is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 44, 04-08-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenland

De boer en Den Haag

Over het algemeen vormen de boeren het conservatieve deel der natie. Zij staan afkeerig en zeker uiterst voorzichtig tegenover nieuwe denkbeelden en aanvaarden eerst na lang aarzelen de goede diensten, die de landbouwwetenschap hun bewijst. In de politiek behooren zij niet tot de radicale partijen, tenzij de nood ze wanhopig maakt; zoo zal het wel verklaard moeten worden, dat er onder de tuinders in Noord-Holland vele communisten zijn. De boeren hebben, voordat de regeering hen met crisismaatregelen steunde, gedreigd met een opmarsch naar Den Haag; maar de regeering is geen oogenblik bevreesd geweest voor een boerenoorlog. De boer is individualist; hij houdt niet van organisatie en blijft daarbuiten, als zijn belang het niet dringend noodzakelijk maakt. Hij onderhandelt bij voorkeur met zijn personeel man voor man en beschouwt het als een ongepaste bemoeiing met zijn zaken, als een vreemde snoeshaan namens de organisatie met hem spreken wil over de arbeidsvoorwaarden van zijn arbeiders. Hij wil ook niet gebonden zijn door sociale maatregelen en wetten en hij gehoorzaamt eraan, omdat hij gedwongen wordt, met wrevel en tegenzin. Den Haag is voor den boer, wat Spanje was voor onze voorouders: de dwingelandij. En als je niet gehoorzaamt, dan krijg je de politie op je erf, dan moet je voor den kantonrechter, dan laten ze je boete betalen. Den Haag is de plaats, waar ze altijd weer nieuwe of zwaardere belastingen bedenken, waarvan een leger van ambtenaren als rijke heeren leven en de boer kan het maar betalen. Er zijn zeker uitzonderingen, maar we meenen de gedachten en gezindheid der meeste boeren zoo goed te hebben weergegeven.

De crisis is heel zwaar op den boerenstand komen drukken; ze heeft menig bedrijf tot een zinkend schip gemaakt en een deel tot volslagen ondergang gebracht. Hoezeer anders van regeeringsbemoeiing afkeerig, nu wendden de boeren zich tot Den Haag al luider en al dreigender. Er kwamen revolutionaire klanken uit dit conservatieve volksdeel. Hulp was dan ook dringend noodzakelijk. Teen zijn een aantal steunmaatregelen genomen, die zeker niet volmaakt zijn, maar toch duizenden boeren geholpen hebben, om het zinkende schip van hun bedrijf boven water te houden en er komt kans, dat het lek dicht gemaakt zal kunnen worden. De boeren krijgen nu voor hun producten twee-, driemaal meer dan de prijs van de wereldmarkt. Bovendien hebben de boeren door de ontzettende werkloosheid onder de landarbeiders gelegenheid, om de loonen van hun volk sterk naar beneden te drukken; er is hier en daar een loonsverlaging gekomen van 30 pet. en meer. De boer hoeft ook niet zooveel rekening te houden met de organisatie der landarbeiders; telkens hoort men, dat zij overleg afwijzen en onlangs bij een conflict in Zeeland, dat zij ook van een voorstel tot arbitrage, door den rijksbemiddelaar voor gesteld, niet willen weten.

De regeering heeft echter de steunmaatregelen genomen ten bate van het geheele bedrijf, waartoe ook de arbeiders behooren. En de minister heeft als voorwaarde voor steun overleg met de organisaties verplicht gesteld en de Zeeuwsche boeren ook gedreigd, dat steun hun onthouden zal worden, indien zij arbitrage blijven afwijzen. De stemming tegenover Den Haag, die door

den steun eenigszins verzacht was, is nu weer ouderwets slecht. Den Haag bemoeit zich weer met zaken, die den boer alleen aangaan; Den Haag is weer de dwingeland, die inbreuk maakt op de persoonlijke vrijheid; Den Haag zet de arbeiders tegen de boeren op en maakt een prettige en vriendschappelijke verhouding met de arbeiders onmogelijk; Den Haag neemt maatregelen tegen de boeren, die geheel van het beginsel van den klassenstrijd uitgaan, enz.

Men heeft ook van de regeeringstafel eenige malen de gedachten uitgesproken, dat de tegenwoordige crisis zich niet alleen om haar hevigheid van alle anderen onderscheidt, maar dat zij ook een zeer bijzondere crisis is, die tot nieuwe maatschappelijke verhoudingen zal leiden: een crisis in de structuur der maatschappij. De eisch der regeering, dat de boeren overleg met de organisaties der landarbeiders moeten plegen en haar bevel, dat zij arbitrage moeten aanvaarden, of anders geen steun meer zullen ontvangen, wijst ook in deze richting. Wie had zoo iets eenige jaren geleden mogelijk geacht! Den Haag blijkt hier de teekenen des tijds te verstaan beter dan de meeste boeren.

Natuur en Jeugd

In „De Kern”, het leidersblad der A.J.C., staat een kort, pittig artikel van Henk van Laar over de natuur en de rijpere jeugd. Er staan vele voortreffelijke opmerkingen in. Voor een alzijdig uitgegroeiden geest is het verkeer in en met de natuur noodzakelijk. Thans zijn we in een overgangstijd vol verwarring en strijd. Het heilige goed voor het nieuwe geslacht zal het Leven in al zijn rijkdom en heerlijkheid zijn. Er zal dus een inniger contact met de natuur komen, een gevoel van verbondenheid met het een en al.

