is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 47, 08-09-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WACHTWOORD

Zoekt God en gij zult leven! doch zoekt niet de Roomse kerk.

zoekt niet de Protestantse kerk, zoekt niet de Socialistiese kerk,

Maar zoekt God en gij zult leven! Dat hij niet het huis der wereld met vuur verbrande

Zodat het verteert, zonder dat iemand redt

Zoekt het goede en niet het kwade. Zo zult gij leven;

Dan zal God met u zijn

Laat het recht als water stromen en de gerechtigheid als een immer vloeiende beek.

Indonesische economische politiek

Van groote politieke beteekenis is de ge- t zindheid van diegenen der Indonesiërs, die i door groote groepen der bevolking als hun t beste voormannen beschouwd worden. Dat ( die leiders gebruik maken van de toestand om bevolkingsbelangen beter behartigd te ( krijgen, is begrijpelijk, en behoeft voor Nederland geen nadeel te zijn. Een naar < welvaart en onafhankelijkheid strevend I Indonesië kan onze verre vriend worden ( van evenveel of meer waarde dan de beste buur. Maar zulk een politiek te voeren eischt ongewone stuurmanskunst en offervaardigheid. Op tal van gebieden bestaan er n.l. tegengestelde belangen tusschen Nederlanders en Indonesiërs.

Dat dualisme aan een koloniaal bewind eigen is, dient ons helder voor oogen te staan.

Nemen wij als voorbeelden daarvan de belangrijke rubber-, olie- en suikerwinning, waarbij honderdduizenden Indonesiërs'direct en indirect betrokken zijn.

In 1921 voerden de westersche ondernemingen 62 millioen K.G. rubber uiu, tegen slechts 6 millioen K.G. door de Indonesische bevolking geteeld. In 1925 was die verhouding geheel anders n.l. 106 tot 85 millioen K.G. geworden; in 1932 (in verband met de prijsval) 153 tot 61 millioen K.G. Toen in 1933 de rubberprijs steeg, voerde Indonesië 170 millioen K.G. ondernemingsrubber en 115 millioen K.G. bevolkingsrubber uit. Het uitgevoerde bevolkingsproduct was in 1933 dus bijna verdubbeld. Tot welk een verschillende rubberuitvoer de bevolking in staat is, begrijp pas recht hij die weet, dat bij een prijs van 5 cent per pond te Batavia in eerste kwartaal van 1933 uit Indonesië millioen K.G. bevolkingsrubber werd uitgevoerd, tegen 39 millioen K.G. m het vierde kwartaal van 1933, toen de prijs tot 8,6 cent was opgeloopen. Uit die verdrievoudiging blijkt tevens, hoe moeilijk het is, een billijk aandeel in continpnteering van bevolkingsrubber ten opzichte ran ondernemingsrubber vast te stellen. Het uitvoerrecht, dat in verband met de contingenteering dit jaar speciaal op bevolkingsrubber en niet op ondernemersrubber gelegd en pas weer verhoogd is, de bevolking als een onbillijkheid. „Het Indische Volk” van 20 Juni 1934 schreef: „Met deze rubberrestrictie wordt een volkomen ongezond Europeesch bedrijf op de been gehouden en wordt een executie opgeschort, welke naar ons inzicht de economische ontwikkeUng noodwendig straks

toch zal voltrekken. De heffing van het ' uitvoerrecht op de bevolkingsrubber ten wij staatkundig gesproken een fout.” ' Ook niet socialistische Nederlandsche ! Volksraadsleden als de heer Roep zien i dat in.

Daarnaast treft het, hoe de regeering al jaren lang een uitvoerrecht op olie en benzine afwijst. Deze olieproducten worden alleen gewonnen voor rekening van Westerlingen, die er zelfs in deze crisistijd goede winst mee weten te maken. In 1932 en 1933 kon de Koninklijke b.v. nog 6 pCt. dividend aan haar aandeelhouders uitkeeren. Voordien waren de winsten beschamend hoog.

Te groote bedragen zijn steeds met die olie uit Indonesië gevloeid. In 1933 exporteerde deze kolonie totaal voor rond 500 millioen gulden aan goederen. De grootste post hiervan, n.l. rond 100 millioen gulden, was die der aardolieproducten. De groote winsten daarmee gemaakt komen voornamelijk Westerlingen ten goede. Wel werd loon aan een toenemend deel der bevolking verschaft, maar de typisch koloniale uitheemsche bedrijfsontwikkeling maakt, om een woord van prof. Van Gelderen te gebruiken, de inheemsche bevolking tot een natie van loontrekkers en daarmee Indië tot een loontrekker onder de natie’s. Wat dit nationaal-economisch beteekent, zette onze partijgenoot op pag. 116 van zijn „Voorlezingen” uiteen. Ook de suikerfabrikage, voornamelijk in handen van Westerlingen, is er een voorbeeld van: In 1933 werd voor 62 millioen in 1930 voor 254, in het topjaar 1920 zelfs voor 1060 millioen gulden aan suiker uitgevoerd. Wel komen door de oliewinning en suikeraanplant en bereiding vele millioenen guldens jaarlijks in handen van de bevolking voor graaf- en transportarbeid, grondverhuur, handel enz., maar de (vaak groote) winsten komen niet, als b.v. bij de bevolkingsrubber, de indonesische bevolking ten goede.

