uit, wanneer zij alleen nu, nu steunverlaging In duizenden gezinnen de armoede tot over de lippen heeft doen komen, een protest uitspreken. Het zal hun toch niet ontgaan zijn, dat deze steunverlaging verband houdt met ekonomlese krlsls; zij zullen toch ook kunnen weten, dat deze krlsls niet de eerste Is In het huldig maatschappellk stelsel, en daarin allerminst toevallig; het zal hun toch ook niet voor het eerst In hun pastorale arbeid hebben getroffen, dat het In de voornaamste plaats ie arbeidersklasse Is, die door deze gesel het zwaarst wordt geteisterd. Als zij het aandurven om nü te zeggen: wij mét God dan vragen wij met nadruk: welke konkrete sociale en zedellke Inhoud geeft gij daaraan? m.a.w. wat wilt gij met de sociale positie dier (werkloze of nog werkende) arbeidersklasse, aan wie nog steeds de mede-verantwoordellkheld voor het ekonomles en sociale leven wordt onthouden; wat wilt gij met het maatschappellk stelsel, waaruit onontkoombaar noodwendig krlsls en oorlog voortkomen; en waar Is uw daad, waarin levende gestalte krijgt dat wat gij zoveel beter dan de godloze socialisten kunt doen? Zolang niet duldellk spreekt wat de Inhoud van uw godsdienstige leuze Is, (en het moet duldellk spreken, en bij voortduring, uit een lange reeks van daden der uwen), wekt zij bij ons slechts de weerzin, die alle farizeïsme In ons oproept.

Ik hecht er waarde aan om uit te spreken, dat een leuze: „wij met God” Inner lik gerechtvaardigd kan zijn gerechtvaardigd enerzijds, wanneer de mens die haar aanheft, diep heeft geleden om het onrecht en de zonde van zijn tijd; gerechtvaardigd anderzijds, wanneer die mens uit de kracht van zijn geloof spreken en handelen móét. Belde dingen waren altans voor mijn oren te vernemen uit de leuze van wijlen Söderblom: „Zweden een

volk Gods”. Maar ik hoop dat ons religieus oordeel nog gevoelig genoeg is, om onmiddellik te verstaan, waarom deze leuze wèl, en die der beide Amsterdamse dominees niet door de beugel kan. Om twee belangrijke onderscheiden. Het eerste: als Söderblom de roep aanheft: Zweden een volk Gods, dan maakt hij geen onderscheid tus – sen schapen en bokken, tussen godlochenende socialisten en goddienende kerkmensen; dan gaat zijn roep tot allen die uit liefde tot God het eigen volk willen opvoeren tot die onbaatzuchtigheid, die voorwaarde is voor internationaal recht en vrede. De Amsterdamse dominees van Hoogenhuyze en Oorthuys sluiten bij voorbaat socialisten uit slechts een bewijs van dier dominees armoede in dit opzicht. Het tweede onderscheid: Söderblom oordeelt niet over mensen, maar geeft een zakelike richting en inhoud. Zie, dat ergert en grieft ons in het hooghartig oordeel, dat de beide heren uitspreken over mensen: wat weten zij tenslotte van het innerlik leven dier socialisten, maar vooral: wat weten zij van het werk Gods ook in de zielen van hen die zijn naam niet meer kunnen noemen? Van deze dingen moesten in de eerste plaats predikanten af blijven uit een besef van heilige schroom tegenover het werk Gods in mensenharten. Wanneer men de Godsnaam gebruiken moet uit innerlike noodzaak, men doe het maar dan volstrekt zakelik. Belangrijker dan de vraag, of de socialisfen hun werk gedaan hebben zonder God, is .ie vraag of het socialisme de maatschappij-ordening op rechtvaardige koöperatieve grondslag godsdienstig te aanvaarden is. Als men de grote strijdvragen kan houden in de sfeer der zakelike inhouden, kan een strijd geestelik en waardig blijven; zoals de beide Amsterdamse heren in hun brief nu God als leuze hebben gehanteerd, blijft het grievend voor anderen, en wat erger is: een omlaag halen van het heilige. W. B.