is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 46, 25-08-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer het leed meedoogenloos mij slaat in wreede pijn om stukgeslagen droomen.

en alles, wat het leven heeft genomen,... Als, wat ik ’t heiligst dacht, onttakeld staat.

Als ik in kleinheid neerzit, strijdensmoe, denk ik aan u door wereldsmart gebogen,

aan de vertwijfling in uw doffe oogen, dan neigt mijn hart zich naar u allen toe.

Ik denk aan u, die na doorwaakten nacht terugdeinst voor den nieuwen zonnemorgen,

die in zijn söhoot al ’t lijden houdt verborgen, en om uw worstling, uw misère lacht.

Ik denk aan u, die hunkrend vraagt en vraagt om arbeid, gij getelde en ongetelden,

die nochtans met den moed der stille helden uw weg vervolgt, uw kruishout verder draagt.

Ik denk aan u, ginds in de kolenmijn.

Gij werkers, voortgezweepten, opgejaagden.

Gij afgetobden, door den dood belaagden, die nimmer deel hadt aan Gods zonneschijn.

Dan hef ik ’t hoofd weer, en verberg mijn leed in al het uwe, makkers;... zonder klagen

kan ik de smarten van het leven dragen, omdat ik in uw pijn, mij zelf vergeet.

BETSY BULSING—VAN BESOUW.

Letterkunde m llllllllllllllllllltl m hiuiiiiiiiiiiiiiiil M

Ilja Ehrenburg; der zweite Tag

De titel van dit boek van Ilja Ehrenburg is symbolisch. Hij vergelijkt datgene, wat nu in Sovjet-Rusland gebeurt, met dat wat God, volgens het oude scheppingsverhaal, tot stand bracht op den tweeden scheppingsdag, toen hij zeide: „Daar zij een uitspansel in het midden der wateren, en dat make scheiding tusschen wateren en wateren”. „En God maakte het uitspansel en maakte scheiding tusschen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tusschen de wateren, die boven het uitspansel zijn: en het was alzoo.”

Zóó voltrekt zich nu in Rusland, door middel van de scheppingskracht van het leven, de scheiding tusschen hen, die behouden blijven, dat wil zeggen, tot bloei en vruchtzetting komen in het nieuwe leven, en hen die onbruikbaar zijn en verloren gaan.

Dit is de algemeene zin, de diepe kern van Ehrenburg’s „Tweede Dag”, en wanneer men deze kern vasthoudt, is het verhaal zeer eenvoudig en begrijpelijk, ondanks het onrustige gewemel, dat het aan de oppervlakte vertoont. Dat brengt Ehrenburgs schrijfwijze nu eenmaal mee. De twee hoofdfiguren van het boek zijn Kolka Rschanow en Wolodja Safonow. In den eerste, de zoon van een arbeider, die door de „witten” doodgeschoten werd, is de zegevierende kracht van het leven gesymboliseerd. In den tweede, de zoon van een dokter, die een paar weken lang ge-

IK DENK AAN U

vangen zat onder rood bewind, omdat hij zich tegen de arrestatie van een zieke verzette, voelt men den stroom des levens verzanden. Kolka, die, door intuïtie gedreven, van uit Swerdlofsk naar de buurt van Koeznezk in Siberië komt, waar meer dan 200.000 arbeiders werk vinden bij den bouw van nieuwe, geweldige hoogovens, is even rijk en zuiver als de natuur. Hij doet intuïtief altijd wat goed is; hij is dapper, vlijtig, kameraadschappelijk, hij staat voor alles open en bovenal: hij heeft het geloof, geloof in de partij, in Sovjet-Rusland, in het communisme. Rondom hem zijn dozijnen jongens en meisjes van hetzelfde soort gegroepeerd, allen met hun individueele eigenschappen en zwakheden. Maar zij allen hebben het geloof, het groote vertrouwen uit liefde. Zij falen en struikelen, maar vinden toch den weg tot het nieuwe gemeenschapsleven.