Opvoedkundigen en wijsgeeren hebben door alle eeuwen groote waarde gehecht aan het contact met de natuur. De natuur is dan ook een kostbaar bezit voor onzen tijd. In de natuur worden steeds weer de accu’s gevuld van de menschelijke motoren. Het is een teeken van verval, wanneer een volksgroep het nationaal bezit aan natuurschoon schendt, de bosschen en duinen, de plassen en veentjes, de heiden en stranden niet als het kostbaarste deel der nationale erfenis voor het komende geslacht bewaart. Wij moeten de jeugd het verkeeren in de natuur aanbieden als een duizendmaal duizend kostelijker goed dan allerlei genoegens, die alleen aangeboden worden, om er winst uit te slaan.

Dit zijn de voornaamste gedachten uit dit artikel en we weten, dat de poort tot natuurleven en schoon thans ook voor de arbeiders geopend is, dat zij veel meer gelegenheid hebben, om naar binnen te gaan en dat vooral de jeugd van de strijdende arbeidersklasse veel inniger met de natuur meeleeft, veel meer van natuurvreugde geniet, de natuur veel beter kent dan de kinderen van een vroeger geslacht. Wat een verschil tusschen den arbeidersjongen van vroeger, die het moeizaam verdiende geld uitgaf voor kermislot bij dag en nacht en des te meer pret had, hoe luider hij kon schreeuwen en tieren en hoe wilder hij kon draaien en zweven en hossen en de rijpere jeugd van thans, die kampeert en trekt en geniet van al de heerlijkheid van bosch en hei en strand, die zijn gevoel van levensvreugd en kameraadschap uitzingt en -danst en die ondergaat een heilige ontroering door den geheimzinnigen pracht van een sterrenhemel en de duistere aarde: geen kermisnacht maar een heilige nacht. De tegenstelling tusschen een vorig en het tegenwoordig geslacht moet niet al te vol-

strekt getrokken worden; er zijn nog te veel jongeren, die nog maar alleen op de wijze van een vorig geslacht kunnen genieten en die tegenover natuurschoon ziende blind zijn, maar er zijn toch ook duizenden anderen, die inderdaad de goede werking van het verkeer met de natuur ondergaan, zooals deze zoo juist geteekend wordt in het artikel van Henk van Laar.

Wijziging en aanvulling van de Kieswet

De minister van binnenlandsche zaken heeft een wetsontwerp ingediend, dat verbetering der Kieswet beoogt. Hij wil het voorkomen van vele kleine partijen bestrijden en stelt daarom voor, dat een aantal stemmen geëischt zal worden, voldoende om reeds bij eerste toedeeling drie cijfers te verwerven. Dit gaat ons veel te ver. Bij deze regeling zouden eenige kleine partijtjes uit de Kamer verdwijnen. Het zijn de Herv. Gereformeerde Staatspartij, de Nationale Boerenpartij (mr. Vervoorn), de Rev. Soc. Partij, Nationaal Herstel, de R.K. Volkspartij en de C.D.U. (H. van Houten). Het lijkt ons verkeerd, om de stemmen van deze min of meer belangrijke groepen in ons volk in het parlement niet te laten spreken. De sociaal democraten zijn indertijd ook slechts door twee man vertegenwoordigd geweest en de eerste socialist in de Kamer Domela Nieuwenhuis zat daar als eenling. Beter lijkt ons het middel, om te voorkomen, dat een aantal snipperpartijtjes aan de verkiezingen deelnemen, hoewel ze zoo goed als geen kans hebben, hun candidaat gekozen te krijgen, door een waarborgsom van ƒ 250 bij de candidaatstelling te eischen, zooals de minister in zijn ontwerp voorstelt. Dit systeem wordt ook in Engeland toegepast; alleen wordt daar een veel grooter waarborgsom geeischt: een som, die bij niet-verkiezing in de schatkist vloeit. Het groote kwaad zit niet voornamelijk in het groote aantal kleine partijen, dat in het parlement vertegenwoordigd is, maar in het groot aantal candidaten, waardoor steeds duizenden stemmen verloren gaan.

De minister wil verder de vrijgestelden uit Staten en Gemeenteraad weren en hun dus het passieve kiesrecht ontnemen. De vrijgestelden zouden te zeer de zaakwaarnemers van bepaalde groepen kiezers zijn en, om dit te voorkomen, wil de minister hen weren uit Staten en Gemeenteraad. Voor dergelijke uitsluiting uit het parlement zou Grondwetsherziening noodig zijn en die weg is de minister te lang en te bezwaarlijk. Zijn hier gevallen van misbruik zoo erg, dat men de vrijgestelden moet uitsluiten uit de genoemde bestuurscolleges? Wij ontkennen het. Bovendien zijn er steeds leden, die naast het algemeen belang ook bijzondere belangen verdedigen en dienen. Wij denken aan middenstanders, aan landbouwers (vooral in de Staten), aan mannen van het onderwijs, die speciaal voor de school en haar dienaren en aangelegenheden hart hebben enz. enz. En het kan waarlijk geen kwaad, dat in dezen tijd mannen het opnemen voor de belangen van het overheidspersoneel, die daarvan op de hoogte zijn beter dan vele andere leden. Het aantal vrijgestelden is verder zoo gering, dat daardoor alleen misbruik van hun macht en positie zoo goed als uitgesloten is. Daarom achten wij deze wijziging in de Kieswet een verslechting en geen verbetering. Alleen in enkele uiterste gevallen moet men het kiesrecht, actief of passief, ontnemen; dat uiterste geval is hier niet aanwezig. Bovendien zou een eerste stap in deze verkeerde richting licht door meerderen gevolgd worden.

J. A. BRUINS Jr.