Hoe de politieke leiders der Indonesiërs die wetenschap verwerken bleek dezer dagen heel duidelijk, toen het volksraadslid Feuilletau de Bruyn den leider der Indo, nesisch nationale Volksraadsfractie Tham; rin ter verantwoording meende te moeten roepen over diens woorden: ~Koop geen ■ suiker”, tegen een Japansch conferentie; journalist geuit. De heer Thamrin merkte – hiertegen op: „Inderdaad zijn die woorden gebezigd in dit verband, dat ik de be-3 volkingsproducten vooropstelde en dat bij

keuze tusschen een van deze twee mogelijkheden geen suiker gekocht moet worden, maar bevolkingsproducten. Maar al ware het juist, wat dan nog? Als de heer Zentgraaff publiekelijk mag verkondigen de idee, dat alleen suiker bij de onderhandelingen met de Japanners vooropgesteW moet worden, zie ik niet in, waarom ik geen tegengesteld advies kan uitbrengen. En zulks in het belang der bevolking.”

Ziehier een recente belichting van het dualisme in de koloniale economische politiek, die op velerlei gebied botsing brengt tusschen de belangen van regeerende uitheemsche Westerlingen en inheemsche Oosterlingen.

Wie de woorden rubber, suiker, olie, tabak, enz. noemt en denkt aan de lijksche millioenen uitvoerwaarde van die producten, en wie weet welke botsingen tusschen Indonesiërs en delingen plaats vinden bij de belasting-, arbeids- en andere wetgeving, in verband met de winning dier producten, voelt ook hoe bezwaarlijk het voor de Indonesiërs moet zijn, dat hun stem in de delegatie, die thans te Batavia met Japan onderhan-

delt, niet gehoord wordt. Dat Indonesiërs niet een belanpijk deel van onze delegatie uitmaken bij die besprekingen, pleit op zich zelf reeds tegen de door ons jaren lang gevoerde koloniale politiek. Indonesië moet, zooals Amerika met de Filippijnen deed, zoo snel mogelijk naar de onafhankelijkheid gevoerd worden. Dat is de beste wijze om botsingen met de Indonesiërs en botsingen met Japan minder hevig te maken of te vermijden. Maar dan dient radikaal gebroken te worden met de afkeurenswaardige ouderwets kapitalistische ondernemerspolitiek, die Colijn in zijn boek „Koloniale vraagstukken van heden en morgen” in 1928 voorstond.

Koloniseeren is tegenwoordig niet meer de” kunst om een land te veroveren, maar om er zoo op te treden, dat als het onvermijdelijk oogenblik van vrijlating komt, men het als vriend en niet als gehate onderdrukker verlaat en men er betrekkingen behoudt, die er voor geen ander volk bereikbaar zijn. Aldus bouwt men de toekomst van zijn land op.” Deze woorden, door den dezer dagen in Frankrijk gestorven Maarschalk Lyautey vroeger in Marokko tot Dr. van Blankenstein gesproken, (N. Rott. 30-7-’34) dienen leiddraad te worden voor wie in Indonesië en Nederland met macht over Indonesiërs bekleed zijn.

Goed en slecht bedoelde rijkseenheidsleuzen zijn valsch. Naar een nationaal vrij Indonesië moet gestreefd. Nederland en Indonesië dienen ieder een eigen nationale economische politiek te voeren. De historische banden behoeven niet plotseling doorgesneden te worden, een geleidelijke, maar zoo snel mogelijke loswikkeling is beter.

Naar verluidt zou de pro Japanscae ; stemming, die bij veel Indonesiërs viel! waar te nemen, in de laatste weken be- | ' ginnen plaats te maken voor vrees ten op- . i zichte van Japansch kolonialisme, impe-, rialisme en kapitalisme, dat als even erg: of erger dan het europeesche te duchten is. Maar gesteld dat deze recente geruchten juist zijn, ook die stemming kan weer in ons nadeel verkeeren. Veel zal daarbij: afhangen van de practische politiek die Japan in China en ten onzichte van Indonesië voert, maar oneindig veel meer invloed op de Indonesische gedachtengang, kan de wijze hebben, waarop Nederlana Indonesië bestuurt. i W MTDnKNDORP;