Wolodja heeft het geloof niet; daarom gaat hij verloren. Als kind al was hij gesloten en achterbaks; door de onrechtvaardige behandeling, die de rooden zijn vader hebben aangedaan, is er in zijn kindergemoed een snaar gebarsten. Een wrok is achtergebleven, dien hij niet kan overwinnen. Hij is van een griezelige, verschrikkelijke luciditeit, zoowel wat hem zelf als wat zijn omgeving aangaat. Hij ziet al zijn leemten, zijn gebrek aan warmte, aan produktiviteit, en hij ziet met even onverbiddelijke scherpte al het leelijke.

slechte en zwakke in zijn omgeving. Hij kè,n niet anders. Hij gaat naar Koeznezk, in de hoop dat hij daar de elementaire genade van de geestdriftigheid deelachtig zal worden, die zekere triomfdagen allen doorstroomt. Maar hij blijft koud en kritisch. In hem is het smachtende verlangen om lief te hebben. Maar hij kan het niet. Hij kan zijn ik niet vergeten. Het staat hem onophoudelijk in den weg. Het staat tusschen hem in en het nieuwe leven. Hij eindigt met zich van kant te maken.

Wolodja is in den grond de traditioneele russische gestalte van den onvruchtbaren kritikaster, in wien de zelfontleding en de al-ontleding het spontane willen hebben gedood. Natuurlijk heeft de inkarnatie van deze figuur in Wolodja zeer bijzondere persoonlijke trekken, maar die zijn van weinig belang, in verhouding tot de algemeene trekken in zijn karakter van den russischen intellektueel van het vóórrevolutionaire tijdperk. Met hem gaat héél wat scherp en fijn intellekt ten onder, maar ook héél wat zieligheid. Een verkeerde inzetting tot het leven verdwijnt: een karakterhouding, die zich niet voor het leven open kon stellen.

Tusschen Wolodja en Kolka staat Irina, de piepjonge onderwijzeres. Eerst wordt zij door Wolodja betooverd en ze komt van die betoovering niet makkelijk los. Maar als ze Kolka leert kennen, voelt ze het verschil tusschen gezond en ziek, produktief en onvruchtbaar, tusschen ondergang en leven. En ze kiest het leven. Irina is dapper en sterk. Was ze dat niet, dan zou ’t haar nooit gelukt zijn, om de verwilderde bengels van de school te Koeznezk, waar ze aanvankelijk radeloos tegenoverstaat, te herscheppen in goede leerlingen, innerlijk-geordend, en geluk voelend in kollektieve zelfwerkzaamheid.

Nu moet de lezer niet denken, dat Ehrenburg een schablone toepast op zijn figuren, de schablone van het behooren tot een bepaalde klasse. Integendeel. Dit is juist zoo mooi in „de tweede dag”, dat er van geen rangschikking naar een schablone sprake is. Er zijn er onder de leden van de vroegere burgerlijke „intelligentsia” die de eischen en de grootschheid van het nieuwe leven met hart en ziel begrepen hebben en aanvaarden. Zoo b.v. de halfverhongerde bibliothekaresse van de Universiteits-bibliotheek te Tomsk, een „heldin van den arbeid”, even goed als de stootbrigadiers te Koeznezk, die bij 50 graden onder nul het werk niet in den steek willen laten. En dan de oude professor Grimm, een wereld-vermaardheid in de hoogere meetkunde, die door de regeering wordt verzorgd met het noodige, tegen zijn eigen verlangen in. Wanneer Wolodja, vóór zich van kant te maken, hem komt vragen „of sterven verschrikkelijk is”, antwoordt Grimm hem „u moest liever aan uw examen denken”. En dan „Ik benijd u. U zult zien, waar dit alles op'uitloopt. Het is niet mooi, als iedereen slechts aan zich zelf denkt. De wetenschap is óók een zelfopoffering van de studenten”, zegt hij. „De voorkennis ontbreekt hun. Maar welk een energie!... Zij werken, en niet voor zich zelf alléén. Was ik jonger, ik ging zeker helpen”.

„De Tweede Dag” draait om twee assen, een groote en een kleinere: Koeznezk en Tomsk. Dat werkt op den lezer onrustig. En het boek is zoo volgepropt met gestalten en gebeurtenissen, dat men er den adem bij verliest.

Maar het is een boek van groot geloof, van groot vertrouwen in de krachten-deslevens, van groote liefde. H. ROLAND HOLST.